Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10483

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-12-2018
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
ROT 16/5759
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de uitspraak van 11 oktober 2018 heeft de Raad geoordeeld dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid en het beroep ongegrond verklaard. Uit de uitspraak van de Raad volgt dat het besluit niet onrechtmatig is en dat evenmin sprake is van een onrechtmatige handeling in de zin van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Gelet hierop is er geen grond om verzoekster schadevergoeding toe te kennen. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/5759

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2018 in de zaak tussen

I. [naam verzoekster], te [plaats] , verzoekster,

en

[naam verweerder] , verweerder,

gemachtigde: mr. P.R.M. Berends-Schellens.

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot 4 januari 2018 verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van die datum.

Bij uitspraak van 4 januari 2018 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid gebruik kon maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van ontslag aan verzoekster. Het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoekster heeft geleden heeft de rechtbank aangemerkt als een verzoek tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:91 van deze wet. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verzoekster in de gelegenheid gesteld binnen acht weken de door haar gestelde schade nader te concretiseren.

Bij brief van 26 februari 2018 heeft verzoekster gereageerd op de uitspraak van 4 januari 2018.

Verweerder heeft tegen de uitspraak van 4 januari 2018 hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (de Raad).

Bij brief van 5 april 2018 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek om schadevergoeding aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Raad.

Bij uitspraak van 11 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3170) heeft de Raad de uitspraak van 4 januari 2018 vernietigd en het beroep van verzoekster tegen het besluit van 19 juli 2016 ongegrond verklaard.

Bij brief van 31 oktober 2018 heeft de rechtbank verzoekster in de gelegenheid gesteld binnen twee weken mee te delen of zij haar verzoek om schadevergoeding wenst te handhaven. Hiernaast is aan partijen meegedeeld dat, indien verzoekster haar verzoek handhaaft, geen zitting zal plaatsvinden tenzij een van de partijen binnen twee weken meedeelt prijs te stellen op een zitting. Verweerder heeft bij brief van 5 november 2018 kenbaar gemaakt dat hij een zitting niet nodig vindt. Verzoekster heeft niet op de brief van de rechtbank gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 28 november 2018 gesloten.

Overwegingen

1. In artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Awb, voor zover van belang, is bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

Met een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb wordt onder meer een ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet bedoeld.

2. In de uitspraak van 11 oktober 2018 heeft de Raad geoordeeld dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid. De Raad heeft het beroep van verzoekster tegen het besluit van 19 juli 2016, waarbij verweerder het ontslagbesluit van 9 maart 2016 heeft gehandhaafd, ongegrond verklaard.

Uit de uitspraak van de Raad van 11 oktober 2018 volgt dat het besluit van 19 juli 2016 niet onrechtmatig is en dat evenmin sprake is van een onrechtmatige handeling in de zin van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Gelet hierop is er geen grond om verzoekster schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek zal worden afgewezen.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.F. Smulders, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. C.A. Lodders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2018.

De griffier is verhinderd voorzitter

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.