Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10787

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-12-2018
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
6701359 CV EXPL 18-8105
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huurrecht, exploitatie tankstation, verzoek om plaatsing textielwasmachine, belangenafweging ex art. 7:215 BW. vervangende machtiging verleend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2019/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6701359 / CV EXPL 18-8105

uitspraak: 28 december 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

[eiseres 1] ,

gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. D.J.A. van den Berg, advocaat te ’s-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

[gedaagde] ,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. A.G.A. van Rappard, advocaat te ‘s-Gravenhage.

Partijen worden hierna “ [eiseres 1] ” respectievelijk “ [gedaagde] ” genoemd.

B1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 23 februari 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 17 mei 2018 waarbij de kantonrechter een comparitie van partijen heeft gelast;

  • -

    de voorafgaand aan de comparitie zijdens beide partijen ingezonden producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 18 september 2018 gehouden comparitie van partijen.

1.2. De kantonrechter heeft de datum van de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten in conventie en in voorwaardelijke reconventie

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

Blijkens een schriftelijke exploitatieovereenkomst huurt [eiseres 1] sinds 1983 van [gedaagde] een brandstofverkooppunt (hierna: het tankstation) met omliggend terrein staande en gelegen te [plaats] .

2.2.

[gedaagde] is eigenaar van het perceel waarop het tankstation is gesitueerd.

Het gaat hier om een zogeheten “company-owned/dealer-operated” tankstation.

Het tankstation is eigendom van [gedaagde] , en de exploitatie wordt verzorgd door een exploitant (dealer), in dit geval [eiseres 1] .

2.3.

De exploitatieovereenkomst is met ingang van 1 januari 1995 verlengd voor de duur van 12 jaar en is thans van onbepaalde duur. Op deze overeenkomst zijn in 1997 en in 2011 twee schriftelijke allonges van toepassing.

2.4.

Op grond van de overeenkomst is [eiseres 1] gehouden om via het tankstation brandstoffen van [gedaagde] aan het publiek te verkopen. Op het betreffende terrein staan enkele benzinepompen en is (onder meer) een shop gevestigd, waar diverse producten aan bezoekers van het tankstation worden verkocht.

2.5.

In een e-mail van 24 september 2015 schrijft de heer [naam 1] (directeur van [eiseres 1] ) aan de heer [naam 2] (locatiemanager bij [gedaagde] ), onder meer het volgende:

“(…)

Wij willen graag op eigen kosten en risico een textielwasmachine (…) neerzetten.

Wil jij je akkoord hiervoor geven?

Aangezien we al een textielwasmachine hebben staan op de (…) Alexanderpolder.

Het is een enorm succes en wordt zeer gewaardeerd door de klanten. (…)

Wij hebben een plaats gevonden zonder dat het aanzicht van het station en de verkoop van brandstof zal belemmeren, zie bijlage.

(…)

De machine staat niet verankerd, het is een losse container die kant en klaar aankomt, er moet alleen een riolering en krachtstroom naar toe.

De machine kopen wij, de andere heb ik ook gekocht.

(…)”

2.6.

[gedaagde] laat in reactie hierop per e-mail aan [eiseres 1] weten geen toestemming te geven voor de plaatsing van de textielwasmachine op het tankstation. Daarbij wordt aangegeven dat later een toelichting hierop volgt.

2.7.

In een e-mail van 16 november 2015 geeft [gedaagde] de toelichting op dat besluit.

Die e-mail luidt, voor zover thans relevant, als volgt:

“(…)

[naam 3] [ [gedaagde] ] heeft haar toestemming niet verleend (…) en stelt zich daarbij op het standpunt dat het plaatsen van deze machines geen financieel voordeel biedt, en dat het aanbrengen van deze wasmachine niet binnen het uniformiteitsbeeld van de [gedaagde] Sites past.

(…)”

2.8.

[eiseres 1] heeft zich vervolgens tot haar gemachtigde gewend.

Bij brief van 24 november 2015 verzoekt de gemachtigde van [eiseres 1] dat [gedaagde] bevestigt dat voor het plaatsen van een textielwasmachine geen toestemming van [gedaagde] vereist is, omdat, zo luidt de formulering in die brief, het hier “gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten ongedaan kunnen worden gemaakt en verwijderd”.

Voor het geval [gedaagde] het voorgaande niet kan bevestigen verzoekt [eiseres 1] haar toestemming te verlenen voor het plaatsen van de textielwasmachine.

2.9.

Bij brief van 17 december 2015 reageert [gedaagde] op voornoemde brief. Zij schrijft daarin, voor zover thans relevant, dat zij geen toestemming zal verlenen voor het plaatsen van een textielwasmachine. Tevens houdt zij [eiseres 1] voor dat het plaatsen van de betreffende machine niet valt onder de “exploitatie van het brandstoffenverkooppunt”.

3 De stellingen van partijen

3.1.

[eiseres 1] heeft -samengevat weergegeven- gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (primair) voor recht te verklaren dat [eiseres 1] geen toestemming nodig heeft van [gedaagde] voor het plaatsen van de textielwasmachine, en (subsidiair) [eiseres 1] te machtigen de textielwasmachine te plaatsen op de wijze als door [eiseres 1] is aangegeven, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, nakosten daaronder begrepen.

3.2.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres 1] aan haar eis

-samengevat weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

[eiseres 1] doet een beroep op het bepaalde in artikel 7:215, eerste lid, BW, waarin is vastgelegd dat een huurder niet bevoegd is de inrichting of gedaante van het gehuurde te wijzigen zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder tenzij het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten ongedaan kunnen worden gemaakt.

[eiseres 1] meent dat die tenzij-situatie zich hier voordoet omdat de machine los op de grond zal staan en eenvoudig -zonder noemenswaardige kosten- kan worden verwijderd.

Zij heeft belang bij de door haar (primair) gevorderde verklaring van recht dat zij geen toestemming nodig heeft, omdat zij ervoor wil waken dat zij (toerekenbaar) tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.

3.2.2.

Voor het geval [eiseres 1] wel toestemming nodig heeft, heeft zij het subsidiaire standpunt betrokken dat in dat geval een vervangende machtiging dient te worden afgegeven, omdat de textielwasmachine bijdraagt aan een doelmatig gebruik van het tankstation, terwijl er aan de zijde van [gedaagde] geen zwaarwichtige bezwaren zijn die zich tegen de plaatsing verzetten. Zij baseert dat standpunt op artikel 7:215, derde lid BW. [eiseres 1] verwacht een omzetgroei te realiseren doordat er extra bezoekers naar het tankstation komen voor de textielwasmachine, die dan tevens brandstoffen zullen tanken.

3.3.

[gedaagde] heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen in conventie. Samengevat weergegeven betoogt zij het volgende.

Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:215 BW betoogt [gedaagde] dat [eiseres 1] wel degelijk toestemming nodig heeft om de wasmachine te plaatsen. De textielwasmachine kan niet zonder noemenswaardige kosten verwijderd worden. Er zullen allereerst voorzieningen moeten worden aangebracht, zoals het aanbrengen van leidingen en het weghalen van bestrating. Naar de schatting van [gedaagde] zullen de daarmee gepaard gaande verwijderingskosten neerkomen op een bedrag van € 1.500,-. Derhalve kan niet worden gesproken over een verandering c.q. toevoeging die eenvoudig en zonder veel kosten weer ongedaan kan worden gemaakt.

Er is zodoende voor de plaatsing van de wasmachine toestemming van [gedaagde] nodig.

Ten aanzien van de door [eiseres 1] verzochte vervangende machtiging betoogt [gedaagde] (onder verwijzing naar art. 7:215 vierde lid BW) dat de huurder - [eiseres 1] - moet aantonen dat de verandering noodzakelijk is voor een doelmatig gebruik van het gehuurde en dat er aan de zijde van verhuurder geen zwaarwichtige bezwaren bestaan die zich daartegen verzetten.

De plaatsing van de machine zorgt niet voor een duidelijk economisch voordeel voor [eiseres 1] . Ook als wordt aangenomen dat alle “extra gasten” die afkomen op de wasmachine eveneens gaan tanken, dan nog zal dat economisch voordeel gering zijn. Dat geldt ook als die extra gasten aankopen in de shop gaan doen. Dit voordeel weegt niet op tegen de extra kosten die de machine met zich brengt. Een duidelijk economisch nut ontbreekt.

Verder betoogt [gedaagde] dat de plaatsing van een textielwasmachine te ver verwijderd staat van de specifieke bestemming van het gehuurde, in dit geval een tankstation dat dient als verkooppunt voor brandstoffen en daaraan gelieerde producten.

Op het punt van de zwaarwichtige bezwaren aan de zijde van [gedaagde] is verder het volgende aangevoerd. Uniformiteit speelt binnen [gedaagde] een grote rol. [gedaagde] heeft jarenlang gewerkt aan een sterk merk. Een consistente merkuitstraling is een prioriteit voor [gedaagde] .

De plaatsing van een textielwasmachine doet afbreuk aan die consistentie, en daarmee ook aan de waarde van het merk [gedaagde] .

Daar komt bij dat voor de exploitatie en inrichting van een tankstation allerlei extra wettelijke veiligheidsvoorschriften gelden, in aanvulling waarop [gedaagde] haar eigen veiligheidsstandaarden hanteert. Dit vloeit voort uit de veiligheidsrisico’s die zijn gemoeid met de verkoop van brandstoffen.

Gelet op deze risicovolle exploitatie is voor elk verkooppunt een Traffic Risk Assessment (hierna: “TRA”) opgesteld, ook voor het tankstation van [eiseres 1] . Dat behelst een soort risicoanalyse. Het tankstation van [eiseres 1] valt in de categorie “medium-risico”.

Daarnaast heeft [gedaagde] voor alle tot haar eigendom behorende tankstations een Global Design Standard (hierna: “GDS”). Daarin staat beschreven hoe een opstal eruit moet zien, aan welke minimale eisen het moet voldoen en hoe de opstal veilig geplaatst kan worden. Een voorbeeld waarvoor een GDS moet worden opgesteld betreft de plaatsing van elektrische laadpalen op een tankstation.

Indien nieuwe faciliteiten op een verkooppunt worden geplaatst is een GDS én een nieuwe TRA vereist. Het plaatsen van extra faciliteiten zal ook de nodige nieuwe of andere verkeersstromen op gang brengen. Die risico’s zullen dan in kaart gebracht moeten worden. Dat geldt ook voor de plaatsing van een textielwasmachine. Dat leidt immers zonder meer tot hogere risico’s (meer activiteiten betekent meer risico’s).

Deze veiligheidsrisico’s vormen voor [gedaagde] een zwaarwichtig belang tegen de plaatsing van de textielwasmachine op grond waarvan zij de toestemming mocht onthouden.

3.4.

Ingeval de kantonrechter de subsidiaire vordering van [eiseres 1] toewijst, verzoekt [gedaagde] -bij wijze van voorwaardelijke reconventie- om aan de verlening van de vervangende machtiging enkele voorwaarden te stellen. Die voorwaarden zijn de volgende:

  1. [eiseres 1] neemt geen aanvang met enige bouwwerkzaamheden alvorens zij voor eigen rekening en risico een onherroepelijke omgevingsvergunning heeft verkregen en er een veranderingsmelding conform het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan;

  2. [eiseres 1] neemt geen aanvang met de plaatsing alvorens er voor rekening en risico van [eiseres 1] een GDS is opgesteld en een vernieuwde TRA is gedaan en de daaruit volgende veiligheidsvoorzieningen voor eigen rekening en risico door [eiseres 1] zijn aangebracht;

  3. [eiseres 1] is verplicht de textielwasmachine en toebehoren en de leidingen die zijn aangelegd ten behoeve van de textielwasmachine bij het einde van de huur te verwijderen en het gehuurde in oorspronkelijke staat aan [gedaagde] op te leveren;

  4. Bij de plaatsing van de textielwasmachine en de uit de plaatsing daarvan voortvloeiende werkzaamheden, dient [eiseres 1] gebruik te maken van een door [gedaagde] aangewezen contractor, gezien de veiligheidsrisico’s die zijn verbonden aan de plaatsing van een opstal op een tankstation.

3.5.

Tot slot verzoekt [gedaagde] , zowel in conventie als in voorwaardelijke reconventie, [eiseres 1] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten.

3.6.

Op hetgeen door partijen verder nog is aangevoerd zal hierna bij de beoordeling, voor zover althans relevant, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1

Tussen partijen is in geschil, kort gezegd, (i) of [eiseres 1] voorafgaande toestemming nodig heeft van [gedaagde] voor het plaatsen van de textielwasmachine en indien daaraan wordt toegekomen (ii) of [gedaagde] op grond van de door haar gestelde belangen de toestemming mocht onthouden.

Wettelijk kader, artikel 7:215 BW

4.2

[eiseres 1] heeft haar primaire vordering, de verklaring van recht dat zij geen toestemming nodig heeft voor het plaatsen van de textielmachine, gebaseerd op art. 7:215 BW.

Artikel 7:215 eerste lid BW luidt als volgt:

“De huurder is niet bevoegd de inrichting of gedaante van het gehuurde geheel of gedeeltelijk te veranderen dan na schriftelijke toestemming van de verhuurder, tenzij het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan gemaakt en verwijderd”.

Met de zinsnede ‘zonder noemenswaardige kosten’ heeft de wetgever bedoeld dat een eventuele verwijdering van de veranderingen of toevoegingen zo eenvoudig dient te zijn, dat het geen kosten meebrengt of zo geringe kosten dat deze voor de verhuurder geen redelijk argument opleveren om tegen het aanbrengen van die verandering of toevoeging bezwaar te maken (Kamerstukken II 1997/98, 26 089, nr. 3, p. 24 onder 2).

Als voorbeeld wordt door de wetgever genoemd het aanbrengen van wandspiegels met schroeven waarvan na verwijdering de gaten moeten worden dichtgestopt. Andere voorbeelden zijn het plaatsen van buitenverlichting, badkamerkastjes, zonneschermen etc. waarvoor eveneens na verwijdering de gaten relatief eenvoudig hersteld moeten worden.

Met andere woorden, het gaat volgens de wetgever om voor de verhuurder betrekkelijk geringe, tot nagenoeg verwaarloosbare kosten, verbonden aan -kleine- veranderingen die zijn aangebracht door huurder (vgl. Hof Den Bosch ECLI:NL:GHSHE:2017:21, verwijdering reclamedoek aan de gevel, kan niet gesproken worden van herstel/verwijdering “zonder noemenswaardige kosten”).

Op grond van hetgeen de kantonrechter tijdens de comparitie van partijen heeft besproken is hij tot het oordeel gekomen dat de kosten voor het verwijderen van de betreffende textielwasmachine niet te verwaarlozen zijn, zodat deze kosten niet de hiervoor genoemde toets “zonder noemenswaardige kosten” kan doorstaan. Daartoe is het navolgende redengevend. Het gaat hier om een industriële textielwasmachine met naar schatting een gewicht van 300 tot 400 kilo. Feitelijk betreft het een container met daarin 2 wasmachines en 1 droger van het merk, Prontophot, type Revolution (waarvan door [eiseres 1] de brochure bij de stukken gevoegd, waaruit de afmetingen H/B/D: 2.30m/4m/3.36m zijn te herleiden).

De container zal met een kraan worden afgeleverd door de leverancier. Hoewel de machine op nokken staat (en niet aan/in de grond zal worden verankerd) zullen er ten behoeve van de plaatsing daarvan wel werkzaamheden moeten worden verricht.

De machine zal worden aangesloten op krachtstroom, de riolering en de waterleiding.

Er staat een put op het perceel van het tankstation. De afvoerslang van de wasmachine zal op de riolering (feitelijk in de put die op het perceel staat) moeten worden aangesloten, hetgeen betekent dat de aanwezige bestrating dient te worden weggehaald, om daarna weer te worden teruggeplaatst. Graafwerkzaamheden zijn -zonder meer- onvermijdelijk.

Een vergunning (voor zover dat nodig mocht blijken) heeft [eiseres 1] inmiddels al bij de gemeente aangevraagd, zo verklaarde zij ter zitting.

4.3

Dit betekent dat volgens de hoofdregel [eiseres 1] toestemming nodig heeft van [gedaagde] .

Nu [gedaagde] (om haar moverende redenen) die toestemming heeft geweigerd, is de regel van art. 7:215, lid 4 tweede volzin, BW in deze zaak de maatstaf. Deze regel noopt tot een belangenafweging in die zin dat vervangende machtiging (door de kantonrechter) slechts wordt gegeven, indien de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van het gehuurde door de huurder en geen zwaarwichtige bezwaren aan de zijde van de verhuurder zich tegen het aanbrengen daarvan verzetten.

Voor het belang van de huurder worden op één lijn gezet veranderingen die noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik en veranderingen die het genot verhogen. Hieruit wordt afgeleid dat de noodzaak van doelmatig gebruik niet zeer dwingend is. Met het woord “noodzakelijk” is veeleer tot uitdrukking gebracht dat de verandering van bedrijfsruimte objectief beschouwd een economisch nut dient te hebben.

Belangenafweging

4.4

Ter zitting hebben partijen (in aanvulling op hun standpunten in de processtukken) ieder hun eigen argumenten toegelicht waar het gaat om de af te wegen belangen.

De kantonrechter is van oordeel dat alle omstandigheden in aanmerking genomen de belangenafweging, die in hoge mate van feitelijke aard is, in dit geval in het voordeel van [eiseres 1] uitpakt.

[eiseres 1] kampt de laatste jaren met een teruglopende omzet. De volumes van het tankstation zijn in de afgelopen jaren van 11 mio liter brandstof teruggegaan naar 5 mio liter brandstof. Op deze brandstof zit een lage marge, 1,5 cent. De drukte op de stations is gereduceerd met 50%. De oorzaak daarvan is gelegen in veranderend tankgedrag van bezoekers, de concurrentie van andere stations die een lagere literprijs in rekening kunnen brengen en de steeds zuiniger rijdende auto’s en vervoermiddelen. De wasmachine zal naar schatting per dag 11 klanten extra trekken (350 extra klanten per maand).

De aanschafprijs van de textielwasmachine is € 36.000,-. De afschrijvingstermijn is 5 jaar.

Een gemiddelde wasbeurt kost € 8,50. Uitgaande van 700 wassingen per maand, houdt [eiseres 1] na aftrek van alle kosten een bedrag van ca. € 25.000,- (ex BTW). Dit nog daargelaten dat niet uit te sluiten is dat de gebruiker van de wasmachine ook andere uitgaven zal doen op het station. Voor een ondernemer als [eiseres 1] is dat een substantieel bedrag.
Exploitanten van tankstations zijn door de gewijzigde marktomstandigheden genoodzaakt om aanvullende en/of vervangende bronnen van inkomsten te zoeken en vinden in aanvullende diensten, zoals verhuur van aanhangwagens en/of auto’s/kleine vrachtwagens, wasstraat-exploitatie en niet op de laatste plaats inkomsten uit de shop.

[eiseres 1] exploiteert een tweede tankstation, waar zij reeds een soortgelijke wasmachine heeft staan. Naar eigen zeggen is dat een groot succes. Er is veel vraag naar vanuit de wijk.

Er is al een voetpad/looppad aangelegd en er zullen geen parkeerplaatsen verdwijnen na plaatsing van de wasmachine.

De wasmachine komt op een afstand van 13 meter van de pompen te staan.

[eiseres 1] heeft hiermee voldoende aangetoond dat zij met de plaatsing van de textielwasmachine een duidelijk economisch nut nastreeft. De belangen van [gedaagde] die daartegenover staan, te weten (i) uniformiteit en (ii) veiligheid, zijn belangen die niet zodanig zwaarwegend zijn dat het belang van [eiseres 1] , ondernemer/exploitant, daarvoor moet wijken. Daarbij is relevant dat hoewel [gedaagde] terecht heeft aangevoerd dat zij een groot merk is dat veel waarde hecht aan een uniforme uitstraling (én een uniform beleid) van alle tankstations, niet aannemelijk is geworden dat door de enkele plaatsing van een textielwasmachine afbreuk zal worden gedaan aan een sterk, gevestigd merk als dat van [gedaagde] . Anders gezegd, het merk [gedaagde] als zodanig wordt niet aangetast door de plaatsing van een enkele textielwasmachine op het tankstation. Waar het gaat om het uniforme beleid dat [gedaagde] hanteert en nastreeft wordt overwogen dat weliswaar juist is dat de plaatsing van een textielwasmachine een branchevreemde activiteit is op een tankstation (dat primair dient als verkooppunt voor brandstoffen en daaraan gelieerde producten), maar dat het onmiskenbaar is dat ook branchevreemde producten zoals complete koffieshops (bijv. Starbucks) ook direct aanpalend aan tankstations zijn gesitueerd en voorts onweersproken vast staat dat in ieder geval op 19 tankstations van [gedaagde] inmiddels een textielwasmachine staat.

Het gaat hier dus niet om een voor de branche geheel nieuwe activiteit/uitbreiding. Dat het hier volgens [gedaagde] gaat om andersoortige tankstations omdat zij over die tankstations geen zeggenschap heeft en de dealer daarover beslist (de categorie van zogeheten

“dealer-owned/dealer-operated”-stations) maakt de voorgaande conclusie niet anders, omdat het hier immers nog wel dezelfde branche (tankstations) betreft, waar die uitbreiding van activiteiten plaatsvindt. Daar komt nog bij dat [gedaagde] in haar processtukken ook melding maakt van andere branchevreemde activiteiten, waarvoor zij kennelijk wél toestemming heeft gegeven, zoals het plaatsen van laadpalen en wasstraten.

[gedaagde] heeft in haar betoog voornamelijk gewezen op de veiligheid en de risico’s die inherent zijn aan de uitbreiding van activiteiten op/rondom een tankstation.

Volgens [gedaagde] worden hoge eisen gesteld aan de inrichting van een tankstation om zo ongelukken en andere gevaren zoveel als mogelijk te voorkomen.

Op zichzelf genomen is dat belang van [gedaagde] een zwaarwichtig belang. Zij is een grote multinational en speler op het terrein van brandstoffenverkoop. Daarmee heeft zij ook een voorbeeldrol waar het gaat om veiligheid van de miljoenen consumenten die dagelijks haar tankstations bezoeken.

Evenwel dat belang, de veiligheid, is veeleer gelegen in de voorwaarden die aan de te verlenen machtiging gesteld kunnen worden. Het is geen belang dat op voorhand en gelet op de belangen van [eiseres 1] aan de machtiging in de weg kan staan.

[gedaagde] heeft in dat verband zelf ter zitting aangegeven dat een dealer de vrijheid heeft om zijn tankstation naar eigen inzicht in te richten, mits de extra activiteiten/veranderingen voldoen aan de eisen van de TRA en de GDS. Zij verwijst daarbij naar de GDS voor laadpalen, wasstraten en andere branchevreemde activiteiten waarvan reeds vaststaat dat die zijn doorgevoerd op tankstations, ook de tankstations die in eigendom toebehoren aan [gedaagde] en waarover zij dus wél zeggenschap heeft.

4.5

Nu [gedaagde] verder geen andere belangen heeft aangevoerd die meegewogen moeten worden, is de slotsom dat aan [eiseres 1] de door haar verzochte vervangende machtiging zal worden gegeven, een en ander als hierna in het dictum is weergegeven.

in voorwaardelijke reconventie

4.6

De voorgaande conclusie in conventie leidt ertoe dat eveneens een oordeel moet worden gegeven over het door [eiseres 2] - bij wijze van voorwaardelijke reconventie - ingenomen standpunt dat er aanleiding is om enkele voorwaarden aan die machtiging te verbinden.

4.7

Het volgende wordt vooropgesteld. De kantonrechter is op grond van artikel 7:215 lid 5 BW bevoegd om aan de machtiging voorwaarden te verbinden of daarbij een last op te leggen. De rechter kan dat niet ambtshalve doen, maar alleen als een van partijen daarom verzoekt of ingeval de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven.

Daarvan is in dit geval sprake nu [eiseres 2] een vordering in reconventie heeft ingediend, waarbij zij een viertal voorwaarden heeft geformuleerd (weergegeven onder het geschil) en waarvan zijn meent dat die aan de te verlenen machtiging verbonden moeten worden.

4.8

Ter gelegenheid van de comparitie hebben partijen ieder het eigen standpunt hieromtrent nader toegelicht. Dat debat heeft ertoe geleid dat beide partijen het erover eens zijn dat [eiseres 2] belang heeft bij de door haar geformuleerde voorwaarden.

De kantonrechter deelt het standpunt van [eiseres 2] waar het gaat om haar belang bij de vier voorwaarden en ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken, behoudens het navolgende. In het bijzonder wordt daarbij acht geslagen op hetgeen hiervoor al is aangehaald, te weten dat [eiseres 2] voor alle nieuwe, branchevreemde activiteiten die worden toegevoegd op de tankstations een TRA en GDS verlangt. [eiseres 2] zal daarvoor dienen zorg te dragen en de kosten daarvan, voor zover deze redelijk zijn en directe relatie staan tot de plaatsing van de wasmachine en veranderend gedrag van bezoekers van het tankstation, zullen door [verweerster] dienen te worden gedragen. Wel zal [eiseres 2] de TRA en GDS binnen een termijn van maximaal een jaar dienen op te stellen bij gebreke waarvan het [verweerster] vrijstaat ook zonder die TRA en GDS de machine te plaatsen.

Datzelfde geldt voor alle (omgevings)vergunningen en de aanvraag daarvan die mogelijk verbonden zijn aan de bouwwerkzaamheden gepaard gaande met de plaatsing van de textielwasmachine.

4.9

Dat betekent dat de vordering in voorwaardelijke reconventie voor toewijzing gereed ligt, een en ander als hierna in het dictum is weergegeven.

Proceskosten

4.10

in de uitkomst van de procedure, zowel in conventie als in reconventie, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie en in voorwaardelijke reconventie:

verleent [verweerster] onder de voorwaarden als bepaald in reconventie machtiging tot het plaatsen van de textielwasmachine -merk Prontophot type Revolution-, op het tankstation gelegen aan de [adres] te [plaats] op de door haar aangegeven locatie direct naast de shop;

bepaalt dat aan die machtiging de volgende voorwaarden worden verbonden:

  1. [verweerster] neemt geen aanvang met enige bouwwerkzaamheden alvorens zij voor eigen rekening en risico een onherroepelijke omgevingsvergunning heeft verkregen en er een veranderingsmelding conform het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan, dan wel onherroepelijk vaststaat dat zij die niet nodig heeft;

  2. [verweerster] neemt geen aanvang met de plaatsing alvorens er voor rekening van [verweerster] door [eiseres 2] binnen een jaar na de uitspraak van vonnis een GDS is opgesteld en een vernieuwde TRA is gedaan en de daaruit volgende veiligheidsvoorzieningen voor eigen rekening en risico door [verweerster] zijn aangebracht;

  3. [verweerster] is verplicht de textielwasmachine en toebehoren en de leidingen die zijn aangelegd ten behoeve van de textielwasmachine bij het einde van de huur te verwijderen en het gehuurde in oorspronkelijke staat aan [eiseres 2] op te leveren;

  4. Bij de plaatsing van de textielwasmachine en de uit de plaatsing daarvan voortvloeiende werkzaamheden, dient [verweerster] gebruik te maken van een door [eiseres 2] aangewezen contractor, gezien de veiligheidsrisico’s die zijn verbonden aan de plaatsing van een opstal op een tankstation.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van der Wildt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

(741)