Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10271

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-12-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
10/731055-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Boston. De verdachte is advocaat als hij in contact komt met een undercover politieagent. Hij brengt de verdachte in contact met een handelaar in softdrugs (twee pseudokopen, 6 kilo hennep) en handelaars in wapens (drie pseudokopen, 4 vuurwapens). De verdediging voert een niet-ontvankelijkheidsverweer wegens schending van het Tallon-criterium, en schending van zowel de proportionaliteit als de subsidiariteit bij de inzet van pseudokoop. Door dit alles heeft de verdachte geen eerlijke proces gehad zoals genoemd in artikel 6 EVRM. Het verweer wordt in volle omvang verworpen. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/731055-17

Datum uitspraak:17 december 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

verblijvende op het adres:

[verblijfadres verdachte] , [verblijfplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting (met ingang van 23 november 2018) preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21, 23 en 26 november 2018. Het onderzoek is gesloten op 17 december 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.I.M.M. Gudde heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. De rechtbank begrijpt de raadsvrouw zo dat zij daaraan onder meer ten grondslag legt dat het Tallon-criterium is geschonden. De verdachte is door een opsporingsambtenaar uitgelokt om handelingen te verrichten waar zijn opzet niet al op gericht was. Die gestelde uitlokking levert volgens de raadsvrouw tevens strijd met artikel 6 EVRM op. Daarnaast stelt de verdediging dat in het vooronderzoek met grove veronachtzaming inbreuk is gemaakt op de belangen van de verdachte waardoor aan zijn recht op een eerlijk proces – zoals genoemd in artikel 6 EVRM – tekort is gedaan. Dit levert volgens de raadsvrouw een onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 359a Sv. Zij stelt tot slot, dat sprake is van schending van artikel 6 jo. 8 EVRM vanwege het tappen van gesprekken tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] , terwijl de verdachte zijn vaste advocaat was.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat voornoemde omstandigheden tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering dienen te leiden.

4.2.

Beoordeling

Vaststaande feiten

Onderzoek Boston is in april 2016 gestart op de vermeende handel in vuurwapens door [naam medeverdachte 1] . Uit tapgesprekken en door het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) in de woning van [naam medeverdachte 1] bleek dat [naam verdachte] een vriendschappelijke band had met [naam medeverdachte 1] en met [naam medeverdachte 2] . Verschillende afgeluisterde gesprekken leken te gaan over (handel in) wapens en drugs.

Op 9 januari 2017 is door het Team Criminele Inlichting (TCI) een proces-verbaal verstrekt waarin stond dat [naam verdachte] criminele groeperingen faciliteert in het ontplooien van criminele activiteiten en dat hij handelt in meerdere soorten drugs.

[naam verdachte] is daarop aangemerkt als verdachte. Er is een proces-verbaal van verdenking opgesteld, gedateerd 21 februari 2017, waarin wordt gerelateerd waarom [naam verdachte] wordt verdacht van het overtreden van de Opiumwet.

Omdat de verdenking zeer serieus werd genomen, maar de ingezette opsporingsbevoegdheden tot dat moment een gering resultaat hadden opgeleverd, heeft de officier van justitie contact opgenomen met het team Werken Onder Dekmantel (hierna: WOD).

Er is een bevel stelselmatige informatie-inwinning afgegeven. Op 19 maart 2017 heeft de politieambtenaar bekend onder nummer [code ambtenaar] voor het eerst een ontmoeting gehad met verdachte [naam verdachte] op zijn kantoor. Hij heeft [naam verdachte] om advies gevraagd en gevraagd tegen welke problemen hij zou kunnen aanlopen als hij grote sommen geld naar Nederland zou brengen. Daarbij heeft hij zich ook laten adviseren op het gebied van opsporingsbevoegdheden van de Nederlandse politie, zoals het aftappen van telecommunicatie. Op 29 maart 2017 heeft er een tweede ontmoeting tussen hen plaatsgevonden, en op 19 april 2017 een derde. Tijdens die derde ontmoeting heeft [naam verdachte] voorgesteld om te investeren in goedkope appartementen om daar vervolgens wiet in te kweken.

Een dag later op 20 april 2017 heeft [naam verbalisant] medegedeeld dat zijn opdrachtgevers liever een eindproduct af zouden nemen. [naam verdachte] heeft toen aangegeven dat hij een Turk kent die tot 100 kilo wiet kan leveren.

Op 5 mei 2017 was er opnieuw een ontmoeting. [naam verbalisant] heeft geld laten zien aan [naam verdachte] en vertelde hem dat hij naar Eindhoven zou gaan om een kilo eindproduct te kopen. De verdachte heeft [naam verbalisant] daarop meegenomen naar [naam horecagelegenheid] in Breda, en bemiddeld in de aankoop van één kilo hennep. [naam verdachte] vroeg en kreeg daarvoor commissie.

De volgende ontmoeting vond plaats op 1 juni 2017. [naam verbalisant] vertelde de verdachte dat zijn opdrachtgevers tevreden waren over de aankoop van 5 mei 2017, en hij vertelde dat zij opnieuw een aankoop van vijf kilo hennep wensten. De verdachte vertelde [naam verbalisant] dat hij in het kader van hun samenwerking alles zou kunnen leveren, waaronder ook vuurwapens. De verdachte nam [naam verbalisant] aanvankelijk mee naar een nieuw contact, [naam] geheten, voor de aankoop van vijf kilo hennep. Uiteindelijk ging die deal niet door en nam de verdachte

[naam verbalisant] opnieuw mee naar [naam horecagelegenheid] . Daar werd een deal gesloten voor de aankoop van vijf kilo hennep die de volgende dag werd geëffectueerd. Ook voor deze aankoop heeft de verdachte commissie bedongen en ontvangen. Na die transactie spraken [naam verbalisant] en de verdachte opnieuw over wapens. Ze spraken af dat [naam verdachte] een bericht zou sturen naar [naam verbalisant] zodra hij iets had geregeld met betrekking tot een vuurwapen.

Op 28 juni 2017 ontmoetten [naam verbalisant] en de verdachte elkaar opnieuw. De verdachte nam

[naam verbalisant] mee naar het “café” van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] in St. Willebrord. [naam verbalisant] kocht daar een vuurwapen. Wederom heeft de verdachte commissie voor die koop ontvangen. Er volgden nog twee ontmoetingen op 6 en 18 juli 2017. De verdachte bracht

[naam verbalisant] tijdens die ontmoetingen opnieuw naar de woning in St. Willebrord, alwaar [naam verbalisant] nog drie vuurwapens kocht.

Juridisch kader niet-ontvankelijkheid OM

Van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. Er dient dan sprake te zijn van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek waarbij met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Daarvan is in het onderhavige geval sprake als de verdachte door [naam verbalisant] – voor wie politie en het Openbaar Ministerie verantwoordelijk zijn – gebracht is tot het begaan van strafbare feiten, waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet daarvoor niet al daarop was gericht, het zogenoemde Tallon-criterium. Dit criterium dient in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) te worden toegepast. Volgens die rechtspraak moet kort samengevat worden getoetst of er goede redenen waren om tot de inzet van het opsporingsmiddel over te gaan, waarbij het vooral van belang is of er voldoende objectieve, concrete en verifieerbare verdenkingen waren dat de verdachte zich bezig hield met criminele activiteiten dan wel een ‘predispositie’ had tot het plegen daarvan. Anders gezegd, van uitlokking kan sprake zijn als de verdachte zonder de inzet van de undercoveragent niet een soortgelijk delict zou hebben gepleegd.

Een tweede toets ziet op de wijze waarop de undercoveroperatie is uitgevoerd en dus ook op de wijze waarop de undercoveragent heeft geopereerd. Het enkele feit dat betrokkene nog geen begin had gemaakt met het concrete strafbare feit waar hij voor vervolgd wordt, maakt de operatie nog niet onrechtmatig. Het gaat om het vermoeden dat de verdachte bij herhaling strafbare feiten pleegt die soortgelijk zijn aan het feit waarvoor de operatie is opgezet. Als dat vermoeden objectief gesteund wordt, dan wordt vrij snel aangenomen dat de bemoeienis van de undercover meer ‘meedoen’ is dan dat deze het strafbare feit heeft ‘veroorzaakt’.

Ontoelaatbaar uitgelokt?

De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte ontoelaatbaar zou zijn uitgelokt omdat ten onrechte het WOD-traject is ingezet. Door het Openbaar Ministerie is genoegzaam onderbouwd waarom zij tot de inzet van WOD is gekomen. Door de bijzondere positie van de verdachte als advocaat en de moeilijkheden die dat meebracht bij het afluisteren van zijn telefoons, acht de rechtbank de inzet van WOD niet disproportioneel. Daarbij was er naar het oordeel van de rechtbank voldoende verdenking ten aanzien van de verdachte voorafgaand aan de inzet van WOD.

Die verdenking bleek reeds uit het proces-verbaal van verdenking van 21 februari 2017. Maar ook uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] (pagina’s E00519-E00523 van de doorgenummerde bijlagen van het dossier), waarin OVC-gesprekken tussen de verdachte [naam medeverdachte 1] en [naam vriendin] (de vriendin van [naam medeverdachte 1] ) zijn uitgewerkt, blijkt dat de verdachte ruim voor de eerste inzet, namelijk al in september en oktober 2016, zich bezighield met strafbare feiten. Hij spreekt daar over stekken en – naar het zich laat aanzien – over vuurwapens, op een wijze die absoluut niet past binnen een normale relatie tussen een advocaat en cliënt.

Met betrekking tot de wijze van uitvoering van het bevel overweegt de rechtbank dat

[naam verbalisant] op momenten sturend is geweest in de onderwerpen van gesprek, maar dat uit de verslaglegging van [naam verbalisant] blijkt dat het de verdachte is geweest die softdrugs en wapens als eerste ter sprake heeft gebracht en concrete voorstellen heeft gedaan. Sterker nog, de verdachte heeft er meerdere malen bij [naam verbalisant] op aangedrongen om na alle gesprekken tot daden te komen. De verdachte deed dat onder andere op 5 mei 2017 voordat de eerste pseudokoop plaatsvond.

De rechtbank acht het voorts van belang dat de verdachte bij de uitgebreide bespreking van de verslaglegging van [naam verbalisant] geen bevindingen heeft ontkend.

Met betrekking tot de duur van de inzet overweegt de rechtbank dat het aantal contactmomenten of –uren relatief beperkt is geweest. Inherent aan een pseudokoop is dat er een vertrouwensrelatie wordt opgebouwd, en dat kost tijd. Maar gedurende die periode hadden [naam verbalisant] en de verdachte niet dagelijks contact. In die periode had de verdachte voldoende gelegenheid om zich terug te trekken of tot inkeer te komen.

Ten aanzien van het aantal pseudokopen dat heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank anders dan de raadsvrouw heeft bepleit dat herhaalde toepassing van de bevoegdheid niet per definitie rechtens ontoelaatbaar is. De herhaalde toepassing is hier gerechtvaardigd omdat het onderzoek naar de verdachte mede is gebaseerd op TCI-informatie waarin stond dat de verdachte criminele groeperingen (meervoud) zou faciliteren. Uit het dossier blijkt ook dat het voor [naam verbalisant] niet steeds vooraf duidelijk was waar de verdachte hem mee naartoe zou nemen. Zo heeft [naam verbalisant] ook “ [naam] ” ontmoet die hennep zou kunnen leveren, een man uit Antwerpen die MDMA zou kunnen leveren en heeft de verdachte geld aangenomen van [naam verbalisant] voor een vuurwapen van het merk CZ dat de verdachte in Rotterdam zou regelen. De op de eerste pseudokoop volgende pseudokopen vormden een logische voortzetting van het opsporingsonderzoek naar de verschillende criminele groeperingen zoals omschreven in de verschillende bevelen 126i Sv. Gelet op het voorgaande en gelet op de aard en ernst van de verdenkingen is naar het oordeel van de rechtbank dan ook op een redelijke en niet buitensporige wijze gebruik gemaakt van het WOD-traject.

Gelet op het voorgaande is van ontoelaatbare uitlokking, begaan als onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a Sv geen sprake.

De verdediging heeft eveneens aangevoerd dat de uitlokking van de verdachte

in strijd is met art. 6 EVRM .

Dit verweer wordt eveneens door de rechtbank verworpen. Ook uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de inzet van infiltranten toelaatbaar is indien de betrokkene zich inlaat met criminele activiteiten of indien zijn opzet reeds tevoren op het plegen van een misdrijf was gericht.

Geheimhoudersgesprekken getapt?

De verdediging heeft aangevoerd – zo begrijpt de rechtbank – dat sprake is van schending van de artikelen 6 en 8 EVRM doordat informatie uit (tap)gesprekken tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] als cliënt van de verdachte, is gebruikt in de afweging tot het inzetten van het WOD-traject. Dit verweer mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag omdat de deken van de Orde van Advocaten, aan wie die gesprekken steeds zijn voorgelegd, heeft geconstateerd dat dit geen geheimhoudersgesprekken betroffen. Ook dit verweer kan niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden.

Verwerking tapgesprekken in het dossier

Voorts is aangevoerd dat de transcripties van de tapgesprekken die in het dossier zijn opgenomen een vertekend beeld geven van de werkelijkheid. Door slechts enkele passages uit de gesprekken op te nemen in het dossier ontbreekt de context waardoor een vertekend en onnodig belastend beeld van de verdachte wordt geschetst. Hiermee wordt een ernstige inbreuk gemaakt op de artikelen 6 en 8 van het EVRM, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank merkt dit verweer aan als onvoldoende onderbouwd en overweegt dat zij de verdediging na de zitting van 9 april 2018 in de gelegenheid heeft gesteld om – na het beluisteren van de verstrekte volledige gesprekken – gemotiveerd aan te geven welke delen van die gesprekken aan het dossier toegevoegd zouden moeten worden. De rechtbank heeft op dat punt niet van de verdediging vernomen.

4.3.

Conclusie

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen zal het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie worden verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering

5.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft allereerst aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde nu door de onherstelbare vormfouten in het voorbereidend onderzoek zoals hierboven bij de vraag naar de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is aangevoerd, het bewijs onrechtmatig is verkregen en daarom moet worden uitgesloten. Subsidiair is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte de feiten in vereniging heeft gepleegd. Hij heeft niet nauw en bewust samengewerkt met [naam medeverdachte 4] en de verkopers [naam medeverdachte 2 en medeverdachte 3] . Hij was slechts de persoon die [naam verbalisant] met de genoemde verkopers in contact bracht terwijl daar een schamele commissie tegenover stond.

5.1.2.

Beoordeling

Nu naar het oordeel van de rechtbank er geen sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen in de zin van het bepaalde in art. 359a Sv., bestaat op die grond evenmin aanleiding voor de uitsluiting van bewijsmiddelen. Het primaire verweer wordt daarom verworpen.

De rechtbank volgt de raadsvrouw evenmin in haar verweer ten aanzien van het bewijs van medeplegen. Uit het dossier blijkt dat de verdachte [naam verbalisant] in contact heeft gebracht met zowel [naam medeverdachte 4] als met vader en zoon [naam medeverdachte 2 en medeverdachte 3] . Zijn rol is daartoe evenwel niet beperkt gebleven. De verdachte bracht [naam verbalisant] steeds naar voornoemde verkopers toe, drong bij hem aan op daden, was aanwezig bij alle deals en voorafgaande contacten, nam geld aan om voor de verdachte elders een wapenaankoop te doen, fungeerde als tolk en hij bedong en ontving commissie. Ten aanzien van de wapens geldt dat de verdachte voorafgaand aan de daadwerkelijke deals contact of overleg moet hebben gehad met [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] omdat hij op de hoogte was van de prijzen en de voorraad op dat moment. De mondelinge overeenkomst kwam in feite via hem tot stand. De rechtbank is op grond van voornoemde omstandigheden van oordeel dat sprake was van de voor medeplegen vereiste de nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte heeft daarbij steeds een cruciale rol gespeeld. Zonder de verdachte waren de deals immers niet tot stand gekomen.

5.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte beide feiten in vereniging heeft gepleegd.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op meer tijdstippen in de periode van 5 mei 2017 tot en met 2 juni 2017 te Breda, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) opzettelijk heeft verkocht , circa een kilo en circa 5 kilo hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op meer tijdstippen in de periode van 28 juni 2017 tot en met 18 juli 2017 te Sint Willebrord, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, wapens van categorie III, te weten

- een vuurwapen (centraalvuur pistool, merk Walther, model P38, kaliber 9 mm) en

- een vuurwapen (centraalvuur pistool, merk FN, kaliber 6.35 mm, type 1906 Baby FN) en

- een vuurwapen (centraalvuur pistool, merk Walther, kaliber 7.65 mm (.32)) en

- een vuurwapen (centraalvuur pistool, merk CZ, model 100, kaliber 9 mm Luger)

en munitie van categorie III, te weten

- 25 centraalvuur patronen (kaliber 9 mm Luger) en

- 25 centraalvuur patronen (kaliber 9 mm Luger (.38) en

- 15 centraalvuur patronen (kaliber 7.65 mm (.32) en

- 10 centraalvuur patronen (kaliber 6.35 mm Br. (.25) en

- 15 centraalvuur patronen (kaliber 6.35 mm Br. (.25) en

- 10 centraalvuur patronen (kaliber 7.65 mm (.32)

heeft overgedragen aan [naam verbalisant] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

2.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft opgetreden als makelaar in de onderwereld door samen met medeverdachte [naam medeverdachte 4] hennep te verkopen en samen met vader en zoon [naam medeverdachte 2 en medeverdachte 3] vuurwapens en munitie te verkopen. Uit de taps en verslagen van de undercover agent blijkt bovendien dat de verdachte dit ogenschijnlijk met het grootste gemak deed. Dit terwijl de verdachte als advocaat een bijzondere positie in het rechtssysteem had. Die positie heeft hij misbruikt. Door de bescherming die hij als advocaat genoot kon hij immers gebruik maken van een telefoonnummer dat niet zomaar kon worden getapt. Daarnaast kon hij gebruik maken van zijn kennis over onder meer opsporingsmethodes en had hij vanuit zijn clientèle beschikking over een crimineel netwerk. Daarbij kon hij op basis van het in hem gestelde vertrouwen redelijk beschermd zijn gang gaan. Het moge duidelijk zijn dat het verschoningsrecht en andere privileges die een advocaat geniet, nooit een dekmantel mogen bieden voor het plegen van strafbare feiten. Door het handelen van de verdachte is het vertrouwen in de advocatuur, welke essentieel is voor een goed werkende rechtstaat, geschaad. Ondermijnende criminaliteit waarbij vermenging van de boven en de onderwereld plaatsvindt is een ernstig probleem waarbij het vertrouwen van de samenleving wordt aangetast. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij daaraan heeft bijgedragen.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 oktober 2017 en 29 december 2017, en een voortgangsverslag gedateerd 6 november 2018. De rapporten houden – onder meer en voor zover van belang – het volgende in.

Een alcoholverslaving, drugsgebruik en financiële problemen hebben ten grondslag gelegen aan het delictgedrag van de verdachte. De problemen groeiden hem boven het hoofd en hij overzag de situatie niet meer. Het sociale netwerk van de verdachte is een risicofactor vanwege het middelengebruik en de criminele activiteiten waar zij zich mee bezighouden. Behandeling gericht op zijn verslavingsproblematiek is noodzakelijk. De verdachte is zeer ontvankelijk voor hulp en zegt overal aan mee te willen werken. Zijn houding is een beschermende factor ten aanzien van recidive, maar toch wordt het recidiverisico ingeschat als hoog-gemiddeld. De verdachte heeft zich gedurende het schorsingstoezicht aan alle gestelde voorwaarden gehouden.

De rechtbank heeft acht geslagen op de informatie van de reclassering.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, aangevuld met een fors voorwaardelijk strafdeel. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding gelet op de ernst van de feiten.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de verdachte te verplichten zich te houden aan een contactverbod met de medeverdachten. In het rapport van 29 december 2017 schrijft de reclassering dat een klinische opname niet geïndiceerd lijkt. De rechtbank zal daarom ook die voorwaarde niet aan de verdachte opleggen.

De rechtbank ziet aanleiding – gelet op de alcohol- en drugsverslaving van de verdachte – om een groter deel van de straf voorwaardelijk op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist als stok achter de deur voor de naleving van de aan het voorwaardelijk strafdeel te stellen voorwaarden. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9 In beslag genomen voorwerpen

Aan dit vonnis is als bijlage een lijst gehecht van de in beslag genomen voorwerpen, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag terug te geven aan de verdachte.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

9.3.

Beoordeling

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt dan wel tijdens die proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van Novadic-Kentron of soortgelijke ambulante forensische zorg voor zijn verslavingsproblematiek, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaar/instelling verantwoord vindt;

3. de veroordeelde zal zich onthouden van het gebruik van verdovende middelen/alcohol, onder de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 1 (€ 275,-).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, voorzitter,

en mrs. B.E. Dijkers en A.A. Kalk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 mei 2017 tot en met 2 juni 2017 te Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of geleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, circa een kilo en/of circa 5 kilo hennep en/of hennepplanten en/of delen daarvan, althans een hoeveelheid hennep en/of hennepplanten en/of delen daarvan in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 28 juni 2017 tot en met 18 juli 2017 te Sint Willebrord, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten

- een vuurwapen (centraalvuur pistool, merk Walther, model P38, kaliber 9 mm) en/of

- een vuurwapen (centraalvuur pistool, merk FN, kaliber 6.35 mm, type 1906 Baby FN) en/of

- een vuurwapen (centraalvuur pistool, merk Walther, kaliber 7.65 mm (.32)) en/of

- een vuurwapen (centraalvuur pistool, merk CZ, model 100, kaliber 9 mm Luger)

en/of munitie van categorie III, te weten

- 25 centraalvuur patronen (kaliber 9 mm Luger) en/of

- 25 centraalvuur patronen (kaliber 9 mm Luger (.38) en/of

- 15 centraalvuur patronen (kaliber 7.65 mm (.32) en/of

- 10 centraalvuur patronen (kaliber 6.35 mm Br. (.25) en/of

- 15 centraalvuur patronen (kaliber 6.35 mm Br. (.25) en/of

- 10 centraalvuur patronen (kaliber 7.65 mm (.32)

heeft/hebben overgedragen aan [naam verbalisant] .