Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10265

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-12-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
10/112779-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersruzie. De verdachte heeft met een fors hakmes meermalen uitgehaald in de richting van het hoofd en de hals van het slachtoffer. Veroordeling wegens poging tot doodslag. Geen voorwaardelijk opzet maar gewoon/bloot opzet. Beroep op psychische overmacht afgewezen. Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij wegens onevenredige belasting van het strafgeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/112779-18

Datum uitspraak: 13 december 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 november 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A. Ekiz heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair (poging doodslag) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting bij een forensische polikliniek.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op basis van het dossier, de verklaring van de verdachte ter zitting en de door de rechtbank waargenomen camerabeelden ter zitting heeft de rechtbank het navolgende vastgesteld.

Op 8 juni 2018 omstreeks 22.00 uur reed de verdachte in zijn auto over de Schiedamseweg te Rotterdam. Naast hem zat zijn vriendin, getuige [naam medeverdachte] . Bij een voetgangersoversteekplaats kwam het bijna tot een aanrijding tussen de verdachte en [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer]) .

Na enige discussie tussen [naam medeverdachte] en [naam slachtoffer] trok de verdachte even op, stopte weer, waarna [naam slachtoffer] voor de auto langs naar de bestuurderszijde van de auto is toegelopen. De verdachte was inmiddels uit de auto gestapt, keek naar [naam slachtoffer] en wachtte hem achter het half geopende portier van de auto op. [naam slachtoffer] had op dat moment zijn vuisten gebald en liep zo in de richting van de verdachte. Toen [naam slachtoffer] naar de verdachte liep vond er weer een woordenwisseling plaats.

Op het moment dat [naam slachtoffer] nog wat dichterbij was gekomen, haalde de verdachte plotseling met zijn linkerarm uit naar het gezicht van [naam slachtoffer] . [naam slachtoffer] sloeg daarop terug. Meteen daarna hief de verdachte zijn rechterarm, die hij tot dan toe achter het portier langs zijn lichaam naar beneden had laten hangen, boven zijn hoofd en sloeg met kracht in de richting van het hoofd en de hals van [naam slachtoffer] . Daarbij had de verdachte een voorwerp, wat later een hakmes bleek, in zijn hand. [naam slachtoffer] weerde dit mes met zijn linkerarm af. De verdachte sloeg nog een aantal malen op dezelfde manier naar [naam slachtoffer] . Vervolgens sloeg of stompte [naam slachtoffer] de verdachte waardoor deze terug op zijn stoel in zijn auto viel. Een omstander kwam tussenbeide en duwde [naam slachtoffer] weg van de auto. Op dat moment stapte [naam medeverdachte] aan de andere zijde van

de auto uit, liep met flinke pas achter de auto langs naar [naam slachtoffer] en viel hem aan. De verdachte kwam toen opnieuw uit zijn auto en rende, met in zijn rechterhand nog steeds het hakmes boven zijn hoofd geheven in de richting van [naam slachtoffer] en [naam medeverdachte] . De omstander, die eerder nog wel geprobeerd had tussenbeide te komen, deed daarvoor een stap opzij en liet de verdachte passeren. De verdachte sprong in de richting van [naam slachtoffer] , die op dat moment door [naam medeverdachte] belaagd werd, en sloeg met het hakmes in zijn hand meermalen bovenhands en met kracht naar het hoofd en de hals van [naam slachtoffer] . Ten slotte liepen de verdachte en [naam medeverdachte] weer terug naar de auto, stapten in en reden weg.

4.1.1

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door dit handelen de aanmerkelijke kans op de dood van [naam slachtoffer] op de koop toe heeft genomen. Daardoor is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [naam slachtoffer] en kan de primair ten laste gelegde poging doodslag bewezen worden verklaard.

4.1.2

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte onder druk van de dreiging die uitging van [naam slachtoffer] , enkel die dreiging heeft willen afwenden door met een mes [naam slachtoffer] op afstand te houden, waarbij [naam slachtoffer] gewond is geraakt. De verdachte had daarbij niet de (voorwaardelijke) opzet op de dood van [naam slachtoffer] noch op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [naam slachtoffer] .

4.1.3

Beoordeling

De verdachte heeft meermalen bovenhands en met kracht met een groot hakmes met een lemmet van ongeveer vijfentwintig centimeter geslagen in de richting van het hoofd en hals van [naam slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat die handelwijze naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer geschikt is voor het doen overlijden van een slachtoffer en daarmee ook onmiskenbaar gericht is geweest op de dood, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat verdachtes opzet hierop ook gericht is geweest en hij het slachtoffer willens en wetens heeft willen doden.

De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [naam slachtoffer] van het leven te beroven.

4.2

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


hij op 8 juni 2018 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, met een mes, in
de richting van het hoofd en de hals
en de linkerarm van die [naam slachtoffer] heeft gestoken en gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting een beroep gedaan op psychische overmacht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [naam slachtoffer] tot driemaal toe de confrontatie met de verdachte heeft gezocht terwijl daar geen enkele aanleiding voor was. Door het onbegrijpelijke en agressieve gedrag van [naam slachtoffer] werd de verdachte tot zijn handelingen geprovoceerd. Aldus is sprake van een (door [naam slachtoffer] opgeroepen) van buiten komende drang om met dat hakmes te slaan, een drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon of hoefde bieden.

6.2

Beoordeling

De rechtbank heeft op de camerabeelden waargenomen dat [naam slachtoffer] op verschillende momenten verhaal probeerde te halen bij de verdachte. Of hij daarbij al van aanvang af agressief jegens de verdachte en [naam medeverdachte] was – zoals zij hebben verklaard – of dat het juist de verdachte en [naam medeverdachte] waren die zich agressief naar het slachtoffer opstelden – zoals [naam slachtoffer] heeft verklaard – of men zich over en weer agressief heeft uitgelaten, laat de rechtbank in het midden. Vaststaat dat [naam slachtoffer] op enig moment met gebalde vuisten en in gevechtshouding vlak voor de verdachte bij diens auto stond. Dat [naam slachtoffer] – zoals de verdachte heeft verklaard – hem toen eerst met iets scherps in de buik prikte, wordt door [naam slachtoffer] ontkend en is door de rechtbank op de camerabeelden ook niet waargenomen.

De rechtbank heeft voorts kunnen zien dat [naam slachtoffer] geen enkele aanvallende beweging met zijn armen of vuisten in de richting van verdachte heeft gemaakt en het juist de verdachte was die [naam slachtoffer] als eerste heeft geslagen. Daarbij ziet de rechtbank bovendien dat de verdachte direct al bij de eerste slagen naar het slachtoffer, een langwerpig voorwerp in zijn hand heeft, een voorwerp met een glinstering als van metaal.

Anders dan de verdachte nog bij de politie heeft aangevoerd, is niet te zien dat de verdachte dit voorwerp op enig moment in de loop van de vechtpartij uit het zijvak van de auto zou hebben gepakt.

Uit de beelden leidt de rechtbank dan ook af dat de verdachte het hakmes al in zijn hand moet hebben gehad kort voordat of op het moment dat [naam slachtoffer] hem in gevechtshouding is genaderd. Omdat [naam slachtoffer] verder geen aanstalten maakte om de verdachte werkelijk te lijf te gaan acht de rechtbank evenwel niet aannemelijk geworden dat toen sprake zou zijn geweest van een zodanige van buiten komende drang, dat de verdachte daaraan redelijkerwijze geen weerstaand kon of hoefde te bieden. Dat [naam slachtoffer] daarvoor al verbaal verhaal had proberen te halen en/of de verdachte in het verleden eerder geconfronteerd is geweest met fysiek geweld, maakt dit niet anders.

Nadat [naam slachtoffer] de verdachte in zijn auto had teruggeduwd is hij door een omstander weggeduwd.

Het feit dat [naam medeverdachte] op haar beurt ook [naam slachtoffer] is aangevlogen, levert evenmin voor de verdachte een situatie op, waarin hem een beroep op psychische overmacht toekomt. Het beroep op psychische overmacht wordt afgewezen.

6.3

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft naar aanleiding van een simpele verkeersruzie meermalen met kracht op [naam slachtoffer] met een hakmes ingehakt. Hierbij richtte de verdachte zich steeds op het hoofd en de hals van [naam slachtoffer] en ging als een dolle tekeer. [naam slachtoffer] heeft de uithalen van de verdachte af kunnen weren met zijn arm, waardoor

zijn hoofd en hals niet of nauwelijks zijn geraakt en een potentieel dodelijke afloop is voorkomen.

Dat het niet erger is afgelopen is dus niet aan de verdachte te danken.

[naam slachtoffer] heeft hierdoor diverse snijverwondingen opgelopen aan zijn arm en hand waarvoor hij in het ziekenhuis moest worden behandeld.

De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [naam slachtoffer] .

De raadsvrouw van [naam slachtoffer] heeft ter terechtzitting namens [naam slachtoffer] verklaard dat hij nog dagelijks de gevolgen ondervindt van deze uit de hand gelopen verkeersruzie, zowel fysiek als psychisch.

Dit soort excessief geweld veroorzaakt bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Zeker omdat er vele omstanders getuige waren van het incident, aangezien het plaatsvond op een druk kruispunt. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

7.3

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 augustus 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De laatste veroordeling voor een geweldsincident vond tien jaar geleden plaats.

7.3.2

Rapportage Reclassering Nederland

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 november 2018. Dit rapport houdt – onder meer – het volgende in. De verdachte kent een geschiedenis met meerdere justitiële antecedenten op verschillende gebieden. In 2010 is hij voor het laatst voor een geweldsdelict veroordeeld tot een geldboete. De sociaal-maatschappelijke situatie van de verdachte kent een aantal stabiele factoren. De verdachte beschikt over een eigen huis, een inkomen, heeft een relatie en er zou sprake zijn van een goed contact met zijn kinderen en kleinkinderen. Mits de verdachte daaraan wil meewerken, acht de reclassering bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf geïndiceerd. De reclassering adviseert een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting bij een forensische polikliniek voor het aanleren van vaardigheden met als doel dat escalerende conflictsituaties in de toekomst voorkomen kunnen worden.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De verdediging heeft verzocht om bij oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf de duur hiervan te beperken tot de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De verdediging stelt zich daarnaast op het standpunt dat vanwege de medeschuld van het slachtoffer aan het incident de straf gematigd dient te worden. De rechtbank is echter van oordeel dat niet volstaan kan worden met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor zover [naam slachtoffer] al medeschuld zou hebben gehad aan het incident door verbaal verhaal te halen bij de verdachte, acht de rechtbank dat in geen enkele verhouding staan tot de gewelddadige handelwijze van de verdachte zodat de rechtbank daar geen aanleiding in ziet om de voorgenomen straf om die reden te matigen.

Omdat de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden geïndiceerd acht en de verdachte ter zitting heeft verklaard daar aan mee te willen werken, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer] . De benadeelde partij vordert

€ 34.605,38 aan materiële schade en een vergoeding van € 7.500,- aan immateriële schade met veroordeling in de kosten van rechtsbijstand.

8.1

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de gevorderde materiële schade, omdat de beoordeling van dit deel van de schadevergoeding dermate complex is dat dit een onevenredige belasting van het strafproces op zou leveren.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat een vergoeding van € 5.000,- redelijk zou zijn. De officier van justitie baseert zich daarbij op de letsellijst schadefonds geweldsmisdrijven waarbij zij de schade indeelt in categorie 3 van deze lijst.

8.2

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht primair de vordering volledig af te wijzen en subsidiair om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

8.3

Beoordeling

De benadeelde partij vordert aanzienlijke bedragen voor zowel geleden materiële als immateriële schade. Zo heeft hij daags na het gebeuren een vervanger voor zijn functie in dienst genomen. Onduidelijk is echter gebleven in hoeverre het letsel van de benadeelde partij het uitoefenen van zijn functie heeft belet. Blijkens de toelichting ter terechtzitting van de raadsman van de benadeelde partij is bovendien nog geen eindtoestand van het letsel bereikt, de benadeelde partij is nog steeds onder behandeling, zodat de aard en de omvang van de schade nog niet eenduidig kan worden vastgesteld. Mede daardoor is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarden overtreedt dan wel tijdens die proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als de reclassering dit noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaar(s) verantwoord vindt, onder ambulante behandeling stellen van een door de reclassering te bepalen forensische polikliniek;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.W.J. van Elsdingen, voorzitter,

en mrs. C.G. van de Grampel en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Kokken, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 december 2018

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.
(primair)
hij op of omstreeks 8 juni 2018 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[naam slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven,
meermalen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in
en/of in de richting van het hoofd en/of de hals en/of het bovenlichaam
en/of de linkerarm van die [naam slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 juni 2018 te Rotterdam
aan [naam slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe wonden (tot op het bot) met schade
aan spieren en/of pezen, heeft toegebracht door
meermalen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de
linkerarm en/of linkerhand van die [naam slachtoffer] te steken en/of te snijden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 juni 2018 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [naam slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
meermalen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in
en/of in de richting van het hoofd en/of de hals en/of het bovenlichaam
en/of de linkerarm van die [naam slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;