Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:10032

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-12-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
10/80162-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Babylijkje op balkon Schiedam. Vrijspraak voor kindermoord/doodslag omdat niet uitgesloten kan worden dat het kind dood geboren is.

Veroordeling voor het verbergen van het lijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/80162-18

Datum uitspraak: 7 december 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting voor vrouwen Nieuwersluis,

raadsman mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 november 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H. du Croix heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 3 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, welke aanwijzingen mede inhouden een klinische opname in een zorginstelling of forensische kliniek, ambulante behandeling bij een forensische polikliniek, meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang en urinecontroles.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het aantreffen van de baby

De verdachte woont met haar moeder en broer op de tweede etage van een portiekwoning in Schiedam. Op vrijdag 6 april 2018 besloot de moeder van de verdachte het putje van het balkon vrij te maken, zodat het balkon kon drogen en zij het de dag daarop, zaterdag 7 april 2018, kon schoonmaken. Zij zag toen wel een vuilniszak op het balkon liggen maar heeft daar weinig aandacht aan besteed. Zij dacht dat er vuil of aarde in zat en besloot de zak op zaterdag op te ruimen. Zij was vanwege de kou al maanden niet op het balkon geweest.

Op zaterdag 7 april 2018 heeft de moeder van de verdachte tijdens het schoonmaken met twee vingers de vuilniszak geopend en zag toen tot haar ontsteltenis daarin een dode baby liggen. Zij riep meteen haar zoon erbij, waarna de politie is gebeld. De verdachte was op dat moment niet thuis, zij was bij haar vriend [naam vriend verdachte] .

De moeder en de broer van de verdachte waren erg geschrokken en konden zich niet voorstellen hoe het kindje op hun balkon terechtgekomen kon zijn. Het was niemand opgevallen dat er iemand zwanger zou zijn geweest. Ook de verdachte ontkende iedere betrokkenheid.

4.2.

De zoektocht naar de moeder van de baby.

Na het aantreffen van de baby is er door de politie een grootschalig onderzoek opgestart om de moeder van de baby te vinden. Toen echter op 11 april 2018 uit DNA-vergelijking bleek dat de verdachte de moeder van het kindje moest zijn, is zij gearresteerd en heeft zij alsnog bekend de moeder van de aangetroffen baby te zijn.

4.3.

Is het kindje levend of dood geboren?

Aan de verdachte is onder feit 1 kindermoord of -doodslag tenlastegelegd en onder feit 2 het in hulpeloze toestand brengen en laten van haar baby, waardoor deze is overleden. Wil echter van deze ernstige strafbare feiten sprake zijn, dan moet in ieder geval bewezen worden dat de baby na de geboorte geleefd heeft.

De patholoog heeft op basis van de sectie en het radiologisch onderzoek vastgesteld dat het een in wezen een levensvatbare baby van 36 of 37 weken betrof.

Uit het radiologisch onderzoek is bovendien gebleken dat er kenmerken waren van een levend geboren baby, omdat er sprake was van lucht- of gasophoping in de longen.

Maar, omdat tijdens de sectie ook is vastgesteld dat er al grote veranderingen in het lijkje waren opgetreden (postmortale veranderingen), kon niet meer worden vastgesteld of dat radiologisch beeld het gevolg is geweest van luchtinademing (door een levende baby) of het gevolg is geweest van gasophoping door de ontbinding van het lijkje.

Volgens de deskundigen was het dus niet meer betrouwbaar na te gaan of sprake is geweest van een levend geborene. Ook kon vanwege de gevorderde postmortale veranderingen niet vastgesteld of uitgesloten worden of het baby’tje al in de baarmoeder was overleden.

De verdachte heeft hierover verklaard dat zij ’s nachts in de woonkamer haar zoontje heeft gebaard zonder dat haar moeder of broer daar iets van gemerkt hebben. Zij heeft daarbij steeds volgehouden dat haar baby dood was geboren. Volgens haar bewoog hij niet, huilde hij niet en ademde hij niet. Toen ook haar poging de baby te reanimeren was mislukt heeft zij de baby in een vuilniszak gedaan en op het balkon gezet.

Omdat op basis van het bovenstaande dan ook niet kan worden uitgesloten dat het baby’tje van de verdachte dood geboren is, kunnen de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten niet bewezen worden. Met de officier justitie en de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verdachte van deze twee feiten vrijgesproken moet worden.

4.4.

Het verbergen van het babylijkje

De vraag is vervolgens of de verdachte met haar handelen het oogmerk heeft gehad om het feit of de oorzaak van het overlijden of het dood ter wereld komen van haar baby te verbergen.

Vaststaat dat de verdachte het babylijkje in een vuilniszak heeft gestopt en deze op het balkon heeft gezet. De rechtbank is van oordeel dat zij daarmee de bedoeling heeft gehad om het babylijkje te verbergen voor het oog van de wereld. Ze wist dat haar moeder en broer al maanden niet op het balkon waren geweest en dat anderen evenmin zomaar toegang tot dat balkon hadden.

Het verweer van de verdediging dat de openbare orde, waarop het door artikel 151 Sr beschermde belang ziet, niet geschonden is geweest, omdat zij het lijkje enkel aan het zicht van haar moeder en broer heeft willen onttrekken, volgt de rechtbank niet.

Het was namelijk voor niemand kenbaar dat zich op dat balkon een babylijkje in een vuilniszak bevond. Niet voor haar moeder en broer, maar ook niet voor alle anderen met wie de verdachte omging, zoals [naam vriend verdachte] en zijn moeder, of anderen die in haar omgeving verkeerden, zoals schoolgenoten, kennissen en buren. De kring van personen aan wiens waarneming zij het lijkje heeft willen onttrekken is dus veel groter geweest dan alleen haar moeder en broer.

Het feit dat zij uitsluitend in paniek gehandeld zou hebben, wordt gelogenstraft door het feit dat zij, ook nadat er enige tijd was verstreken en zij tot bezinning had kunnen komen, niemand van het gebeuren op de hoogte heeft gesteld, zelfs niet toen het baby’tje uiteindelijk door haar moeder gevonden werd.

Het onder 3 primair tenlastegelegde feit kan dan ook bewezen worden verklaard.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij in de periode van 25 januari 2018 tot en met 7 april 2018 te Schiedam,

een lijk, te weten van haar pasgeboren kind, heeft verborgen met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden, dan wel van het dood ter wereld komen te verhelen, te weten door het lijk van dat pasgeboren kind in een vuilniszak te stoppen en vervolgens die vuilniszak op een balkon van een woning te leggen of zetten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

3 primair een lijk verbergen met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden, danwel van het dood ter wereld komen te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft het lichaam van haar pasgeboren baby in een vuilniszak op het balkon gelegd. Niet alleen is de dood van een baby op zich al een tragische gebeurtenis, maar de respectloze wijze waarop de verdachte met het lichaam van haar zoontje is omgegaan, is ronduit verwerpelijk.

Niet alleen voor de naast betrokkenen, zoals haar moeder, die het kindje heeft moeten vinden, haar broer en haar vriend (de vader van het kind) is dit schokkend geweest, maar ook voor iedereen die hiervan heeft gehoord heeft met afschuw hierop gereageerd.

Ook na de dood verdient een ieder, en zeker een pasgeboren baby, een respectvolle behandeling en een waardig afscheid, iets waarvan de verdachte zich geen enkele rekenschap heeft gegeven. Ook heeft hierdoor de doodsoorzaak van de baby niet vastgesteld kunnen worden, zodat ook nu nog veel vragen onbeantwoord zijn gebleven.

8 Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.1.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.1.2.

Rapportages en deskundige op zitting

Over de vraag wie de verdachte is en of het feit haar kan worden toegerekend heeft de rechtbank advies gekregen van de psychiater drs. A. Banaei Kashani, de GZ psycholoog drs. M.H. Keppel en de forensisch milieuonderzoeker A.C.M. Akkermans. Zij hebben een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 16 november 2018.

Uit dit rapport blijkt onder meer dat de verdachte in haar jeugd is verwaarloosd en psychisch is mishandeld. Als kind van een moeder met een psychiatrische aandoening heeft zij verder veel negatiefs meegemaakt. Bij haar is sprake van complex en chronisch verlopende PTSS en een bedreigde ontwikkeling van haar persoonlijkheid.

Door de spanning en de stress van de bevalling en de geboorte van het kind, is het waarschijnlijk dat de PTSS klachten naar de voorgrond zijn gekomen.

De verdachte heeft in het verleden steeds geprobeerd zich te gedragen conform de normen van de maatschappij, maar heeft daarvoor als bescherming een muur om zich heen gebouwd. Ze is daardoor niet in staat om een derde om hulp te vragen of om haar zwakte te laten zien. Ze moet en zal zelf alles ‘regelen’. Het vermijden en het wegmaken van negatieve gevoelens en gedachten vormt bij haar de basis van deze inadequate coping. Het wegmaken van het lijkje van haar baby past voor een zeker deel bij deze aangeleerde, inadequate coping.

Rapporteurs zijn van mening dat er een verband is tussen het onder 3 ten laste gelegde en haar stoornis.

Omdat de verdachte naar mening van rapporteurs voor een belangrijk deel heeft gehandeld conform haar inadequate coping mechanismen, passend bij PTSS, adviseren rapporteurs haar dit ten laste gelegde feit in een verminderde mate toe te rekenen.

Ten aanzien van het risico op recidive wordt het volgende overwogen.

Omdat de verdachte gesloten is en maar mondjesmaat openheid van zaken geeft, is het voor rapporteurs lastig om een inschatting te geven van de kans op geweld in het algemeen.

Uitgaande van de huidige informatie wordt de kans op gewelddadig gedrag in het algemeen laag ingeschat, maar de kans op het opnieuw wegmaken van een babylijkje bij een volgende bevalling is aanwezig, omdat ze dit al eerder heeft gedaan en nog niet op een andere manier kan handelen.

Gezien de pathologie, de complexe, chronisch verlopende PTSS, en haar bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling is begeleiding en behandeling noodzakelijk.

De rapporteurs adviseren te starten met een klinische behandeling in een gespecialiseerde setting voor persoonlijkheidspathologie met een laag beveiligingsniveau, waarin de behandeling opgestart kan

worden.

Vervolgens kan worden toegewerkt naar meer zelfstandigheid in de vorm van begeleid wonen onder ambulante behandeling. De verdachte dient meer adequate coping aan te leren en deze in praktijk te brengen. Nieuw aangeleerd gedrag dient ook in de praktijk, onder stressvolle omstandigheden getoetst te worden. De verdachte moet toewerken naar zelfstandigheid. De ontwikkeling van de verdachte dient gedurende langere tijd gemonitord te worden.

De rapporteurs geven de rechtbank in overweging bij een geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke

straf als bijzondere voorwaarden te stellen dat de verdachte onder verplicht reclasserings-

toezicht meewerkt aan een klinische en later ambulante behandeling, dit alles met een

maximale proeftijd.

Reclassering Nederland heeft op 19 november 2018 een rapport over de verdachte uitgebracht. Daarin wordt aangesloten bij de hiervoor besproken rapporten en adviezen.

Getuige [naam getuige] , reclasseringswerker, heeft op de zitting gezegd dat door het IFZ inmiddels een indicatiestelling is afgegeven voor een instelling in [plaats] en dat de verdachte daar vanaf half december 2018 zou kunnen worden opgenomen.

8.2.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

De ernst van het feit brengt echter mee dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Met de deskundigen is de rechtbank daarnaast van oordeel dat de verdachte begeleiding en behandeling nodig heeft. De verdachte heeft op de zitting gezegd dat zij hieraan ook wil meewerken.

De rechtbank zal daarom een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en daaraan de voorwaarwaarden verbinden die door de deskundigen zijn geadviseerd.

Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de duur van het uitgezette behandeltraject wordt de proeftijd bepaald op drie jaren.

Omdat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte – als zij niet behandeld wordt – wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

De op te leggen straf is iets lager dan de eis van de officier van justitie. De rechtbank acht het hierbij met name van belang dat de verdachte zo snel mogelijk met de behandeling kan beginnen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 38v en 151 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot drie (3) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt dan wel tijdens die proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde meldt zich bij de reclassering en zij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. de veroordeelde laat zich klinisch opnemen en behandelen in een forensisch psychiatrische kliniek, te bepalen door het IFZ. De opname duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Zij houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt zij mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. de veroordeelde laat zich behandelen door een nader te bepalen forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. Deze ambulante behandeling start zodra de klinische behandeling is afgerond. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan een onderdeel van de behandeling zijn;

4. de veroordeelde verblijft in een RIBW of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Zij houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld;

5. de veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan de uitvoering van urinecontroles op een mogelijke zwangerschap;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en M.W.J. van Elsdingen, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 25 januari 2018 tot en met 7 april 2018 te

Schiedam, als moeder,

ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar

aanstaande bevalling al dan niet voorafgaand aan haar bevalling genomen

besluit,

haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven heeft beroofd;

(artikel 290/291 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

zij in de periode van 25 januari 2018 tot en met 7 april 2018 te Schiedam

opzettelijk haar pasgeboren kind tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging

zij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in hulpeloze toestand heeft

gebracht en/of gelaten, terwijl het feit de dood voor dat pasgeboren kind ten

gevolge heeft gehad;

(artikel 255/257 van het Wetboek van Strafrecht);

3.

zij in of omstreeks de periode van 25 januari 2018 tot en met 7 april 2018 te

Schiedam,

een lijk, te weten (van) haar pasgeboren kind, heeft verborgen en/of

weggevoerd en/of weggemaakt met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het

overlijden, dan wel van het dood ter wereld komen te verhelen,

te weten door het lijk van dat pasgeboren kind in een vuilniszak te stoppen en

(vervolgens) die vuilniszak op een balkon van een woning te leggen en/of

zetten

(artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 25 januari 2018 tot en met 7 april 2018 te Schiedam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een lijk, te weten (van) haar pasgeboren kind, te verbergen en/of weg te voeren en/of weg te maken en/of te begraven

en/of te verbranden en/of te vernietigen, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen,

- het dode lichaam van haar pasgeboren baby in een vuilniszak heeft gestopt en/of (vervolgens) die vuilniszak op het balkon van een/diens woning te leggen en/of zetten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 151 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)