Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10790

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-12-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
7081943 18-30158
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht, vordering van ex-werknemer, bestuurdersaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7081943 / CV EXPL 18-30158

uitspraak: 7 december 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Rijen,

eiser,

gemachtigde: mr. M.P.A. Hollander (SRM Rechtsbijstand) te Nijmegen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. W.J. Wortelboer te Leiden.

Partijen worden hierna “ [eiser] ” respectievelijk “ [gedaagde] ” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

- het exploot van dagvaarding van 12 juli 2018, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 20 september 2018, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de zijdens [eiser] ingezonden productie, ter griffie ontvangen op 8 november 2018;

- het proces-verbaal van de op 9 november 2018 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

[eiser] trad op 1 juni 2006 in dienst bij [naam bedrijf 1] (hierna: de ijzerhandel) in de functie van administratief medewerker. Bestuurder van bedoelde onderneming was wijlen de heer [naam] sr. (hierna: ‘ [naam] ’, zijnde de vader van [gedaagde] ), door tussenkomst van de firma [naam bedrijf 2] (hierna: ‘de holding’).

2.2.

Op 14 september 2016 overleed [naam] .

2.3.

Kort daarna, op 30 september 2016, werd [gedaagde] aangesteld als bestuurder van de holding en daarmee ook als indirect bestuurder van de ijzerhandel. [gedaagde] nam daarmee het spreekwoordelijke stokje over van [naam] .

2.4.

De ijzerhandel verkeerde destijds in een slechte financiële situatie.

2.5.

Op 1 december 2016 sluit [eiser] met de ijzerhandel een schriftelijke vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband van [eiser] . Namens de ijzerhandel heeft [gedaagde] getekend in de functie van directeur van de ijzerhandel.

2.6.

In de vaststellingsovereenkomst is, voor zover thans relevant, het navolgende vastgelegd:

“(…)

Artikel 1

Werkgever en werknemer beëindigen met wederzijds goedvinden de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 januari 2017.

Artikel 2

Werkgever zal binnen 2 weken na de in art. 1 genoemde datum de eindafrekening (…) betreffende het aan de werknemer tot en met het einde dienstverband toekomende salaris c.a., waaronder ook de vakantietoeslag, en eventuele vergoeding voor opgebouwde, doch niet genoten vakantiedagen welke door werknemer per direct opneembaar zijn en de wettelijk bepaalde transitievergoeding (1/3 van het bruto maandsalaris x het aantal dienstjaar (10,5)) opmaken en tot betaling van de uit hoofde van die eindafrekening verschuldigde netto bedragen overgaan.

(…)”

2.7.

[gedaagde] heeft de ijzerhandel op 9 maart 2017 laten ontbinden en op 10 maart 2017 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Betaling van de transitievergoeding aan [eiser] is uitgebleven.

2.8.

[gedaagde] heeft op 24 januari 2017 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf 3] opgericht en per die datum ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Die onderneming is actief op het terrein van import, export, en recycling van sloopmaterialen, afval, ijzer- en staalschroot, zoals de ijzerhandel ook was.

2.9.

[gedaagde] is eigenaar/directeur van die onderneming en heeft al het personeel van de ontbonden ijzerhandel overgenomen, zulks met uitzondering van [eiser] .

[eiser] was inmiddels al voor zichzelf begonnen.

3 De vordering

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 12.583,- bruto aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW, wettelijke rente en kosten als in de dagvaarding is omschreven.

3.2.

Aan die vordering heeft [eiser] , samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Meer concreet is sprake van bestuurdersaansprakelijkheid, gelijk de in de jurisprudentie ontwikkelde zogeheten Beklamel-norm. [gedaagde] heeft de beëindigingsovereenkomst getekend. Hij is hiermee willens en wetens een betalingsverplichting van de ijzerhandel aangegaan op 1 december 2016 (dus met het tekenen van de beëindigingsovereenkomst), waarin tevens is opgenomen dat de transitievergoeding opeisbaar is per 15 januari 2017. Dit heeft hij gedaan terwijl de financiële situatie van de ijzerhandel dusdanig penibel was en de onderneming in januari 2017 is opgeheven. [gedaagde] wist bij het tekenen van de beëindigingsovereenkomst dat de ijzerhandel niet aan haar betalingsverplichting zou kunnen voldoen.

[gedaagde] was op de hoogte van het exacte bedrag van de transitievergoeding. Hij was als (voormalig) eigenaar/directeur van de ijzerhandel op de hoogte van alle zaken die speelden binnen het bedrijf. Feitelijk komt het erop neer dat [gedaagde] nimmer voornemens was de vergoeding aan [eiser] te betalen. [eiser] is hiervan de dupe geworden.

Hij heeft tot op heden geen enkel bedrag aan transitievergoeding ontvangen.

[gedaagde] is op de voet van het bepaalde in artikel 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. De schade van [eiser] is gelijk aan de onbetaald gebleven wettelijke transitievergoeding, door [eiser] berekend op € 12.583,- bruto. [eiser] vordert betaling van dat bedrag.

Verder vordert [eiser] de maximale wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW van 50% over de hoofdsom, door hem berekend op € 6.291,50. Daarnaast vordert [eiser] de wettelijke rente ex art. 6:119 BW alsmede een vergoeding voor de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten groot € 968,- (incl. BTW).

Tot slot vordert [eiser] een vergoeding voor de gemaakte proceskosten.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Samengevat weergegeven betoogt hij het navolgende.

4.2.

Op zichzelf genomen is wel juist dat [gedaagde] de beëindigingsovereenkomst heeft getekend. Ook is juist dat hij op de hoogte was van de penibele financiële situatie waarin het bedrijf op dat moment (december 2016) verkeerde. Iedereen was daarvan op de hoogte, ook [eiser] . Sterker nog, [eiser] wist van de hoed en de rand omdat hij werkte op de administratie en de financiële situatie kende.

Het is juist dat [gedaagde] begin 2017 een nieuwe onderneming is gestart en dat al het personeel mee is overgegaan. [eiser] kon ook mee overgaan, maar dat wilde hij niet.

Hij kwam bij [gedaagde] en zei dat hij voor zichzelf wilde beginnen.

[eiser] kwam met het beëindigingsvoorstel waarna [gedaagde] heeft getekend. Het is het initiatief van [eiser] geweest om op deze wijze uit elkaar te gaan. [gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat hij wist van de hoogte van het bedrag van de transitievergoeding. Zou hij geweten hebben wat het exacte bedrag is/was, dan was hij deze overeenkomst niet aangegaan. Er was geen geld meer binnen de ijzerhandel. Hij heeft getekend in een toestand waarin hij veel aan zij hoofd had, als gevolg van het overlijden van zijn vader. [gedaagde] heeft in totaal een bedrag van € 4.800,- aan [eiser] betaald. Dat bedrag is in verschillende delen betaald. [gedaagde] biedt ter zake bewijs aan.

4.3.

Op hetgeen door partijen verder nog is aangevoerd zal hierna bij de beoordeling van het geschil, voor zover relevant, worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Vaststaat dát tussen partijen een beëindigingsovereenkomst is gesloten, en dat het dienstverband met [eiser] per 1 januari 2017 is beëindigd. Verder staat -als niet weersproken- vast dat de wettelijke transitievergoeding ex art. 7:673 BW van [eiser] een bedrag van

€ 12.583,- bruto bedraagt.

Ook staat vast dat de in artikel 2 van de beëindigingsovereenkomst bedoelde transitievergoeding dát bedrag betreft en [eiser] betaling daarvan vordert.

5.2.

De vraag is of [gedaagde] (nu de ijzerhandel is opgeheven en geen verhaal meer biedt) persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor betaling van dat bedrag, bij wijze van schadevergoeding ex art. 6:162 BW.

Zo die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt vervolgens de vraag aan de orde of kan worden vastgesteld dat [gedaagde] reeds een bedrag van € 4.800,- aan [eiser] heeft betaald, zodat dat in mindering strekt op de vordering van [eiser] .

5.3.

Overwogen wordt dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van voormalig directeur/eigenaar van de ijzerhandel zijn handtekening onder de beëindigingsovereenkomst heeft gezet. Hij was/is bevoegd een dergelijke handeling te doen. Hij is, door dat te doen, willens en wetens een financiële verplichting aangegaan wetende dat de ijzerhandel die verplichting zal moeten nakomen, althans in rechte kan worden aangesproken tot nakoming van de verplichting. Welke verplichting dat dan was blijkt uitdrukkelijk uit het bepaalde in artikel 2 van de beëindigingsovereenkomst, te weten betaling van de wettelijke transitievergoeding, die ook nader is omschreven in dat artikel.

Die is opeisbaar geworden op 15 januari 2017. Ook dat hebben partijen in dat artikel vastgelegd. Dat het exacte bedrag, € 12.583,- bruto, daarin niet is opgenomen is niet doorslaggevend nu met de invoering van de WWZ de wettelijke transitievergoeding ex art. 7:673 BW op eenvoudige wijze is te berekenen. Zeker voor een directeur/eigenaar van een onderneming, die bovendien gebruik maakt van een boekhoudkantoor/administratiekantoor, is de berekening van die vergoeding relatief gemakkelijk.

Dat het betreffende bedrag in dit geval overigens wél vooraf is berekend door de ijzerhandel heeft [eiser] terecht aangevoerd. Hij verwijst naar de pro-forma eindafrekening (overgelegd als productie 6 bij dagvaarding). Die berekening, waarvan voor de hand ligt dat deze afkomstig is van de boekhouder van [gedaagde] , bevat de uitdrukkelijke vermelding: Transitievergoeding € 12.583,-.

Deze eindafrekening correspondeert met de later door [eiser] ingezonden productie 11, “vooraangifte inkomstenbelasting 2016”. Ook daarop is datzelfde bedrag van € 12.583,- bruto weergegeven. Beide stukken vermelden derhalve hetzelfde bedrag en zijn afkomstig van de ijzerhandel.

Gegeven deze omstandigheden moet het er in rechte voor worden gehouden dat toen

[gedaagde] tekende voor de beëindigingsovereenkomst hij tevens op de hoogte was van het bedrag van € 12.583,-, althans had kunnen zijn, en hij aldus zijn akkoord daarvoor heeft gegeven.

In welke emotionele toestand [gedaagde] op het moment van tekenen verkeerde (naar eigen zeggen had hij na het overlijden van senior veel aan zijn hoofd) doet aan het voorgaande niet af. Dat blijft voor rekening en risico van [gedaagde] .

Bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW

5.4.

De volgende vraag is of, gegeven de hiervoor getrokken conclusie en nu de ijzerhandel geen verhaal meer biedt, [gedaagde] in persoon aansprakelijk is voor de betaling van dat bedrag. [eiser] betoogt dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid.

Volgens [eiser] heeft [gedaagde] willens en weten de overeenkomst getekend, op het moment dat hij al voornemens was de ijzerhandel te laten liquideren (middels een turboliquidatie) en waardoor [eiser] met lege handen zou achterblijven in januari 2017.

5.5.

Onder omstandigheden kan de bestuurder van een vennootschap jegens een schuldeiser van de vennootschap op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn, indien hij feitelijk verhindert dat de vennootschap bestaande verplichtingen jegens de crediteur nakomt

(HR 31 januari 1958, NJ 1958, 251). In beginsel is een bestuurder slechts persoonlijk aansprakelijk indien hem een ernstig, persoonlijk verwijt treft, hetgeen slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen (HR 8 januari 1999, NJ 1999, 318). De stelplicht - en bewijslast - met betrekking tot zodanige bijzondere omstandigheden rust (in beginsel) op [eiser] als eisende partij.

5.6.

Overwogen wordt dat niet in geschil is dat de ijzerhandel eind 2016 aanzienlijke schulden had en ‘aan een zijden draadje hing’. [gedaagde] was toen bestuurder (eigenaar) en in die hoedanigheid op de hoogte van de exacte financiële situatie van het bedrijf.

Als bestuurder had hij feitelijke leiding binnen het bedrijf, inclusief alle daarbij behorende verplichtingen en verantwoordelijkheden, alsook kennis van de financiële situatie en de levensvatbaarheid van het bedrijf.

Dat op zichzelf genomen is nog niet voldoende om te kunnen spreken van bestuurdersaansprakelijkheid. De persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder mag, gelet op de onder r.o. 5.5. aangehaalde heersende jurisprudentie, niet te snel worden aangenomen. Daarvoor zijn bijkomende, bijzondere omstandigheden nodig. Het feit dat het in december met de onderneming slecht ging en dat [gedaagde] toch een overeenkomst is aangegaan kan hem niet zonder meer worden aangerekend.

Evenwel, er zijn door [eiser] in dit verband bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat [gedaagde] wel een ernstig, persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.

Die omstandigheden betreffen het feit dat [gedaagde] in december 2016 namens de noodlijdende ijzerhandel met [eiser] een beëindigingsovereenkomst is aangegaan, hij direct daarna in een kort tijdsbestek van drie maanden reeds in januari 2017 een nieuwe onderneming heeft opgestart en ingeschreven en vervolgens in maart 2017 de ijzerhandel heeft laten ontbinden en uitschrijven. Hij heeft bovendien al het personeel overgenomen naar zijn nieuwe onderneming, die nagenoeg dezelfde activiteiten verricht.

Die gang van zaken, door [eiser] aangeduid met turboliquidatie, moet in december 2016 voor [gedaagde] reeds uiteen gezet zijn, toen hij de overeenkomst met [eiser] tekende.

Dat betekent ook dat [gedaagde] toen al wist, althans redelijkerwijs had moeten weten, dat de ijzerhandel nimmer de transitievergoeding aan [eiser] zal betalen. Het lag dan voor de hand om, bij het aangaan van de beëindigingsovereenkomst (partijen hebben met elkaar gesproken voordat zij tekenden) [eiser] te wijzen op de noodlijdende situatie en te waarschuwen voor de aankomende ontbinding van de ijzerhandel. Dat is niet gebeurd.

Ook was het dan aan [gedaagde] geweest een zodanige overeenkomst op te stellen dat het initiatief tot beëindiging van [eiser] uitging en derhalve geen transitievergoeding verschuldigd zou zijn geweest.

5.7.

Die omstandigheden leiden de kantonrechter tot de slotsom dat [gedaagde] een ernstig verwijt treft, op grond waarvan hij persoonlijk aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW. De dientengevolge door [eiser] geleden schade dient te worden vergoed. Dat betekent dat de gevorderde hoofdsom groot € 12.583,- bruto, zijnde de door [eiser] geleden schade, in beginsel eveneens voor toewijzing gereed ligt.

5.8.

In dit verband heeft [gedaagde] op zijn beurt betoogd dat hij reeds een bedrag van

€ 4.800,- aan [eiser] heeft betaald. Dat bedrag, zo dat vast komt te staan, zou dan in mindering strekken op de gevorderde hoofdsom. [eiser] heeft de ontvangst van enig bedrag uitdrukkelijk betwist.

5.9.

[gedaagde] heeft bewijs aangeboden van ‘enkele betalingen’ aan [eiser] . Het zou gaan om in totaal € 4.800,-. Nu hij bewijs heeft aangeboden dat hij betalingen heeft gedaan zal hij worden toegelaten tot dat bewijs, een en ander op de wijze als hierna is weergegeven.

5.10.

Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van de procedure aangehouden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

laat [gedaagde] toe feiten en omstandigheden te bewijzen op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat [gedaagde] een bedrag heeft betaald aan [eiser] uit hoofde van de in artikel 2 uit de beëindigingsovereenkomst aan [eiser] toekomende wettelijke transitievergoeding. [gedaagde] dient dan tevens de hoogte van het in dat kader betaalde bedrag te bewijzen;

bepaalt dat [gedaagde] zich ter rolzitting van donderdag 10 januari 2019 bij akte dient uit te laten of, en zo ja op welke wijze, hij voornoemd bewijs wenst te leveren, waarbij de akte uiterlijk de dag vóór genoemde rolzitting om 12.00 uur door de rechtbank ontvangen moet zijn;

bepaalt dat indien [gedaagde] het bewijs wil leveren door schriftelijke bewijsstukken, hij deze dan dadelijk bij die akte in het geding moet brengen;

bepaalt dat indien [gedaagde] getuigen voor wil brengen, hij in die akte opgave moet doen van naam en woonplaats van de door hem voor te brengen getuigen en van de verhinderdata van beide partijen, met de bepaling dat [gedaagde] te zijner tijd zelf zorg moet dragen voor behoorlijke oproeping van de getuigen;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100, gebouw B (het rode gebouw) te Rotterdam ten overstaan

mr. C.H. Kemp-Randewijk;

houdt ieder verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

(741)