Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1074

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
10/960260-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, eerste lid, van de Opiumwet (artt. 2 en 10 Opiumwet)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960260-17

Datum uitspraak: 8 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim,

raadsman B.H.J. van Rhijn, advocaat te Doorn.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. Chr. Nij Bijvank heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    toepassing van het jeugdstrafrecht;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 114 dagen met aftrek
    van voorarrest;

  • -

    oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 12 maanden, subsidiair 12 maanden vervangende jeugddetentie;

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

De verdediging heeft zich wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd. Het feit zal daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 7 september 2017 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een postpakket met daarin 514,6 gram MDMA, zijnde 3,4-methyleendioxymethamfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

-de drugs verstopt in een verpakking kattenvoer, en

-het pakket ten vervoer naar een ontvanger in Australië aangeboden bij een servicepoint van DHL;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, eerste lid, van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan de uitvoer van een hoeveelheid MDMA. De verdachte heeft, op aangeven van een medeverdachte, een postpakket bij het de DHL-servicepunt aangeboden, ter verzending naar een adres in Australië. In dit postpakket zat een pak kattenvoer, waarin een hoeveelheid MDMA, te weten 514,6 gram, was verpakt.

Dit is een ernstig feit. MDMA is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in MDMA gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Handelingen die tot doel hebben die stof op de markt te brengen dienen streng te worden bestraft. Het is ernstig dat verdachte zich geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 januari 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

De reclassering adviseert aan de verdachte een Gedragsbeïnvloedende Maatregel (hierna: GBM) op te leggen voor de duur van één jaar. Aan de GBM dienen als voorwaarden te worden gekoppeld een meldplicht, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang (te weten kamertrainingscentrum (hierna: KTC) de Rading), een behandelverplichting, een locatiegebod en andere voorwaarden het gedrag betreffende. Naast deze maatregel, adviseert de reclassering een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de maatregel Toezicht en Begeleiding voor de duur van twee jaar. Het toezicht dient daarbij te worden uitgevoerd door Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de jeugdreclassering). De reclassering acht toepassing van het jeugdstrafrecht dan ook geïndiceerd.

Ter terechtzitting heeft de jeugdreclassering toegelicht dat met andere voorwaarden het gedrag betreffende wordt bedoeld dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering. De verdachte kan terugkeren in het KTC De Rading. Verder is namens de jeugdreclassering geadviseerd om naast de genoemde voorwaarden ook nog een contactverbod met de medeverdachten op te leggen.

Forensisch psycholoog drs. D. Breuker heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 12 januari 2018. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de vorm van een zich ontwikkelende vermijdende persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid ten aanzien van de verbale capaciteiten en de verwerkingssnelheid. Daarnaast is sprake van cannabismisbruik en antisociaal gedrag. De verdachte is kwetsbaar en beperkt weerbaar, waardoor hij zich vermoedelijk heeft laten overhalen tot het plegen van het ten laste gelegde feit. De verdachte is door deze omstandigheden extra beïnvloedbaar en hij kan zijn eigen en andermans grenzen niet goed bewaken. De psycholoog adviseert de verdachte dan ook het plegen van het ten laste gelegde feit in verminderde mate toe te rekenen. De verdachte behoeft vanwege zijn problematiek, alsook de omstandigheid dat hij voorheen in een strak kader bij het KTC verbleef met een enkelband, meer behandeling in een intensiever beïnvloedingskader. Zonder de behandeling wordt de kans dat risicofactoren elkaar weer zullen gaan versterken groot geacht. Het risico op recidive wordt matig tot hoog geacht. De psycholoog adviseert daarom het jeugdstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een GBM op te leggen, omdat sprake is van een complexe en lastig te behandelen combinatieproblematiek waarbij een aanzienlijke stok achter de deur nodig is. De GBM biedt daarvoor het beste kader en voldoende waarborgen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

Krachtens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren doch niet die van 23 jaren heeft bereikt – recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusie van de psycholoog gedragen wordt door de bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusie over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Straffen

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank is met de officier van justitie, de verdediging en de deskundigen van oordeel dat de verdachte gebaat is bij voortzetting van de begeleiding door de jeugdreclassering, en met een intensiever behandelingskader. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte niet degene is die het initiatief heeft genomen om het feit te plegen, maar dat hij zich heeft laten overhalen door een medeverdachte om het pakket aan te bieden bij het servicepunt van DHL. Anders dan de deskundigen en de officier van justitie is de rechtbank gelet op de beperkte rol van de verdachte, van oordeel dat een GBM niet opportuun is. Daarbij kan het doel dat met de GBM wordt beoogd, te weten een intensiever beïnvloedingskader en meer behandeling voor de verdachte, ook met oplegging van een voorwaardelijke straf worden gerealiseerd door daaraan toezicht en begeleiding en bijzondere voorwaarden te koppelen.

De rechtbank zal daarom een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de volgende voorwaarden. De verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en een meldplicht. Ook dient de verdachte te verblijven bij KTC de Rading. Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met de medeverdachten op zijn plaats. Een locatiegebod, zoals verwoord in de rapportages van de deskundigen acht de rechtbank niet meer aangewezen, omdat de verdachte zich in de periode voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit al gedurende een lange periode aan de voorwaarden van een locatiegebod met elektronisch toezicht heeft gehouden.

Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 77a, 77c, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z en 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 19 (negentien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [naam medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 1] te [geboorteplaats medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 2] te [geboorteplaats medeverdachte 2] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten KTC De Rading, en zich zal houden aan het

(dag-)programma dat deze instelling in overleg met de jeugdreclassering heeft opgesteld, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (jeugdreclassering) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Feraaune, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J. van Dort en J. Fransen, rechters,

in tegenwoordigheid van V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 februari 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Hij op of omstreeks 7 september 2017 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of heeft vervoerd en/of heeft verstrekt, een postpakket met daarin 514,6 gram MDMA, zijnde 3,4-methyleendioxymethamfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

-de drugs verstopt in een verpakking kattenvoer, en/of

-het pakket ten vervoer naar een ontvanger in Australië aangeboden bij een servicepoint van DHL

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet