Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1083

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
C/10/517048 / HA ZA 16-1422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verschuldigdheid van vergoeding voor bemiddelingswerkzaamheden. Partijen in verschillende landen gevestigd. Toepasselijk recht. Haags vertegenwoordigingsverdrag 1978. Agentuurovereenkomst. Verwijzing naar kantonrechter?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/517048 / HA ZA 16-1422

Vonnis van 14 februari 2018

in de zaak van

vennootschap naar buitenlands recht

GLOBAL CORPORATION,

gevestigd te Karachi, Pakistan,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. V. van Oosteren te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IPS GROUP B.V.,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.P. Macro te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Global Corporation en IPS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 december 2016, met producties 1 tot en met 12;

  • -

    de incidentele conclusie tot het stellen van zekerheid;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident;

  • -

    het vonnis in incident van 26 april 2017;

  • -

    de akte uitlating zekerheidstelling en conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    het B-8 formulier met productie 13;

  • -

    de oproepbrief van de rechtbank van 28 juni 2017, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 6 oktober 2017;

  • -

    een brief van mr. Van Oosteren van 12 oktober 2017 waarin is vermeld dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen;

  • -

    een B-16 formulier van mr. Macro, waarin is vermeld dat partijen geen regeling in der minne hebben getroffen;

  • -

    de brief van mr. Van Oosteren van 30 oktober 2017, met opmerkingen op het proces-verbaal;

  • -

    een reactie van mr. Macro van 31 oktober 2017 op laatstgemelde brief;

  • -

    een reactie van mr. Van Oosteren van 31 oktober 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Global Corporation is sinds 1995 actief als sales consultant in Pakistan voor de olie- en gasindustrie.

2.2.

IPS levert wereldwijd diverse producten aan de olie- en gasindustrie.

2.3.

Sinds 2012 heeft Global Corporation bemiddeld voor IPS bij de verkoop van producten door IPS in Pakistan. Global Corporation is met IPS een sales fee overeengekomen van ongeveer 2 à 5 procent.

2.4.

Global Corporation heeft facturen aan IPS toegezonden die deels onbetaald zijn gebleven.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Global Corporation vordert samengevat en na eisvermindering ter comparitie - veroordeling van IPS tot betaling van

  1. € 17.028,11 althans het equivalent van dat bedrag in Amerikaanse dollars tegen de op dat moment geldende wisselkoers, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;

  2. $ 169.480,83 althans het equivalent van dat bedrag in euro’s tegen de op dat moment geldende wisselkoers, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;

  3. € 2.764,98 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  4. de proceskosten.

3.2.

Het verweer van IPS strekt tot afwijzing van de vordering.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

IPS vordert ‘te verklaren voor recht dat er geen Agency Overeenkomst is gesloten c.q. tot stand gekomen tussen IPS en Global Corporation op 23 februari 2013, althans dat Global Corporation geen rechten kan ontlenen aan de overeenkomst van 23 februari 2013, met veroordeling van Global Corporation, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten te vermeerderen met de nakosten, alsmede te verhogen met de eventuele kosten van betekening, een en ander te voldoen binnen zeven dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis.

3.5.

Het verweer van Global Corporation strekt tot afwijzing van de vordering.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gezien de nauwe verwevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie, komen zij in het navolgende gezamenlijk aan de orde.

Omvang van het geschil

4.2.

Partijen twisten over de vraag of IPS een vergoeding voor bemiddelingswerkzaam-heden van Global Corporation is verschuldigd indien IPS voor de betreffende transactie zelf nog geen volledige betaling heeft ontvangen.

Rechtsmacht

4.3.

Nu Global Corporation in Pakistan is gevestigd en IPS in Pakistan handelsrelaties is aangegaan, heeft het geschil een internationaal karakter. Ambtshalve moet dan ook de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft van de vordering kennis te nemen. Aangezien IPS gedaagde in de onderhavige procedure is en zij in Nederland is gevestigd en de vordering na 10 januari 2015 is ingesteld, is de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van de artikelen 4 jo 66 van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikte EEX-Verordening) gegeven.

Toepasselijk recht

4.4.

Voorts ligt gelet op voormelde internationale aspecten in deze zaak ambtshalve de vraag voor welk recht van toepassing is.

4.5.

Het toepasselijk recht moet worden gevonden aan de hand van de conflictregels van het Haags Verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging van 14 maart 1978, Trb. 1987 nr. 138 (Haags Vertegenwoordigingsverdrag 1978). Op grond van het bepaalde in artikel 1 van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag 1978 bevat het verdrag immers niet alleen verwijzingsregels ten aanzien van directe en indirecte vertegenwoordiging, maar ook zaken waarin een partij heeft bemiddeld. Ingevolge artikel 4 van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag 1978 heeft het verdrag een universeel toepassingsgebied. Dat Pakistan geen verdragsstaat is bij het Haags Vertegenwoordigingsverdrag 1978, doet derhalve aan de toepasselijkheid van het verdrag niet af.

4.6.

Op grond van het bepaalde in artikel 5 van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag komt aan partijen een rechtskeuze toe. Indien partijen geen rechtskeuze maken, dient het toepasselijke recht te worden bepaald aan de hand van artikel 6 van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag 1978. Ingevolge dat artikel wordt de rechtsverhouding beheerst door het recht van het land waar de agent is gevestigd. Nu Global Corporation in Karachi, Pakistan, is gevestigd, zou op grond van die bepaling Pakistaans recht van toepassing zijn.

4.7.

Pakistaans recht is dus – tenzij door partijen een andere rechtskeuze is uitgebracht – van toepassing op de rechtsverhouding tussen Global Corporation en IPS en de daaruit voortvloeiende vordering tot nakoming.

4.8.

Partijen hebben zich nog niet uitgelaten over de vraag of zij een rechtskeuze hebben uitgebracht of wensen uit te brengen ten aanzien van het geschil. De rechtbank zal Global Corporation en IPS de gelegenheid bieden om die rechtskeuze (alsnog) uit te brengen en de zaak daartoe naar de rol verwijzen. Het gaat dan om een uit te brengen rechtskeuze voor Nederlands recht op hun rechtsverhouding uit de (bemiddelings)overeenkomst.

4.9.

Indien Global Corporation en IPS geen gebruik maken van de mogelijkheid de rechtskeuze voor Nederlands recht uit te brengen, mogen zij zich bij akte uit laten over de inhoud en uitleg van alle relevante bepalingen van het Pakistaanse recht met betrekking tot de volgende rechtsvragen:

  1. hoe dient de rechtsverhouding van partijen worden gekwalificeerd? Welke wet- en regelgeving is van toepassing op de betreffende rechtsverhouding? Is IPS toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, uitgaande van de door Global Corporation daaraan ten grondslag gelegde feiten, wat daar ook van zij?

  2. Indien het antwoord op laatstgemelde vraag onder i. ja is, is IPS gehouden om de openstaande facturen te voldoen? Hoe dienen de door IPS gevoerde verweren te worden beoordeeld?

4.10.

Indien en voor zover Nederlands recht van toepassing zou zijn, overweegt de rechtbank het volgende.

4.11.

Een agentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij (de principaal) de andere partij (de handelsagent) opdraagt om voor een bepaalde of voor onbepaalde tijd tegen beloning te bemiddelen bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen de principaal en opdrachtgevers zonder aan de principaal ondergeschikt te zijn. Kenmerkend voor een agentuurovereenkomst is dat de opdrachtnemer in beginsel alleen beloond wordt (door middel van het ontvangen van provisie) indien en voor zover door diens bemoeiingen overeenkomsten tussen de principaal en derden tot stand komen (vgl. gerechtshof Amsterdam 15 september 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3847).

4.12.

Uit de stellingen van Global Corporation kan worden afgeleid, dat IPS Global Corporation heeft verzocht om haar te representeren in Pakistan om daar de producten van IPS op de markt te brengen. Global Corporation brengt potentiële klanten aan bij IPS en IPS beslist of ze met de aangebrachte partijen een deal willen doen en tegen welke prijs. Verkoop en betaling vindt vervolgens rechtstreeks plaats tussen IPS en de klant. Voor ieder product dat Global Corporation namens IPS in Pakistan verkoopt althans waar Global Corporation de klant voor heeft aangedragen, ontvangt Global Corporation een sales fee welke per verkoop ongeveer tussen de 2 en de 5 procent ligt. Na afronding van een verkoop die door tussenkomst van Global Corporation heeft plaatsgevonden, stuurt zij IPS een factuur voor haar fee.

4.13.

IPS heeft voormelde samenwerking niet betwist. Zij heeft zich – onder verwijzing naar een tweetal ‘agency agreements’ – op het standpunt gesteld dat niet op het moment waarop de verkoop is gerealiseerd, maar pas wanneer er sprake is van een afgerond project waarvoor IPS volledig is betaald en de order onherroepelijk is, IPS een fee aan Global Corporation voor haar werkzaamheden is verschuldigd. Voor zover IPS is betaald door haar opdrachtgevers, heeft zij de verschuldigde fee aan Global Corporation ook voldaan.

4.14.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat de overeenkomst tussen partijen, die de grondslag vormt van de facturen over de betaling waarvan partijen nu twisten, kan kwalificeren als een agentuurovereenkomst als bedoeld onder 4.11. Partijen hebben zich echter nog niet uitgelaten over de vraag of en waarom het hier (g)een agentuurovereenkomst betreft. Dit is van belang, omdat ingevolge artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) sub c zaken betreffende een agentuurovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering, worden behandeld en beslist door de kantonrechter.

4.15.

Op grond van artikel 71 lid 2 Rv kan ambtshalve verwijzing plaatsvinden naar de kantonrechter. De rechtbank dient op grond van artikel 71 lid 3 Rv de vraag of de zaak dient te worden verwezen naar de kantonrechter te beantwoorden aan de hand van haar voorlopige oordeel over het onderwerp van het geschil. Alvorens omtrent verwijzing te beslissen dienen partijen in de gelegenheid te zijn geweest zich hierover uit te laten. Nu partijen zich hierover nog niet hebben uitgelaten, zullen zij hiertoe alsnog bij akte in de gelegenheid worden gesteld.

Nu de rechtbank zich bovendien heeft afgevraagd of Pakistaans of Nederlands recht van toepassing is, verzoekt de rechtbank partijen zich tevens bij dezelfde akte hierover uit te laten.

4.16.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte respectievelijk antwoordakte, waarin partijen zich desgewenst kunnen uitlaten over de navolgende vragen:

1) of zij een rechtskeuze naar Nederlands recht hebben uitgebracht of willen uitbrengen op hun rechtsverhouding uit de (bemiddelings)overeenkomst;

2) indien het antwoord op 1) ontkennend is, het antwoord op de onder i. en ii. van rechtsoverweging 4.9 vermelde rechtsvragen;

3) indien het antwoord op 1) bevestigend is:

  1. of en waarom het hier (g)een agentuurovereenkomst betreft, alsmede

  2. of zij zich verzetten tegen een verwijzing naar de kantonrechter, gelet op het bepaalde in artikel 71 Rv.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 14 maart 2018 voor akte uitlating aan de zijde van Global Corporation zoals hiervoor onder 4.16 aangegeven;

5.2.

bepaalt dat IPS bij antwoordakte op een termijn van vier weken zal mogen reageren;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.

2053/39