Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10741

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
27-12-2018
Zaaknummer
C/10/546797 / HA ZA 18-291
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldleningsovereenkomst. Vorderingen tegen zowel vennootschap als enig aandeelhouder tevens enig bestuurder daarvan. Tegen vennootschap is verstek verleend en is oorspronkelijke vordering toegewezen. Ten aanzien van bestuurder wijst rechtbank de vordering af. ‘Kribbebijter’-maatstaf (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877). De geldleningsovereenkomst kan niet los worden gezien van de aandelenoverdracht. Uit de verklaringen van partijen volgt dat tussen hen niet, in ieder geval niet expliciet, is besproken of de bestuurder in privé partij zou zijn of namens de vennootschap. In aanmaningsbrieven wordt tot vlak voor de dagvaarding steeds aanspraak gemaakt op betaling van het door de vennootschap verschuldigde bedrag. Uit dit alles hebben partijen mogen afleiden dat de bestuurder in het kader van de geldlening, net als in het kader van de aandelenoverdracht, uitsluitend als (indirect) bestuurder van de vennootschap optrad. De bestuurder is bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst niet in eigen naam opgetreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2019-0015
NJF 2019/83
JONDR 2019/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/546797 / HA ZA 18-291

Vonnis van 28 november 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres] ,

gevestigd te Drunen,

eiseres,

advocaat mr. N.R. Coffi te Driebergen-Rijsenburg,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde 1] ,

gevestigd te Oud-Beijerland,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [naam gedaagde 2],

wonende te Oud-Beijerland,

gedaagde,

advocaat mr. L.R.T. Peeters te Dordrecht.

Eiseres zal hierna [naam eiseres] worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal [naam gedaagde 1] worden genoemd en gedaagde sub 2 [naam gedaagde 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 februari 2018, waarbij de kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard en de zaak naar de handelskamer heeft verwezen,

  • -

    de brief van de rechtbank van 9 mei 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,

  • -

    de zittingsagenda van 14 augustus 2018,

  • -

    de akte van 13 september 2018 van [naam gedaagde 2] binnengekomen op 24 augustus 2018,

  • -

    de akte houdende vermeerdering van eis van [naam eiseres] binnengekomen op 29 augustus 2018,

  • -

    het proces-verbaal van de op 13 september 2018 gehouden comparitie van partijen,

  • -

    de e-mail van 7 oktober 2018 van [naam eiseres] met een reactie op het proces-verbaal,

  • -

    de e-mail van 11 oktober 2018, 15:59 uur van [naam gedaagde 2] met bezwaar tegen de reactie van [naam eiseres] en de mededeling dat partijen niet tot een regeling zijn gekomen,

  • -

    de e-mail van 11 oktober 2018, 17:31 uur met bijlagen van [naam eiseres] met de bevestiging dat geen schikking tot stand is gekomen en een herhaling van een eerdere opmerking op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam eiseres] is een holding die via [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] wordt bestuurd door de heer [naam 1] en de heer [naam 2] . [naam eiseres] was enig aandeelhouder en enig bestuurder van [naam bedrijf 3] exploiteerde een decoratie- etaleer- en printbedrijf.

2.2.

[naam eiseres] heeft [naam bedrijf 3] te koop gezet. [naam gedaagde 2] heeft zich als geïnteresseerde gemeld, maar er vonden al gesprekken plaats met een andere potentiële koper. [naam eiseres] heeft een bedrijf ingehuurd dat haar begeleidde bij de verkoop. Toen dit te kostbaar bleek, heeft [naam eiseres] bijstand gevraagd aan haar eigen accountant, de heer [naam 3] . Op het moment dat bleek dat de andere geïnteresseerde koper het financieel niet rond kreeg, heeft [naam eiseres] in maart 2013 contact opgenomen met [naam gedaagde 2] . [naam 1] en [naam 2] enerzijds en [naam gedaagde 2] anderzijds zijn met elkaar in gesprek geraakt over de overname van [naam bedrijf 3] . [naam 1] en [naam 2] lieten zich daarbij bijstaan door [naam 3] . [naam gedaagde 2] liet zich bijstaan door zijn schoonvader, de heer [naam 4] , die registeraccountant en financieel adviseur is.

2.3.

Er zijn drie à vier gesprekken gevoerd. Gedurende de onderhandelingen heeft [naam gedaagde 2] twee vennootschappen opgericht, te weten [naam gedaagde 1] en [naam bedrijf 4] . [naam gedaagde 2] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [naam bedrijf 4] , die op haar beurt weer enig aandeelhouder en enig bestuurder is van [naam gedaagde 1] . [naam eiseres] is gedurende de onderhandelingen steeds vertegenwoordigd door [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] , die op hun beurt zijn vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2]

Intentieovereenkomst

2.4.

Op 18 augustus 2013 heeft [naam 2] een e-mail aan [naam gedaagde 2] gestuurd, waarin is vermeld:

Wij hebben dit weekend even de LOI erbij gezocht waar we de vorige keer mee gewerkt hebben. Ik heb de bedragen en termijnen etc., blanco gemaakt. Het is zonde om extra kosten te maken als wij het zo hebben liggen. Ik denk dat je hier prima mee verder kunt. Volgens mij is het handig dat je de benodigde informatie invult.

Ik zal daarna onze boekhouder vragen de definitieve LOI op te maken voor ondertekening. We maken dan een afspraak in voor de ondertekening en plannen meteen het DD-onderzoek.”

2.5.

Als bijlage bij deze e-mail is een concept intentieovereenkomst gevoegd, waarin een aantal gegevens, zoals namen, data en bedragen is opengelaten.

2.6.

Op of omstreeks 26 september 2013 is een intentieovereenkomst ondertekend. Deze ondertekende intentieovereenkomst is gelijk aan de bij de e-mail van 18 augustus 2013 gevoegde concept intentieovereenkomst, zij het dat deze is ingevuld, aangevuld en op onderdelen gewijzigd. Op een aantal plaatsen is dit zichtbaar gemaakt door een streep in de kantlijn.

2.7.

In de intentieovereenkomst is als koper vermeld:

De heer [naam gedaagde 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] , te dezer zake handelende voor zich in privé, dan wel namens een nog door hem op te richten besloten vennootschap

2.8.

In (artikel 1 en 2 van) de intentieovereenkomst heeft [naam eiseres] zich bereid verklaard de aandelen in [naam bedrijf 3] te verkopen aan koper.

2.9.

In de intentieovereenkomst is bepaald (in artikel 2.1) dat de koopprijs voor de aandelen – voor zover van belang – bestaat uit twee componenten:

(a) Up-front betaling op het moment van overname € 150.000,-

(b) Vendorloan af te lossen in vijf jaar, rente vier % € 130.000,-

2.10.

De intentieovereenkomst is “namens koper” ondertekend door [naam gedaagde 2] . Handgeschreven is daartussen vermeld: “[naam gedaagde 1]”.

Vendorloanovereenkomst

2.11.

Op 2 oktober 2013 is er een vendorloanovereenkomst ondertekend. Als debiteur is vermeld:

de heer [naam gedaagde 2] , te dezer zake handelende voor zich in privé, danwel handelend als bestuurder van [naam bedrijf 4] (…), welke rechtspersoon weer optreedt als bestuurder van (…) [naam gedaagde 1] . (…)

2.12.

In de vendorloanovereenkomst is verder – voor zover van belang – opgenomen:

in aanmerking nemende dat:

- De vendor aan debiteur ten gevolge van de verkoop van alle aandelen van [naam bedrijf 3] een bedrag van € 130.000,00 (…) leent;

- De debiteur en vendor de als gevolg daarvan ontstane rechtsgevolgen schriftelijk wensen vast te leggen;

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

1. De vendor leent per leveringsdatum van de aandelen van [naam bedrijf 3] aan de debiteur een bedrag van in totaal € 130.000,00 (…).

2.13.

De vendorloanovereenkomst is namens de debiteur ondertekend door [naam gedaagde 2] . Onder zijn handtekening is met getypte letters vermeld:

Dhr. [naam gedaagde 2]

Namens [naam gedaagde 1]

Namens [naam bedrijf 4]

In privé

Side letter vendorloan

2.14.

Op dezelfde datum als de vendorloanovereenkomst (2 oktober 2013) is door [naam 1] en [naam 2] ook een side letter vendorloanovereenkomst ondertekend. Als debiteur is vermeld:

de heer [naam gedaagde 2] , te deze handelend zowel als privé persoon, als in de hoedanigheid van bestuurder van [naam bedrijf 4] (…), welke rechtspersoon weer optreedt als bestuurder van (…) [naam gedaagde 1] (…)

2.15.

In de side letter is – voor zover van belang – opgenomen:

in aanmerking nemende dat:

- de vendor aan debiteur ten gevolge van de verkoop van alle aandelen van [naam bedrijf 3] een bedrag van € 130.000,00 (…) leent;

- de debiteur en vendor de als gevolg daarvan ontstane rechtsgevolgen schriftelijk hebben vastgelegd in een vendorloanovereenkomst d.d. 2 oktober 2013

2.16.

De side letter niet namens de debiteur ondertekend. Met getypte letters is bij de debiteur vermeld:

Dhr. [naam gedaagde 2]

Namens [naam gedaagde 1]

Akte van levering

2.17.

Op 21 november 2013 is in het bijzijn van [naam 1] , [naam 2] en [naam gedaagde 2] bij de notaris de akte van levering gepasseerd. In de leveringsakte is – voor zover van belang – opgenomen:

Koop en levering

Artikel 1

Verkoper heeft verkocht en levert bij deze akte aan koper, die heeft gekocht en bij deze akte van verkoper aanvaardt (…) 1.800 aandelen (…) De koopovereenkomst is niet schriftelijk vastgelegd. Een intentieovereenkomst is wel schriftelijk vastgelegd. (…) Daarin opgenomen bepalingen die nog werking kunnen hebben, blijven van kracht.

Koopprijs

Artikel 2

De koop is geschied voor de prijs van (…) EUR 280.000,00. Een bedrag van (…) EUR 150.000,00 is door koper aan de notaris voldaan. Koper en verkoper zijn overeengekomen dat verkoper afstand doet van haar vordering tot betaling van het restant van de koopprijs ter grootte van (…) EUR 130.000,00 door koper, onder de verplichting voor koper een bedrag ter grootte van (…) EUR 130.000,00 bij wijze van geldlening schuldig te erkennen aan verkoper.

Ter uitvoering van voormelde overeenkomst doet verkoper hierbij afstand van haar vordering tot betaling van de koopprijs, welke afstanddoening hierbij door koper wordt aanvaard, waartegenover koper bij deze aan verkoper schuldig erkent, ten titel van geldlening, welke schuldigerkenning verkoper bij deze aanvaardt, een bedrag ter grootte van (…) EUR 130.000,00. Voor de betaling van de koopprijs wordt door verkoper aan koper bij deze kwijting verleend. Van de bepalingen en voorwaarden waaronder de geldlening is aangegaan, blijkt uit een kopie van de aan de akte te hechten vendorloan overeenkomst.

2.18.

Als koper is in de leveringsakte vermeld:

de heer [naam gedaagde 2] (…) te dezen handelend als directeur van [naam bedrijf 4] (…) die te deze wordt vertegenwoordigd als directeur van [naam gedaagde 1] (…)

Verdere feiten

2.19.

Bij vonnis van 6 september 2016 is het faillissement van [naam bedrijf 3] uitgesproken.

2.20.

Op 31 januari 2017 heeft [naam eiseres] een brief naar [naam gedaagde 2] gestuurd. Hierin is – voor zover van belang – vermeld:

Zoals u weet is [naam gedaagde 1] ons nog € 92.107,00 verschuldigd vanwege de restbetaling m.b.t. de koop van [naam bedrijf 3] (…) Tot op heden hebben wij nog niets van u vernomen en geen enkele betaling mogen ontvangen.

2.21.

Op 7 februari 2017 heeft [naam eiseres] een brief gestuurd, waarin zij dit herhaalt.

2.22.

Op 12 juni 2017 heeft het door [naam eiseres] ingeschakelde incassobureau zich tot [naam gedaagde 1] gewend met dezelfde vordering. Op 13 juli 2017 heeft de deurwaarder een dagvaarding aangekondigd voor het geval betaling uit zou blijven voor 16 juli 2017. In deze brief is vermeld dat dit consequenties heeft zowel zakelijk als privé. In de brief is vermeld dat [naam gedaagde 2] mogelijk privé aansprakelijk wordt gesteld.

2.23.

Op 11 oktober 2017 is de aangekondigde dagvaarding uitgebracht aan [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] .

2.24.

Op 23 oktober 2017 heeft de echtgenote van [naam gedaagde 2] een brief gestuurd aan [naam eiseres] , waarin zij de vernietiging van de vendorloanovereenkomst heeft ingeroepen, voor zover [naam gedaagde 2] daarmee verplichtingen voor zichzelf in privé op zich heeft genomen.

3 De vordering

3.1.

[naam eiseres] vordert na eiswijziging om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 1] hoofdelijk te veroordelen:

- om aan [naam eiseres] te betalen een bedrag van € 151.433,76, althans een bedrag dat de rechtbank rechtvaardig acht, waarbij de ene gedaagde zal zijn gekweten voor het gedeelte dat de andere zal hebben voldaan,

- tot betaling van de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW vanaf 6 september 2016, althans vanaf een andere datum die de rechtbank rechtvaardig acht, tot aan de dag van de algehele voldoening,

- de proceskosten, waaronder salaris gemachtigde en nakosten, althans een proceskostenveroordeling die de rechtbank rechtvaardig acht.

3.2.

[naam eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat tussen haar enerzijds en [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] anderzijds een geldleningsovereenkomst (de vendorloanovereenkomst) tot stand is gekomen en dat [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet zijn nagekomen. Het door [naam eiseres] gevorderde totaalbedrag van € 151.433,76 heeft zij onderverdeeld in een hoofdsom inclusief boete (€ 133.266,48), rente (€ 16.059,62) en incassokosten (€ 2.107,66).

4. Het verweer

4.1.

[naam gedaagde 2] heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [naam bedrijf 3] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten, waaronder salaris advocaat, en in de nakosten, te verhogen met € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [naam bedrijf 3] niet binnen de in het vonnis gegeven termijn na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, voor zover van toepassing inclusief btw.

4.2.

[naam gedaagde 2] heeft betwist dat hij contractspartij is bij de geldleningsovereenkomst. Hij heeft aangevoerd dat het nimmer zijn bedoeling is geweest om zichzelf naast de besloten vennootschap [naam bedrijf 4] en [naam gedaagde 1] als partij te binden aan de geldleningsovereenkomst. Voor zover [naam gedaagde 2] enige verplichting voor zichzelf in privé op zich zou hebben genomen, heeft zijn echtgenote op grond van artikel 1:88 lid 1 sub c BW de vernietiging van de vendorloanovereenkomst bij brief van 23 oktober 2017 ingeroepen. Subsidiair betwist [naam gedaagde 2] de omvang van de geldlening.

5 De beoordeling

Verstek [naam gedaagde 1]

5.1.

[naam eiseres] heeft [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] voor de kantonrechter gedagvaard. Aan [naam gedaagde 1] is, omdat zij niet in het geding is verschenen en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, verstek verleend. De kantonrechter heeft op de incidentele vordering van [naam gedaagde 2] de zaak naar de handelsrechter verwezen. [naam eiseres] en [naam gedaagde 2] hebben desgevraagd ter zitting verklaard dat ook zij ervan uitgaan dat de zaak tegen [naam gedaagde 1] niet langer bij de kantonrechter aanhangig is, maar is mee verwezen naar de handelsrechter. De rechtbank zal daarom ook oordelen over de vordering tegen [naam gedaagde 1] . Ingevolge artikel 140 lid 2 Rv wordt het thans te wijzen vonnis aangemerkt als een vonnis op tegenspraak, gewezen tussen [naam eiseres] enerzijds en [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] anderzijds.

Wijziging eis

5.2.

Bij akte houdende vermeerdering van eis binnengekomen op 29 augustus 2018 heeft [naam eiseres] haar vordering vermeerderd.

5.3.

Krachtens artikel 130 lid 3 Rv is een vermeerdering van eis uitgesloten ten aanzien van de gedaagde die niet in het geding is verschenen, tenzij de eiser de verandering tijdig bij exploot aan deze gedaagde kenbaar heeft gemaakt. Ter zitting heeft [naam eiseres] verklaard dat de vermeerdering van de eis niet bij exploot of anderszins aan [naam gedaagde 1] kenbaar is gemaakt, omdat [naam eiseres] niet wist hoe dit had moeten plaatsvinden nu [naam gedaagde 1] is uitgeschreven bij de kamer van koophandel. Volgens [naam eiseres] is [naam gedaagde 2] de enige persoon achter [naam gedaagde 1] en is het voldoende dat hij van de eiswijziging op de hoogte is.

5.4.

De ratio achter artikel 130 lid 3 Rv is dat moet worden voorkomen dat een niet verschenen gedaagde tot iets kan worden veroordeeld, waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het is gevorderd. Het enkele feit dat [naam gedaagde 1] , voor zover juist, is uitgeschreven bij de kamer van koophandel, maakt dit niet anders. De stelling van [naam eiseres] dat [naam gedaagde 2] de enige persoon achter [naam gedaagde 1] is en dat [naam gedaagde 2] van de eiswijziging op de hoogte is, maakt niet dat aan het wettelijk voorschrift van artikel 130 lid 3 Rv voorbij kan worden gegaan. [naam gedaagde 2] is immers in deze procedure uitsluitend in privé verschenen en niet als vertegenwoordiger van [naam gedaagde 1] .

5.5.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank ten opzichte van [naam gedaagde 1] recht zal doen op de oorspronkelijk bij dagvaarding ingestelde eis. [naam eiseres] vorderde bij dagvaarding gedaagden hoofdelijk te veroordelen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om aan [naam eiseres] te betalen een bedrag van € 25.000,00 en de kosten van de procedure, waaronder begrepen het salaris gemachtigde en de noodzakelijke verschotten.

5.6.

[naam gedaagde 2] , die wel is verschenen, heeft ter zitting bezwaar aangetekend tegen de vermeerdering van eis. [naam gedaagde 2] heeft aangevoerd dat de vermeerdering van eis in strijd is met de goede procesorde, vanwege het late moment waarop deze vermeerdering plaatsvindt. Mede gelet op het uitvallen van mr. Peeters (de advocaat van [naam gedaagde 2] ) heeft mr. Groot (de tijdelijk vervangend advocaat van [naam gedaagde 2] ) de wijziging van eis niet met [naam gedaagde 2] kunnen bespreken.

5.7.

De rechtbank staat de vermeerdering van eis toe en zal aan de eisen van de goede procesorde tegemoet komen door [naam gedaagde 2] – indien dat voor een goede beoordeling nodig blijkt – nader gelegenheid te geven om op de gewijzigde eis te reageren. Ten opzichte van [naam gedaagde 2] zal de rechtbank dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

Beoordeling vordering ten aanzien van [naam gedaagde 1]

5.8.

De bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen en de oorspronkelijke vordering komt op de oorspronkelijke grondslag niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering, om [naam gedaagde 1] te veroordelen om aan [naam eiseres] te betalen een bedrag van € 25.000,00, is derhalve voor toewijzing vatbaar.

5.9.

[naam gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten daarvan worden veroordeeld, waarbij zal worden aangesloten bij de tarieven voor kantonzaken. De kosten aan de zijde van [naam eiseres] worden begroot op:

- verschotten € 1.020,99 (€ 939,00 griffierecht en € 81,99

dagvaardingskosten)

- salaris advocaat € 400,00 (1 punt × tarief IX kanton € 400,00)

Totaal € 1.420,99

Beoordeling vordering ten aanzien van [naam gedaagde 2]

5.10.

Niet in geschil is dat er een overeenkomst tot geldlening ter hoogte van € 130.000,00 tot stand is gekomen. [naam gedaagde 2] heeft evenwel betwist dat hij daarbij contractspartij is.

5.11.

Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam — dat wil zeggen als wederpartij van die ander — is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877). Het antwoord op deze vraag is van feitelijke aard. Daarbij kunnen ook omstandigheden van belang zijn die achteraf plaatsvinden (HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3457).

5.12.

Vast staat dat [naam gedaagde 2] op 2 oktober 2013 op de geldleningsovereenkomst (vendorloanovereenkomst) zijn handtekening heeft gezet. Op grond van die overeenkomst leent [naam eiseres] , per leveringsdatum van de aandelen van [naam bedrijf 3] , aan debiteur een bedrag van € 130.000,00. Als debiteur is [naam gedaagde 2] vermeld, handelende voor zich in privé, dan wel handelend als bestuurder van [naam bedrijf 4] , welke rechtspersoon optreedt als bestuurder van [naam gedaagde 1] . Onder de handtekening is met getypte letters de naam van [naam gedaagde 2] vermeld en verder [naam gedaagde 1] , [naam bedrijf 4] en in privé (zie r.o. 2.11-2.13).

5.13.

Deze vendorloanovereenkomst kan niet los worden gezien van de aandelenoverdracht. De lening, koop en levering zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zo blijkt uit alle documenten. In de door [naam eiseres] opgestelde intentieovereenkomst (zie r.o. 2.4) wordt de vendorloan al genoemd als onderdeel van de koopprijs van de aandelen (zie r.o. 2.9). Ook in de vendorloanovereenkomst zelf wordt het verband tussen de aandelenverkoop en lening onderstreept (zie r.o. 2.12), net als in de op diezelfde dag namens [naam eiseres] ondertekende side letter (zie r.o. 2.15). Verder is in de leveringsakte bepaald dat [naam eiseres] afstand doet van haar vordering tot betaling van € 130.000,00 van de koopprijs, waartegenover [naam gedaagde 1] bij wijze van geldlening een bedrag van € 130.000,00 erkent schuldig te zijn aan [naam eiseres] (zie r.o. 2.17).

5.14.

Zowel de intentieovereenkomst als de vendorloanovereenkomst vermeldt in de kop bij [naam gedaagde 2] “te dezer zake handelende voor zich in privé, dan wel namens” (zie r.o. 2.7 en 2.11). Waar in de intentieovereenkomst nog “namens een nog door hem op te richten besloten vennootschap” wordt vermeld (zie r.o. 2.7), is dit in de vendorloanovereenkomst ingevuld met de door [naam gedaagde 2] gedurende de onderhandelingen opgerichte vennootschappen [naam gedaagde 1] en [naam bedrijf 4] (zie r.o. 2.3 en 2.11). Bij de ondertekening van de intentieovereenkomst was handgeschreven al [naam gedaagde 1] boven de handtekening van [naam gedaagde 2] geplaatst (zie r.o. 2.10). Uit de leveringsakte volgt vervolgens dat uitsluitend [naam gedaagde 1] de koper van de aandelen is en de partij die het geld leent (zie r.o. 5.13 en 2.17 en 2.18). In deze leveringsakte is immers bepaald dat [naam eiseres] afstand doet van de vordering tot betaling van € 130.000,00 van de koopprijs, waartegenover [naam gedaagde 1] bij wijze van geldlening een bedrag van € 130.000,00 erkent schuldig te zijn aan [naam eiseres] . [naam gedaagde 2] wordt in de akte als (indirect) directeur van [naam gedaagde 1] vermeld en niet meer “in privé”.

5.15.

Voor het antwoord op de vraag wie partij is bij de vendorloanovereenkomst is ook van belang wat partijen hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.

Namens [naam eiseres] is ter zitting verklaard dat zij wilden dat [naam gedaagde 2] in privé tekende, omdat zij dan meer zekerheid zouden hebben, en dat zij dit ook normaal vinden. Verder is verklaard dat dit weliswaar niet uitdrukkelijk is besproken, maar wel ter sprake is gekomen, waarbij ook [naam 3] aanwezig was.

[naam gedaagde 2] heeft ter zitting verklaard dat er niet is gesproken over tekenen in privé om in privé gebonden te zijn en dat hem ook nooit is gezegd dat de verkopers dit wilden. Voor hem was duidelijk dat hij dit niet wilde, omdat zijn echtgenote dit niet wilde.

Uit hetgeen namens [naam eiseres] en [naam gedaagde 2] ter zitting is verklaard volgt dus dat tussen partijen niet, in ieder geval niet expliciet, is besproken of [naam gedaagde 2] in privé partij zou zijn.

5.16.

Nadat het faillissement van [naam bedrijf 3] is uitgesproken, is [naam gedaagde 2] , als directeur van [naam gedaagde 1] , door of namens [naam eiseres] verschillende malen aangeschreven (zie r.o. 2.20 – 2.22). Steeds wordt aanspraak gemaakt op betaling van het door [naam gedaagde 1] verschuldigde bedrag. Pas voor het eerst bij brief van 16 juli 2017 is vermeld dat er ook privé consequenties volgen, indien betaling uitblijft.

5.17.

[naam eiseres] en [naam gedaagde 2] hebben uit dit alles mogen afleiden dat [naam gedaagde 2] in het kader van de geldlening, net als in het kader van de aandelenoverdracht, uitsluitend als (indirect) bestuurder van [naam gedaagde 1] optrad.

5.18.

De stelling van [naam eiseres] dat de vendorloan een maatwerkovereenkomst is en daarom – zo begrijpt de rechtbank – de andere documenten niet van belang zijn, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Het enkele feit dat in artikel 2 van de vendorloanovereenkomst het overlijden van de debiteur is genoemd als grond voor directe opeisbaarheid, maakt niet dat sprake is van een maatwerkovereenkomst. Zelfs als (daardoor) sprake zou zijn van een maatwerkovereenkomst, en daargelaten wat daarvan de consequenties zouden moeten zijn, is van belang dat deze in samenhang met de aandelentransactie werd gesloten. Uit artikel 2 van de vendorloanovereenkomst volgt in ieder geval niet dat [naam gedaagde 2] in privé partij is. [naam gedaagde 2] was enig (indirect) aandeelhouder en enig (indirect) bestuurder van [naam gedaagde 1] , zodat zijn overlijden van rechtstreekse invloed zou zijn geweest op de continuïteit van de onderneming en daarmee op het risico dat de lening niet kon worden terugbetaald. Een hoofdelijke terugbetalingsverplichting volgt hier echter niet uit en is ook niet expliciet in de vendorloanovereenkomst opgenomen.

5.19.

[naam eiseres] voert verder aan dat zij er op mocht vertrouwen dat [naam gedaagde 2] in privé gebonden wilde zijn, omdat [naam gedaagde 2] bezig was met het opzetten van een nieuwe holdingstructuur en daarom de vermelding “handelende voor zich in privé” in de vendorloanovereenkomst, die hij heeft ondertekend, moet hebben gezien. [naam gedaagde 2] heeft verklaard dat hij het in privé tekenen steeds heeft begrepen als vertegenwoordiging. Uit hetgeen namens [naam eiseres] en [naam gedaagde 2] ter zitting is verklaard volgt verder dat het voor beide partijen weliswaar een belangrijk punt was, maar dat dit (toch) niet, in ieder geval niet expliciet, tussen partijen is besproken.

5.20.

Uit het opzetten van een nieuwe holdingstructuur kan, naar het oordeel van de rechtbank, eerder worden afgeleid dat [naam gedaagde 2] zich niet in privé wenste te binden, dan wel. Bovendien is in de side letter, die net als de vendorloan is gedateerd op 2 oktober 2013, maar uitsluitend is ondertekend door [naam eiseres] , [naam gedaagde 2] in de kop weliswaar ook als privé persoon aangeduid, maar bij de ondertekening niet (zie r.o. 2.14 en 2.16). [naam eiseres] had daarom – en mede gelet op het voorgaande (zie r.o. 5.13 - 5.16) – uit de enkele ondertekening van de vendorloanovereenkomst niet kunnen en mogen afleiden dat [naam gedaagde 2] persoonlijk voor de terugbetaling wilde instaan.

5.21.

De conclusie van het voorgaande is dat, alles in onderling verband en samenhangend afwegend, [naam gedaagde 2] bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst jegens [naam eiseres] niet in eigen naam is opgetreden, maar uitsluitend als vertegenwoordiger van [naam gedaagde 1] . De vordering van [naam eiseres] op [naam gedaagde 2] zal daarom worden afgewezen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Er zijn immers geen stellingen ingenomen die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen voeren.

5.22.

Nu de hoofdvorderingen van [naam eiseres] zullen worden afgewezen, bestaat geen aanleiding voor toewijzing van de nevenvordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

5.23.

[naam eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het incident en in de hoofdzaak worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht € 1.565,00

- salaris advocaat € 400,00 (1 punt × tarief IX kanton € 400,00)

1.707,00 (1 punt x tarief V rechtbank € 1.707,00)

Totaal € 3.672,00

6 De beslissing

De rechtbank:

in de zaak tegen [naam gedaagde 1] :

6.1.

veroordeelt [naam gedaagde 1] tot betaling van € 25.000,00 aan [naam eiseres] ,

6.2.

veroordeelt [naam gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiseres] begroot op € 1.420,99,

6.3.

verklaart het vonnis wat betreft de onder 6.1 en 6.2 genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak tegen [naam gedaagde 2] :

6.4.

wijst de vorderingen van [naam eiseres] op [naam gedaagde 2] af,

6.5.

veroordeelt [naam eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde 2] tot op heden begroot op € 3.672,00, en in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat,

6.6.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 6.5 genoemde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. van den Herik en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2018.

1885/3095