Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10397

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2018
Datum publicatie
21-12-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1971
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK AW, helikoptervlieger bij de politie. Wijziging art. 88a lid 1 Barp is niet onredelijk. AOW-gat wordt niet gecompenseerd. Afspraak toch 55 jaar met ontslag onder toekenning van een 10-jarige ontslaguitkering. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 18/1971

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink,

en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigden: mr. A.H. Beijer en mr. drs. L.N. van der Toorn.

Procesverloop

Bij brief van 15 september 2016 heeft verweerder eiser meegedeeld dat, ondanks dat met ingang van 1 juli 2016 de toepasselijke regelgeving is gewijzigd, ontslag op 55-jarige leeftijd voor hem nog steeds mogelijk is met behoud van een ontslaguitkering van maximaal tien jaar. Als eiser hiervoor kiest, zal het zogenoemde AOW-gat niet worden gecompenseerd door de werkgever.

Op 19 oktober 2016 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 5 april 2018 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit bezwaar.

Bij besluit van 26 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en eiser een dwangsom van € 1.260,- toegekend wegens niet tijdig beslissen.

Bij brief van 28 mei 2018 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het beroep van eiser mede betrekking heeft op het besluit van 26 april 2018.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 26 april 2018 beslist op het bezwaar van eiser en hem een dwangsom van € 1260,- toegekend wegens overschrijding van de wettelijke beslistermijn. Nu verweerder alsnog heeft beslist op het bezwaar en over de hoogte van de toegekende dwangsom geen discussie bestaat, heeft eiser geen belang meer bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren.

2. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het door eiser ingestelde beroep mede betrekking op het bestreden besluit.

3. Eiser is geboren op [datum] en is sinds juli 1999 werkzaam in de functie van helikoptervlieger, thans bij de Afdeling Luchtvaart van de Landelijke Eenheid.

4.1

Op grond van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Stb. 2012, 328; Wet VAP) en de Wet van 4 juni 2015 (Stb. 2015, 218) wordt de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft voor eiser onder andere tot gevolg dat hij niet vanaf 65-jarige leeftijd recht heeft op een AOW-uitkering, maar pas vanaf de voor hem geldende verhoogde AOW-leeftijd.

4.2

In artikel 88a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), zoals de tekst luidt vanaf 1 juli 2016, is bepaald dat aan de ambtenaar met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd bereikt waarop hij maximaal tien jaar jonger is dan [de] op dat moment voor betrokkene van toepassing zijn AOW-gerechtigde leeftijd, eervol ontslag wordt verleend, indien hij:

a. op 31 december 2006 de functie van vlieger bij de landelijke eenheid had;

b. vanaf 1 januari 2007 de functie van vlieger bij de landelijke eenheid heeft;

c. tenminste tien jaar voorafgaand tot aan het ontslag ononderbroken de functie van vlieger bij de landelijke eenheid heeft; en

d. op grond van artikel B3, eerste en tweede lid, van het AFUP-opbouwreglement, zoals dat luidde op 31 december 2005, deelnemer was aan de AFUP.

In artikel 88a, vijfde lid, van het Barp is bepaald dat de ambtenaar aan wie op grond van het eerste of derde lid ontslag is verleend, recht heeft op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.
Deze regels zijn uitgewerkt in de Regeling ontslaguitkering vliegers Landelijke eenheid (Regeling).

4.3

In artikel 2, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat de betrokkene recht heeft op een uitkering met ingang van de dag van zijn ontslag.

In artikel 2, tweede lid, van de Regeling is bepaald dat het bevoegd gezag beslist over de toekenning van de uitkering op aanvraag door de betrokkene.

In artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling is bepaald dat het recht op de uitkering eindigt met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

5. Gelet op de wijziging van artikel 88a, eerste lid, van het Barp is het met ingang van 1 juli 2016 voor politievliegers niet langer mogelijk op 55-jarige leeftijd met ontslag te gaan onder toekenning van een ontslaguitkering. In juni 2015 is tussen de werkgever en de politiebonden een uitvoeringsakkoord gesloten waarin maatwerkafspraken zijn gemaakt. Deze afspraken roepen voor een zeer beperkte groep politieambtenaren, namelijk 11 vliegers, rechtsgevolgen in het leven. Ter zitting is toegelicht dat deze afspraken niet in een beleidsregel zijn opgenomen maar in individuele brieven, in het geval van eiser de brief van 15 september 2016. Op grond hiervan kan eiser vanaf 55-jarige leeftijd om ontslag verzoeken en vervolgens maximaal tien jaar een ontslaguitkering ontvangen. Het AOW-gat compenseert de werkgever niet. De in de aan eiser gerichte brief van 15 september 2016 wijzigt zijn rechtspositie ten opzichte van de rechtspositie die volgt uit de tekst van het gewijzigde artikel 88a van het Barp. Om die reden is deze brief naar het oordeel van de rechtbank een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en anders een handeling in de zin van artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

6. Eiser betoogt dat artikel 88a van het Barp onverbindend is en doet een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

6.1

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de wijziging van artikel 88a, eerste lid, van het Barp in strijd is met hoger recht of anderszins onrechtmatig is. De rechtbank stelt voorop dat de door eiser ingeroepen beginselen niet zo ver strekken dat in de toekomst te realiseren aanspraken, en dus voorafgaand aan het daadwerkelijk intreden van die aanspraken, nooit verandering mag worden gebracht. Met de wijziging wordt aan de afspraken uit 2007 naar het oordeel van de rechtbank niet ontoelaatbaar afbreuk gedaan. Zowel in de oude als de nieuwe situatie bestaat na ontslag recht op een uitkering van maximaal tien jaar. Uit de regelgeving noch uit de andere stukken kan worden afgeleid dan wel de verwachting worden ontleend dat in het geval van verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd de uitkeringsduur van maximaal tien jaar zou worden verlengd. Daarbij is van belang dat de AOW-gerechtigde leeftijd voor een ieder is verhoogd en dat in beginsel van iedere ingezetene van Nederland die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet had bereikt toen de Wet VAP in werking trad een bijdrage wordt gevraagd aan het betaalbaar houden van de AOW-uitkering. Niet kan worden gezegd dat de uit deze keuze van de formele wetgever voortvloeiende wijziging van het Barp dermate onredelijk is dat de besluitgever daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen.

6.2

Voorts heeft eiser niet aangetoond dat het vanwege de belastbaarheid vanuit medisch en functioneel oogpunt nog steeds noodzakelijk is om met 55 jaar met ontslag te gaan. De stukken waarnaar eiser heeft verwezen dateren uit 1989 en 1991 en zien – net als de brief van [naam 2] – op het oude type helikopter waarmee de politie vloog. Eiser heeft niet in het oude type helikopter gevlogen, maar vliegt met het nieuwe type (Airbus EC135). Verweerder betwist niet dat ook het vliegen in de nieuwe helikopter belastend kan zijn, maar de trillingen van dit type helikopter zijn volgens verweerder duidelijk minder belastend. Ook de vliegtechnische risico’s zijn volgens verweerder beperkter, omdat de techniek in de moderne helikopters is verbeterd. De vlieger heeft de mogelijkheid om, mits medisch goedgekeurd, na zijn 55ste levensjaar door te vliegen. 60 jaar is wel een absolute leeftijdsgrens voor de vliegers. De rechtbank stelt vast dat eiser de juistheid van deze redenering van verweerder niet gemotiveerd heeft betwist. Gelet op het voorgaande hoefde de besluitgever, anders dan eiser stelt, geen nader onderzoek te doen naar de belasting van politievliegers alvorens artikel 88a van het Barp te wijzigen. De rechtbank herinnert er in dit verband aan dat zij de rechtmatigheid van de wijziging van het Barp en de zorgvuldigheid van de voorbereiding van deze wijziging slechts terughoudend kan toetsen.

6.3

De stelling van eiser dat het niet meer mogelijk zou zijn voorzieningen voor zijn pensioen te treffen is niet onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de besluitgever bij de wijziging van artikel 88a van het Barp aannemen dat de groep politieambtenaren op wie deze wijziging betrekking heeft redelijkerwijs in staat is de financiële gevolgen daarvan te dragen.

Voor zover al van belang voor de beoordeling van de rechtmatigheid van deze wijziging van het Barp, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is. Het duurt nog zeven jaar voordat eiser 55 jaar wordt. Als eiser ervoor kiest op die leeftijd met ontslag te gaan, krijgt hij gedurende tien jaar een uitkering. Volgens de huidige berekening ligt voor eiser naar verwachting de AOW-gerechtigde leeftijd tussen minimaal 67 jaar en drie maanden en 68 jaar en negen maanden. Het wordt niet onmogelijk geacht om in deze periode van in totaal zeventien jaar een acceptabele pensioenvoorziening te realiseren om het AOW-gat tussen de twee en vier jaar te overbruggen. Bovendien heeft eiser naar hij niet betwist ook de keuze om langer door te werken en op deze wijze te voorkomen dat hij met een AOW-gat en inkomensverlies wordt geconfronteerd. De situatie van eiser is vergelijkbaar met die van andere werknemers in loondienst die zijn geboren in of na het jaar 1948 en die worden geconfronteerd met een hogere AOW-leeftijd. Van al deze werknemers wordt verwacht dat zij zelf financiële maatregelen treffen als zij ervoor kiezen om op 65-jarige leeftijd te stoppen met werken. Dat eiser in 2007 afstand heeft moeten doen van de levensloopregeling om het uittreden op de leeftijd 55 jaar mogelijk te maken, heeft verweerder gemotiveerd weersproken en leidt bezien in het licht van het voorgaande hoe dan ook niet tot een andere conclusie.

6.4

Het betoog dat de wijziging van artikel 88 van het Barp in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat sprake is van leeftijdsdiscriminatie slaagt niet. De groep vliegers die door de werkgever wel volledig gecompenseerd wordt, is al voor de wijziging van artikel 88a Barp per 1 juli 2016 met ontslag gegaan. Deze vliegers konden geen voorzieningen meer treffen om het AOW-gat op te vangen. Eiser daarentegen heeft de keuze om vanaf 55-jarige leeftijd met ontslag te gaan of langer door te werken. Geen enkele politievlieger heeft een ontslaguitkering ontvangen die langer is dan tien jaar. In de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep waarnaar eiser heeft verwezen, gaat het om defensiemedewerkers voor wie andere rechtspositieregelingen gelden dan voor politiemedewerkers. Bovendien waren deze defensiemedewerkers al met ontslag en ontvingen zij een wachtgelduitkering toen de AOW-gerechtigde leeftijd omhoog ging. Vanuit die situatie zijn zij (uiteindelijk) financieel gecompenseerd voor het AOW-gat. Hun situatie is meer vergelijkbaar met die van de politievliegers aan wie al ontslag was verleend dan met de groep vliegers waartoe eiser behoort.

6.5

Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat artikel 88a, eerste lid, van het Barp niet als onverbindend dient te worden aangemerkt.

7. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 15 september 2016 van verweerder geen grondslag vindt in enig wettelijk voorschrift. Daarmee heeft dit besluit het karakter van toepassing van buitenwettelijk begunstigend beleid. Verweerder heeft hiermee eiser de mogelijkheid geboden om in afwijking van artikel 88a van het Barp met 55 jaar met ontslag te gaan met behoud van een ontslaguitkering voor maximaal tien jaar. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1) dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en is de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast. De bestuursrechter kan niet treden in de vraag of het beleid redelijk is. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het beleid niet consistent heeft toegepast. Wat eiser verder aanvoert tegen het besluit van 15 september 2016 en de handhaving daarvan bij het bestreden besluit kan dan ook niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

8. Het beroep tegen het besluit van 26 april 2018 is ongegrond.

9. Nu verweerder erkent dat hij niet tijdig op het bezwaar heeft beslist en het beroep aanvankelijk daartegen was gericht, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 250,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 0,5). Voor het overige bestaat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 26 april 2018 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 250,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. M. Munsterman en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 december 2018.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.