Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10703

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-11-2018
Datum publicatie
03-01-2019
Zaaknummer
6910507
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur; bedrijfsruimte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6910507 \ CV EXPL 18-19740

uitspraak: 16 november 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

gemachtigde: mr. I.R. Köhne te Voorburg (gemeente Leidschendam-Voorburg),

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagden,

gemachtigde: mr. R.P.R. Nolten te Den Haag.

Eiseres wordt hierna [eiseres] genoemd. Gedaagden worden hierna [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd en gezamenlijk [gedaagde 1] c.s.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    de exploten van dagvaarding van 7 mei 2018;

  • -

    de akte overlegging producties zijdens [eiseres] ;

  • -

    de conclusie van antwoord, met een productie;

  • -

    het tussenvonnis van 1 augustus 2018 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de voorafgaand aan de comparitie van partijen namens [eiseres] overgelegde faxbrief van 27 september 2018, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 17 oktober 2018 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

[gedaagde 1] huurt van [eiseres] de bedrijfsruimte aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het gehuurde) tegen een huurprijs van laatstelijk € 8.576,71 per maand.

2.2

[gedaagde 2] heeft zich verbonden als borg.

2.3

Op de huurovereenkomst zijn de door [eiseres] gehanteerde Algemene Bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW van toepassing (hierna: de Algemene Bepalingen).

2.4

In artikel 26.2 van de Algemene Bepalingen is het volgende opgenomen:

“Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2 % van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.”

2.5

[gedaagde 1] heeft huurtermijnen onbetaald gelaten.

2.6

In augustus 2018 heeft [eiseres] bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een kort geding aanhangig gemaakt tegen [gedaagde 1] c.s. (zaaknummer C/10/555516/KG ZA 18-848), waarin zij onder meer ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand tot en met september 2018 heeft gevorderd. In deze kort geding procedure heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 10 september 2018 - voor zover hier van belang - als volgt beslist:

“(…) 5.1 veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde (…) leeg, ontruimd, in goede staat en met overhandiging van de sleutels aan [eiseres] op te leveren;

5.2

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , hoofdelijk, te betalen aan [eiseres] € 68.114,08, te vermeerderen met de contractuele boeterente van artikel 26.2 algemene bepalingen van 2 % over het totale openstaande saldo aan huur per kalendermaand in de betreffende maand, met dien verstande dat per maand (of gedeelte ervan) ten minste een bedrag van € 300,00 verschuldigd is; (…)”

3 Het geschil

3.1

[eiseres] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 1] te ontbinden en:

  1. [gedaagde 1] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde binnen 5 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een door [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 1.500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde 1] (en [gedaagde 2] ) daarmee in gebreke mocht(en) blijven;

  2. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 58.897,58 aan huurachterstand berekend tot en met de maand mei 2018, vermeerderd met de contractuele boeterente;

  3. [gedaagde 1] c.s hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de reeds vervallen en nog te vervallen huurpenningen vanaf juni 2018 tot aan de dag waarop de huurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de contractuele boeterente over iedere niet tijdig betaalde huurtermijn;

  4. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 8.476,79 per maand of gedeelte van een maand vanaf de dag dat de huurovereenkomst zal zijn geëindigd tot aan de dag waarop het gehuurde voor minimaal dezelfde huurprijs aan een derde zal zijn verhuurd, althans - subsidiair - tot aan de dag van ontruiming te vermeerderen met de wettelijke vanaf telkens vanaf de eerste dag van de maand waarop de schadevergoeding betrekking heeft;

  5. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 25.430,37 (schadevergoeding, gelijk aan drie maanden huur, onder voorbehoud van de rechten van [eiseres] op het meerderen), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van ontbinding tot aan die der algehele voldoening;

  6. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2

[gedaagde 1] c.s. voert verweer tegen de gevorderde ontruimingstermijn en de hoogte van de huurachterstand. [gedaagde 1] c.s. heeft aangevoerd dat [eiseres] een tussen partijen afgesproken creditering van de huur over een periode van 3 maanden niet in mindering heeft gebracht op de huurachterstand. Volgens [gedaagde 1] c.s. bedroeg de huurachterstand ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding vier maanden.

4 De beoordeling

4.1

Mede aan de hand van de voorafgaande aan de comparitie van partijen overgelegde stukken heeft [eiseres] ter zitting een toelichting gegeven op de onderhavige vordering en het verweer van [gedaagde 1] c.s. weersproken. [eiseres] heeft gesteld dat in het debiteurenoverzicht de creditering is verwerkt. Berekend tot en met oktober 2018 bedraagt de huurachterstand € 76.690,79, aldus [eiseres] . Nu aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. niemand ter zitting is verschenen heeft zij deze stelling van [eiseres] onvoldoende weersproken gelaten, zodat de kantonrechter van de juistheid van die huurachterstand uitgaat.

4.2

Aangezien de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de kort geding procedure de huurachterstand tot en met september 2018 heeft toegewezen en [eiseres] daarmee reeds een executoriale titel heeft verkregen, en gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] c.s. van dat vonnis in kort geding hoger beroep heeft ingesteld, komt in het kader van de procedure bij de kantonrechter slechts voor toewijzing in aanmerking de huurachterstand voor de maand oktober 2018 voor een bedrag van € 8.576,71 te vermeerderen met de boete in de zin van artikel 26.2 Algemene Bepalingen zodat aan boete een bedrag van € 300,00 wordt toegewezen.

4.3

De reeds door de voorzieningenrechter toegewezen huurachterstand van zeven maanden rechtvaardigt de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst.

Aangezien de voorzieningenrechter van deze rechtbank [gedaagde 1] reeds tot ontruiming van het gehuurde heeft veroordeeld en [eiseres] daarmee over een executoriale titel beschikt, waarvan [eiseres] bovendien reeds gebruik heeft gemaakt, wordt de in de onderhavige procedure gevorderde ontruiming afgewezen.

4.4

[gedaagde 1] c.s. wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurtermijnen tot het einde van de huurovereenkomst. De gevorderde boete in de zin van 26.2 Algemene Bepalingen over de toekomstige huurtermijnen is niet toewijsbaar. Ten tijde van de comparitie van partijen stond immers niet vast dat [gedaagde 1] c.s. met de tijdige betaling daarvan in gebreke zou blijven.

4.5

De vordering omvat vergoeding van schade bestaande uit gederfde huurinkomsten over de tijd dat de huurovereenkomst, indien niet ontbonden, zou hebben voortgeduurd. Over de periode nadat ontruiming heeft plaats gehad, is begroting van die schade op grond van de beschikbare gegevens niet mogelijk. Daarom zal de kantonrechter ambtshalve wat dit deel van de schade betreft [gedaagde 1] c.s. veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat.

4.6

De kantonrechter constateert dat in het lichaam van de dagvaarding is opgenomen dat hetgeen onder e in het petitum is opgenomen subsidiair gevorderd zal worden. In het petitum ontbreekt echter de subsidiaire formulering. Aangezien het onder d en e in het petitum gevorderde op hetzelfde betrekking heeft, kunnen deze niet naast elkaar worden toegewezen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.5 overwogen wordt de onder e gevorderde schadevergoeding, welke overigens ook niet is onderbouwd, afgewezen.

4.7

[gedaagde 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de kant van [eiseres] vastgesteld op € 952,00 aan griffierecht, € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten a € 250,00) en € 171,58 aan explootkosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 1] c.s. ter zake van het gehuurde aan de [adres] te Rotterdam;

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen het bedrag van € 8.576,71 aan huurachterstand over de maand oktober 2018 en € 300,00 aan contractuele boeterente;

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen tot de dag van ontbinding ten titel van huur, en daarna tot en met de maand waarin de ontruiming en lege oplevering van het gehuurde plaatsvindt ten titel van gebruiksvergoeding, een bedrag van € 8.576,71 per maand, ook die laatste maand voor een gehele te rekenen;

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot vergoeding van de schade die [eiseres] lijdt bestaande uit gederfde huurinkomsten over de tijd dat de huurovereenkomst, indien niet ontbonden, zou hebben voortgeduurd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 1.123,58 aan verschotten en € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

28356