Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10769

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
28-12-2018
Zaaknummer
10/157991-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag.

Handelingen van de verdachte, naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien en gelet op de aard en ernst van letsel, geschikt om en gericht op het toebrengen van dodelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/157991-18

Datum uitspraak: 30 november 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] , [geboorteland verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Ter Apel,

raadsman mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 november 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde (poging doodslag);

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde (zware mishandeling);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De eerste reden hiervoor is een gebrek aan wettig bewijs. Er is behalve de verklaring van de aangeefster [naam slachtoffer] geen ander bewijs in het dossier waaruit kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die de bij haar geconstateerde verwondingen heeft toegebracht. Als de rechtbank daarover anders oordeelt dan heeft te gelden dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte het opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van dodelijk letsel aan aangeefster, noch op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.1.2.

Beoordeling

Is het letsel van [naam slachtoffer] toegebracht door de verdachte?

De rechtbank stelt voorop dat zij bij de bewijswaardering zal uitgaan van de aangifte van [naam slachtoffer] van 25 oktober 2016, die zij als getuige op zitting heeft aangevuld en verduidelijkt. Dat zij bij het doen van de aangifte geen bijstand heeft gehad van een tolk, vormt voor de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van haar verklaring, temeer omdat zij op de zitting op hoofdlijnen hetzelfde en gedetailleerd heeft verklaard. Uit die verklaringen volgt dat [naam slachtoffer] op de avond van 5 oktober 2016 alleen thuis was toen de verdachte bij haar aanbelde en dat zij hem heeft verzocht weg te gaan toen zij merkte dat hij dronken was. Wat zich vervolgens in de woning heeft afgespeeld is niet geheel duidelijk. Vaststaat wel dat [naam slachtoffer] botbreuken heeft opgelopen in onder meer haar kaak, jukbeen en verhemelte, dat de verdachte alcohol en drugs had gebruikt en dat de door de politie in de woning aangetroffen bebloede sportschoenen van de verdachte zijn. [naam slachtoffer] heeft direct na het geweldsincident tegenover de politie verklaard dat het de verdachte is geweest die haar met een vuist in het gezicht heeft geslagen. Dat het geweld zou zijn gepleegd door andere personen die ook in de woning aanwezig zouden zijn geweest, zoals verklaard door de verdachte, is niet aannemelijk geworden. Door niemand is iets gezien of gehoord dat zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van meerdere personen, terwijl dat gelet op het door de verdachte beschreven feestje wel in de lijn der verwachting had gelegen. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank verder dat de verklaring ontoetsbaar is en dat de verdachte eerder andersluidende verklaringen heeft afgelegd die erop neer komen dat hij helemaal niet aanwezig was bij het geweldsincident tegen [naam slachtoffer] .

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het de verdachte is geweest die [naam slachtoffer] het letsel heeft toegebracht.

Is er opzet op het toebrengen van dodelijk letsel geweest bij de verdachte?

[naam slachtoffer] is met een bebloed en gezwollen gelaat in de woning aangetroffen. Zij kon haar ogen bijna niet openen en het praten ging moeizaam. Uit de letselbeschrijving blijkt dat het geweld van de verdachte bij [naam slachtoffer] , naast de al genoemde breuken in haar gezicht, een schedelbasisfractuur heeft veroorzaakt, dat zij in eerste instantie is opgenomen op de intensive care wegens bedreiging van de ademhaling en dat zij naderhand operatief behandeld is bij de kaakchirurg. De rechtbank leidt hieruit af dat [naam slachtoffer] meermalen met zeer grote kracht tegen haar hoofd en in haar gezicht is geslagen en dat zij daardoor ten minste eenmaal enige tijd buiten bewustzijn is geraakt.

Uit het voorgaande volgt dat de handelingen van de verdachte, naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien en gelet op de aard en ernst van het bij [naam slachtoffer] veroorzaakte letsel, geschikt waren om en gericht waren op het toebrengen van dodelijk letsel en dat dus het opzettelijk handelen daarop vaststaat. Deze vaststelling wordt ook bevestigd door de uitlating van de verdachte op de zitting dat hij dacht dat [naam slachtoffer] het leven zou laten. Het is niet aan de verdachte te danken dat [naam slachtoffer] niet langer buiten bewustzijn is gebleven en in staat is geweest tijdig hulp in te roepen en dat daardoor tijdig de politie en een ambulance konden worden gewaarschuwd.

De rechtbank heeft in het dossier geen bewijs aangetroffen dat de verdachte [naam slachtoffer] ook tegen het hoofd heeft geschopt. Hij zal daarvan worden vrijgesproken.

4.1.3.

Conclusie

Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte geprobeerd heeft [naam slachtoffer] van het leven te beroven.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 5 oktober 2016 of 06 oktober 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen tegen haar hoofd en in haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Beoordeling

7.1.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.1.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft met kracht met zijn vuisten meermalen op het hoofd en in het gezicht van [naam slachtoffer] geslagen en is daarmee ook doorgegaan toen zij het bewustzijn reeds had verloren. Als gevolg van het letsel dat [naam slachtoffer] heeft opgelopen moest zij in het ziekenhuis worden opgenomen en was verder medisch ingrijpen noodzakelijk. De verdachte heeft daarmee op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [naam slachtoffer] . Dit is ernstig, temeer omdat [naam slachtoffer] de verdachte in haar woning had opgevangen toen hij dakloos was, voor hem kookte en zijn was deed. Verder blijkt uit de verklaringen van zowel [naam slachtoffer] als de verdachte dat zij een soort broer-zus relatie hadden. Hij heeft de woning direct na het incident verlaten, zonder zich verder om het lot van [naam slachtoffer] te bekommeren. Het handelen van verdachte heeft het vertrouwen van [naam slachtoffer] in anderen ernstig geschaad, zo bleek ook op indringende wijze uit haar verklaring als getuige ter zitting.

7.2.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de aard en de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. Deze straf is gelijk aan de door de officier van justitie geƫiste straf.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.


Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en M.W.J. van Elsdingen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 november 2018.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 oktober 2016 en/of 06 oktober 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, (meermalen) tegen haar hoofd en/of in haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of (met geschoeide voet) geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 oktober 2016 en/of 06 oktober 2016 te Rotterdam aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en/of meerdere breuken in oogkas en/of neus en/of boven- en onderkaak en/of jukbeen en/of kaakholte en/of monddak/bovenkaak, heeft toegebracht door (meermalen) tegen haar hoofd en/of in haar gezicht te slaan en/of stompen en/of (met geschoeide voet) schoppen en/of trappen.