Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10188

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-12-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
ROT 18/1307
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting horeca-inrichting na geweldsincident op de openbare weg voor de club. Vraag of sprake is van een incident dat zich 'vanuit de inrichting' heeft voorgedaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De burgemeester was niet bevoegd om na de spoedsluiting van twee weken over te gaan tot (verdere) sluiting van de club. Het primaire besluit wordt herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2019/3080
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/1307

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , eiser,

[naam] , te [plaats] , eiseres,

hierna tezamen aangeduid als eisers,

gemachtigde: mr. T.P. van der Eerden,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Rolle.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder horeca-inrichting [naam] , gevestigd aan [adres] te [plaats] , voor een periode van in totaal drie maanden gesloten op grond van artikel 2:30, eerste lid, sub b, in verbinding met artikel 2:28, zesde lid, sub a, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV). Dit is met inbegrip van de op 8 juli 2017 bevolen spoedsluiting voor de duur van 2 weken.

Bij besluit van 18 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard en het primaire besluit in zoverre herroepen dat [naam] tot en met 25 augustus 2017 gesloten blijft.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M. Tulmans. De behandeling van de zaak is ter zitting geschorst. Het onderzoek ter zitting is op 14 november 2018 voortgezet, waarbij degenen die ook op 25 september 2018 ter zitting aanwezig waren, wederom zijn verschenen.

Overwegingen

1.1.

Eiser is eigenaar en exploitant van eenmanszaak [naam] . Eiseres is exploitant van [naam] . Bij besluit van 17 december 2013 heeft verweerder aan eiser een exploitatievergunning verleend voor [naam] . Uit de politierapportage van 9 juli 2017 (politierapportage) volgt dat zich op 8 juli 2017 na sluitingstijd, omstreeks 2.45 uur een ernstig geweldsincident heeft voorgedaan voor de deur van [naam] . Hierbij waren uitsluitend personen betrokken die de inrichting kort daarvoor hadden verlaten. Als gevolg van het gebruikte geweld is later één persoon overleden en een ander gewond geraakt. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 8 juli 2018 met spoed de sluiting van [naam] bevolen voor de duur van twee weken. Verweerder heeft vervolgens aan eisers het voornemen bekend gemaakt om [naam] voor de duur van drie maanden te sluiten, met in achtneming van de duur van de spoedsluiting. Eisers hebben hierop hun zienswijze gegeven, waarna verweerder het primaire besluit heeft genomen.

1.2.

Op 25 augustus 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank per die datum het primaire besluit geschorst (ROT 17/4715). [naam] is dus vanaf 25 augustus 2017 weer geopend.

1.3.

De Algemene Bezwaarschriftencommissie (Commissie) heeft op 12 oktober 2017 verweerder geadviseerd het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gegrond te verklaren, in die zin dat [naam] na de spoedsluiting van twee weken weer open mocht. De Commissie overweegt - voor zover hier van belang - dat de voorzieningenrechter met recht vaststelt dat er geen sprake is van een incident dat zich heeft voorgedaan ‘in’ de inrichting. Op basis van de camerabeelden dient volgens de Commissie te worden vastgesteld dat het incident niet zijn oorsprong heeft gehad in [naam] . De vechtpartij is vervolgens op ongeveer honderd meter van [naam] ontstaan en is ongeveer een kwartier na sluiting, na heen en weer lopen door de straat, voor de deur van [naam] uit de hand gelopen. Gelet op onder meer de afstand bij de start van het incident en het tijdsverloop na sluiting kan naar het oordeel van de Commissie niet worden gesteld dat er sprake is van een incident dat ‘vanuit’ de inrichting is ontstaan. Daarnaast is sinds de sluiting op 8 juli 2017 inmiddels geruime tijd verstreken. De openbare orde heeft zich naar het oordeel van de Commissie in voldoende mate kunnen herstellen. Er is tevens geen sprake meer van een mogelijke verdere aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van [naam] .

Standpunt verweerder

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - in afwijking van het advies van de Commissie - het primaire besluit herroepen, in die zin dat [naam] tot 25 augustus 2017 gesloten dient te blijven. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van diezelfde datum. Volgens verweerder volgt uit deze uitspraak dat een sluiting van drie maanden weliswaar niet gerechtvaardigd is, maar dat voor een sluiting korter dan drie maanden wel grond bestaat. Verweerder wijst hierbij op de volgende overwegingen van de voorzieningenrechter: (i) de betrokkenen zijn rivaliserende families, (ii) zij zijn vaste bezoekers van [naam] , (ii) ten tijde van het besluit van 21 juli 2017 waren nog niet alle verdachten opgepakt, (iii) [naam] is gelegen in een kwetsbaar gebied dat is aangewezen als veiligheidsrisicogebied en (iv) de ernst van het incident als gevolg waarvan de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van [naam] zijn aangetast. In aanvulling daarop acht verweerder het van belang dat [naam] een historie heeft met geweldsincidenten. Zo is op 27 januari 2016 een bestuurlijke waarschuwing gegeven wegens een geweldsincident waarbij een beveiliger was betrokken. Daarnaast heeft op 25 november 2016 een vechtpartij in [naam] plaatsgevonden. De politie heeft circa vijftig personen aangetroffen, waarbij is geconstateerd dat nog steeds werd gevochten. Verscheidene personen zaten onder het bloed. Hiervoor heeft eiser een (laatste) bestuurlijke waarschuwing gekregen. Verder stelt verweerder dat overmatig alcoholgebruik een rol heeft gespeeld bij het geweldsincident op 9 juli 2017 en (een aantal van) de genoemde geweldsincidenten in de periode van 27 januari tot en met 25 november 2016.

2.2.

Verweerder onderschrijft daarnaast de overweging van de voorzieningenrechter dat [naam] niet langer dan 25 augustus 2017 gesloten hoeft te blijven, omdat aannemelijk is gemaakt dat de kans op herhaling van een geweldsincident tussen betrokkenen veronachtzaam klein is geworden. Tegelijkertijd laat dit volgens verweerder onverlet dat het

aantal geweldsincidenten in [naam] en de rol van overmatig alcoholgebruik daarin

aandacht blijft behoeven. Ook is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De feiten en omstandigheden ten aanzien van de geweldsincidenten bij [naam] , [naam] en [naam] verschillen wezenlijk van die van eisers.

Standpunt eisers

3. Eisers stellen zich op het standpunt dat het feit zich niet ‘in’ of ‘vanuit’ [naam] heeft voorgedaan, waardoor de bevoegdheid tot sluiting ontbreekt. Eisers stellen dat de avond in [naam] rustig is verlopen. Uit de door eisers ingebrachte camerabeelden blijkt dat de bezoekers [naam] rustig hebben verlaten. Hiermee is geen sprake van een incident dat zich heeft voorgedaan ‘in’ de inrichting. Uit de beschrijving van het incident, zoals neergelegd in de uitspraak van de voorzieningenrechter, blijkt dat de vechtpartij op ongeveer honderd meter van [naam] is ontstaan en ongeveer een kwartier na sluiting, omstreeks 2.45 uur, na heen en weer geloop door de straat, voor de deur van [naam] uit de hand is gelopen. Het incident heeft derhalve niet zijn oorsprong gehad in [naam] en er is geen sprake van een incident dat ‘vanuit’ de inrichting is ontstaan. Daarnaast kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De voorzieningenrechter acht het aangewezen dat verweerder in het dan nog te nemen bestreden besluit nader onderbouwt dat sprake is van een situatie dat er ‘vanuit’ [naam] een geweldsincident heeft plaatsgevonden. Eisers stellen dat verweerder nalaat om te motiveren waarom hem wel de bevoegdheid tot sluiting toekomt. Daarnaast betwisten eisers dat [naam] een historie van geweldsincidenten kent en dat er geen verantwoordelijk alcoholbeleid is. Het geweldsincident is eisers niet te verwijten. Er was geen enkel waarneembaar signaal die avond dat de gezellige sfeer binnen de club buiten zou omslaan in een vechtpartij tussen enkele bezoekers. Er waren geen bezoekers aanwezig die dusdanig door de alcohol waren beneveld dat zij op een irritante en agressieve manier aanwezig waren. De sluiting van [naam] is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat eisers door de exploitatie voorzien in hun levensonderhoud. De kosten voor de exploitatie liepen door, terwijl daar geen inkomsten tegenover stond. Tot slot achten eisers het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Wettelijk kader

4.1.

Op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in het geval van bijzondere omstandigheden een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet.

4.2.

Op grond van artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de APV - voor zover hier van belang - kan de burgemeester, onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8, de exploitatievergunning voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien naar zijn oordeel er in of vanuit de openbare inrichting een feit of feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting nadelig zal worden beïnvloed.

4.3.

Verweerder hanteert bij zijn bevoegdheid op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV het Handhavingsarrangement behorend bij de Horecanota 2017-2021. Hierin is onder meer en voor zover hier van belang opgenomen:

Als ernstige geweldsincidenten in, vanuit of in de directe omgeving van het horecabedrijf worden in ieder geval beschouwd incidenten waarbij één of meer dodelijk(e) slachtoffer(s) is (zijn) gevallen. Bij ernstige geweldsincidenten zijn de openbare orde en veiligheid in en rondom het betreffende horecabedrijf per definitie aangetast. Wanneer voor het eerst een ernstig geweldsincident plaatsvindt, wordt de horeca-inrichting voor maximaal twee weken gesloten, waarna de burgemeester besluit tot het intrekken van het sluitingsbevel dan wel tot sluiting van de horeca-inrichting voor de duur van drie maanden. Uitgangspunt hierbij is dat bij ernstige geweldsincidenten de openbare orde en veiligheid rondom de horeca-inrichting per definitie zijn aangetast. Om de openbare orde en veiligheid onmiddellijk te herstellen, wordt de horeca-inrichting voor een korte periode gesloten. Als uit onderzoek en een (zienswijzen)gesprek met de ondernemer blijkt dat er kans is op herhaling van geweldsincidenten en/of de openbare orde zo ernstig is geschokt dat heropening van de horeca-inrichting niet verantwoord is, besluit de burgemeester om het horecabedrijf gesloten te houden, aldus het Handhavingsarrangement.

Beoordeling geschil

5. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eisers procesbelang hebben bij het onderhavige beroep, nu de periode van sluiting van de inrichting inmiddels voorbij is. Bij brief van 27 augustus 2018 hebben eisers toegelicht belang te hebben bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. Eisers hebben als gevolg van de sluiting schade geleden wegens gederfde inkomsten en doorlopende kosten tijdens de sluiting van [naam] . Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eisers belang hebben bij een inhoudelijke behandeling van het beroep.

6. De rechtbank stelt allereerst vast dat de spoedsluiting voor de duur van twee weken niet ter toetsing voorligt. Met betrekking tot de aanvullende sluiting voor de duur van drie maanden is tussen partijen niet in geschil dat als gevolg van het geweldsincident van 8 juli 2017 de openbare orde is geschokt. Daarnaast is niet in geschil dat het incident zich niet ‘in’ [naam] heeft voorgedaan. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het incident zich ‘vanuit’ [naam] heeft voorgedaan. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

7.1.

Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat het incident zich ‘vanuit de inrichting’ heeft voorgedaan gewezen op de politierapportage, waarin vermeld staat dat het gebruik van alcohol door de betrokkenen een overwegende rol speelde in het geweldsincident. Verderop in de rapportage staat vermeld dat één van de twee verdachten heeft verklaard dat hij over de gehele avond tien á twaalf borrels had gedronken en dat één van de slachtoffers zichtbaar dronken was. Het in de politierapportage omschreven drankgebruik is naar het oordeel van de rechtbank op zich niet ongebruikelijk voor een uitgangsgelegenheid. Alhoewel eisers een verantwoord alcoholbeleid dienen te hanteren, is de omschrijving in de politierapportage over het drankgebruik die avond onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat eisers hun zorgplicht als exploitant van [naam] niet zijn nagekomen. Om vast te kunnen stellen dat een incident zich ‘vanuit de inrichting’ heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de APV, is naar het oordeel van de rechtbank vereist dat er een zeker verband bestaat tussen gebeurtenissen in de inrichting c.q. de wijze waarop de inrichting wordt gedreven en het geweldsincident. Dat verband ziet de rechtbank hier niet.

7.2.

De rechtbank constateert dat uit het dossier blijkt dat de sfeer in [naam] die avond goed was. Eisers hebben aangegeven hoe zij omgaan met drankgebruik binnen de inrichting en hoe het toezicht daarop is geregeld. Op de camerabeelden is niet zichtbaar dat meerdere betrokkenen [naam] dronken en/of met ruzie hebben verlaten. Het geweldsincident heeft niet plaatsgevonden direct na het verlaten en sluiten van de inrichting, maar is ongeveer vijf tot tien minuten later verderop in de straat gestart. Verschillende betrokkenen hebben voorafgaand aan het incident nog heen en weer gelopen in de straat. Dat de bij het geweldsincident betrokken personen diezelfde avond [naam] hebben bezocht, elkaar kenden en vaste bezoekers zijn van [naam] zijn op zichzelf geen bijzondere aspecten voor een horeca-inrichting die maken dat het geweldsincident ‘vanuit’ de inrichting heeft plaatsgevonden. Daarnaast is de door verweerder gestelde historie van overmatig alcoholgebruik in relatie tot eerdere incidenten bij [naam] onvoldoende onderbouwd en kan dit niet bijdragen aan de beoordeling van hetgeen op 8 juli 2017 heeft plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook niet gebleken van een aan eisers te maken verwijt ten aanzien van de trieste gebeurtenis die op 8 juli 2017 uiteindelijk voor de ingang van [naam] heeft plaatsgevonden.

Conclusie

8. De rechtbank komt tot de conclusie dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende stukken onvoldoende zijn voor de vaststelling dat het geweldsincident zich in of vanuit de inrichting heeft voorgedaan. Verweerder was daarom niet bevoegd om na de spoedsluiting voor de duur van twee weken over te gaan tot (verdere) sluiting van [naam] .

9. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV in samenhang met artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de APV. Dit gebrek kleeft ook aan het primaire besluit. In het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen. De overige beroepsgronden van eiseres behoeven gelet hierop verder geen bespreking.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,-. De rechtbank kent daarbij 1 punt toe voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting (op 25 september 2018, voortgezet op 14 november 2018) met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van den Akker, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.A. Lodders, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 december 2018.

De griffier is buiten staat rechter

de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.