Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:1060

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
NL18.1872
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet horen op AZC. Verweerder voldoende tijd gehad om zich daarop voor te bereiden. Gehoor elementair onderdeel van het proces ivm persoonlijke belangen. Belangenafweging ook niet in voordeel van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: NL18.1872


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser]

gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.R. Bekink.


Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 2 februari 2018 de maatregel van bewaring opgeheven in verband met de overdracht van eiser aan Italië.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser voert aan dat verweerder hem in strijd met artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en de uitspraak van 1 november 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling; ECLI:NL:RVS:2016:2992) niet voorafgaand aan het opleggen van de maatregel heeft gehoord. Eiser meent dat zijn recht op vrijheid zwaarder moet wegen dan het belang van verweerder om eiser ondanks dit gebrek in bewaring te stellen.

Daarnaast is na de piketmelding ten onrechte niet twee uur gewacht met het horen van eiser.

1.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij eiser na de inbewaringstelling mocht horen, omdat er op het asielzoekerscentrum (AZC) waar eiser in bewaring is gesteld geen ruimtes zijn die zijn beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Dat eiser niet voorafgaand aan de inbewaringstelling is gehoord maakt de maatregel van bewaring volgens verweerder niet onrechtmatig. Eiser is zo spoedig mogelijk na het uitreiken van de maatregel van bewaring gehoord.

Verweerder erkent dat het gehoor binnen twee uur na de piketmelding is aangevangen. Eiser is door deze gang van zaken niet in zijn belangen geschaad, in elk geval niet zodanig dat de maatregel daardoor onrechtmatig moet worden geacht.

1.3

Op grond van artikel 5.2, eerste lid, van het Vb, voor zover van belang, wordt een vreemdeling gehoord voordat hij op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring wordt gesteld.

Op grond van artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb is het eerste lid niet van toepassing indien het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht.

Op grond van het derde lid van dit artikel wordt slechts in het geval bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d, de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.

1.4

In de door eiser bedoelde uitspraak van 1 november 2016 heeft de Afdeling geoordeeld dat vreemdelingen die op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw rechtmatig verblijf hebben niet op grond van artikel 50 van de Vw kunnen worden staande gehouden, opgehouden en overgebracht. Naar het oordeel van de Afdeling mag verweerder deze categorie vreemdelingen wel op een AZC horen, in bewaring stellen en daarna overbrengen naar een detentiecentrum.

In reactie op de uitspraak van 2 februari 2018 van deze rechtbank en zittingsplaats (ECLI:NL:RBROT:2018:725) heeft verweerder weliswaar terecht opgemerkt dat de Afdeling in haar uitspraak van 1 november 2016 niet expliciet heeft overwogen dat de vreemdeling in deze situatie voorafgaand aan de inbewaringstelling moet worden gehoord, maar naar het oordeel van de rechtbank kan de uitspraak van de Afdeling redelijkerwijs niet anders worden begrepen. De Afdeling overweegt dat verweerder de vreemdelingen op het AZC had moeten horen en daar in bewaring had moeten stellen, wat impliceert dat het horen voorafgaat aan de inbewaringstelling. Daartoe is verweerder ook op grond van artikel 5.2 van het Vb gehouden. Bovendien volgt uit de uitspraak van 1 november 2016 dat het horen moet plaatsvinden op het AZC en dus niet pas in het detentiecentrum. Verweerder stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat de uitspraak van 1 november 2016 van de Afdeling ruimte laat voor zijn werkwijze.

1.5

Het betoog van verweerder bevat ook overigens geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het hem vrijstond eiser pas na diens inbewaringstelling en overbrenging naar het detentiecentrum te horen. Tussen de uitspraak van de Afdeling en eisers inbewaringstelling is een periode van bijna vijftien maanden verstreken. Verweerder had deze periode kunnen benutten om een wijziging van de Vw dan wel het Vb voor te stellen aan het parlement, om zijn werkwijze aan te passen aan de uitspraak van de Afdeling of om beide te doen. Dat verweerder dit niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico. Het argument dat het horen moet plaatsvinden in een ruimte beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek leidt niet tot een andere conclusie. Daargelaten of verweerders ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn een Dublinclaimant te beletten tijdens een gehoor voorafgaand aan een inbewaringstelling te vertrekken en of het risico dat dit zou gebeuren in het geval van eiser reëel was, komt het voor verweerders rekening en risico dat er op het AZC volgens hem geen geschikte ruimte beschikbaar was voor dit gehoor.

1.6

Bij het voorgaande dient bedacht te worden dat het in artikel 5.2 van het Vb voorgeschreven gehoor een elementair onderdeel is van het proces dat leidt tot een eventuele inbewaringstelling. Verweerder dient tijdens dit gehoor te vragen naar de persoonlijke belangen van de vreemdeling, deze belangen af te wegen bij de vraag of de vreemdeling in bewaring kan worden gesteld en, indien de vreemdeling in bewaring wordt gesteld, deze belangen in de maatregel van bewaring kenbaar af te wegen. Door de onrechtmatige werkwijze van verweerder kan niet aan deze elementaire voorwaarde worden voldaan.

Verweerder had dan ook niet mogen afzien van het horen van eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring.

1.7

Verweerder betoogt subsidiair dat hij er een zwaarwegend belang bij had om eiser desondanks in bewaring te stellen. Voor eiser was al een vlucht naar Italië geboekt en hij is korte tijd na zijn inbewaringstelling ook daadwerkelijk overgedragen. Uit eerdere vertrekgesprekken bleek voorts dat eiser niet bereid was tot vrijwillig vertrek.

Naar het oordeel van de rechtbank wegen deze belangen van verweerder niet op tegen het recht op vrijheid van eiser. Voor inbewaringstelling op grond van artikel 59a van de Vw is een significant risico op onttrekking aan het toezicht vereist. Daarnaast zal bij inbewaringstelling op deze grond veelal sprake zijn van zicht op uitzetting op korte termijn, zeker bij het volgen van de gedragslijn dat inbewaringstelling pas volgt na een claimakkoord en het boeken van een vlucht. De door verweerder gestelde belangen, hoewel op zichzelf zwaarwegend, zijn dan ook in veel zaken aan de orde. Als deze belangen zwaarder zouden moeten wegen dan het belang van de betrokken vreemdeling, betekent dit feitelijk dat verweerder zijn onrechtmatige handelwijze ook vijftien maanden na de uitspraak van de Afdeling structureel kan blijven voortzetten. Een dergelijke conclusie kan niet worden aanvaard. De beroepsgrond slaagt.

2. Niet in geschil is dat verweerder na de piketmelding niet twee uur heeft gewacht met de aanvang van het gehoor. In deze zaak is dat niet slechts een formaliteit, nu eisers gemachtigde kort na aanvang van het gehoor is gearriveerd op de plaats van het horen en de rest van het gehoor heeft meegemaakt. Eiser wijst er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat hij er niet alleen belang bij heeft dat zijn gemachtigde het gehele gehoor bijwoont, maar ook dat hij kan worden voorbereid op dat gehoor. Eiser voert dan ook terecht aan dat het recht op rechtsbijstand is geschonden. Van een gering gebrek is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan verweerder stelt, geen sprake. Dat neemt niet weg dat verweerder niet ten onrechte opmerkt dat eiser niet heeft gesteld en geconcretiseerd dat het afwachten van de komst van zijn gemachtigde tot gevolg had kunnen hebben dat de reeds opgelegde maatregel eerder was opgeheven. Zo is niet gebleken dat eisers gemachtigde niet in de gelegenheid is geweest opmerkingen te maken of desgewenst de onder 1 besproken beroepsgrond aan te voeren. De schending van eisers recht op rechtsbijstand is onder deze omstandigheden geen zelfstandige grond voor opheffing van de maatregel van bewaring.

3. Gelet op 1.4 tot en met 1.7 is het beroep gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven.

4. De rechtbank kent eiser een schadevergoeding van € 560,- toe voor zeven dagen onrechtmatige bewaring in een huis van bewaring (7 maal € 80,-).

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.002,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1). Omdat een toevoeging is verleend, dienen de kosten te worden voldaan aan de gemachtigde van eiser.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiser een schadevergoeding toe van € 560,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.002,-, door verweerder te betalen aan de gemachtigde van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van H. Philips, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2018.

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitaal dossier.