Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9971

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
10/159928-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van het in vereniging dealen van speed en het voorhanden hebben hiervan, fietsendiefstallen, verduistering, oplichting en het voorhanden hebben van een balletjespistool. Veroordeling tot deels voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden + taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-159928-17

Datum uitspraak: 8 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Capelle aan den IJssel.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. M.L. Goudzwaard, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 107 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering is geadviseerd.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde is door de verdachte bekend, evenwel met uitzondering van de handel in/bezit van MDMA (XTC) en/of ketamine ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, alsmede de verduistering van de portemonnee van

[naam slachtoffer 1] . betreffende feit 4.

De feiten 1 tot en met 6 zullen voor het overige - derhalve met uitzondering van de voornoemde bestreden onderdelen - zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering ten aanzien van feiten 1 en 2 (handel/bezit MDMA en/of ketamine)

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het de verdachte ook kan worden toegerekend dat er zich in zijn woning MDMA (XTC) bevond. Gelet op het feit dat er ook bijbehorende spullen zijn aangetroffen, die er onder meer toe dienen om drugs te versnijden, kan ook de handel in MDMA wettig en overtuigend bewezen worden.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit, gelet op de ontkenning van de verdachte en het ontbreken van voldoende (steun)bewijs.

4.2.3.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van het verweten bezit van XTC en/of ketamine is vereist dat kan worden bewezen dat verdachte minst genomen wetenschap had van de aanwezigheid van deze middelen. In de woning van verdachte zijn 9 XTC-pillen aangetroffen op een tafel in de woonkamer. De verdachte ontkent daarvan wetenschap te hebben gehad, ontkent ketamine in bezit te hebben gehad en ontkent ooit XTC of ketamine te hebben verkocht. Gelet op het feit dat de XTC-pillen zijn aangetroffen in een potje in een bak op de eettafel - en daardoor dus niet voor het blote oog direct zichtbaar waren -, alsmede het feit dat de verdachte niet als enige gebruik maakte van zijn woning, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte niet ongeloofwaardig en is zij van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de XTC-pillen. In de woning van verdachte is geen ketamine aangetroffen en in het dossier bevindt zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte dit in zijn bezit heeft gehad of dat hij daarin heeft gehandeld. Hetzelfde geldt voor de verweten handel in XTC.

4.2.4.

Conclusie

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte naast de amfetamine (speed) ook MDMA (XTC) en/of ketamine opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of dat hij daarin heeft gehandeld. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering ten aanzien van feit 4 (verduistering van de portemonnee van

[naam slachtoffer 1] )

4.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte niet het oogmerk had op de wederrechtelijke toe-eigening van de portemonnee van [naam slachtoffer 1] .

4.3.2.

Beoordeling

Vast staat dat er twee portemonnees in de woning van de verdachte zijn aangetroffen en dat verdachte heeft verklaard deze te hebben gevonden. De verdachte heeft voorts verklaard dat het er niet van is gekomen om de portemonnee van aangeefster [naam slachtoffer 1] naar de politie te brengen. De rechtbank stelt evenwel vast dat de verdachte zich met gebruikmaking van een bankpas uit de portemonnee van aangeefster [naam slachtoffer 2] schuldig heeft gemaakt aan oplichting, terwijl bovendien de portemonnee van aangeefster [naam slachtoffer 1] zich al een langere periode in de woning van verdachte bevond, terwijl verdachte daarover als heer en meester kon beschikken. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook het oogmerk had op de wederrechtelijke toe-eigening van de portemonnee van [naam slachtoffer 1] .

4.3.3.

Conclusie

Het feit kan wettig en overtuigend bewezen worden.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het onder 3, 5 en 6 bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Nu de rechtbank het standpunt van de verdediging volgt ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde, wordt ook ten aanzien van deze feiten met een opgave volstaan.

Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 mei 2017 tot en met 17 augustus 2017 te Gorinchem, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en verstrekt

een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde amfetamine (speed), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 17 augustus 2017 te Gorinchem, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 341,5 gram van een materiaal bevattende amfetamine , zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op meer tijdstippen in de periode van 1 december 2016 tot en met 24 december 2016 te Gorinchem, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- op 24 december 2016 te Gorinchem een elektrische fiets (merk: Qwic) toebehorende aan [naam slachtoffer 3]

- op 1 december 2016 te Gorinchem een elektrische fiets (merk: Sparta) toebehorende aan [naam slachtoffer 4] ;

4.

hij in de periode van 16 oktober 2016 tot en met 17 augustus 2017 te Gorinchem, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk meer portemonnees met inhoud, toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] , en welk goed verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten door vinding wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

hij op 17 augustus 2017 te Gorinchem, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een nabootsing van een pistool, te weten een balletjespistool (merk HFC) welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een merk Glock type 17, voorhanden heeft gehad;

6.

hij in de periode van 2 mei 2017 tot en met 10 mei 2017 te Gorinchem, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid, de Vriendenloterij heeft bewogen tot de afgifte van enig goed te weten 2 kaarten voor Pony Park Slagharen en een lot, door zich voor te doen als

[naam slachtoffer 2] en met de gegevens van de bankpas van die voornoemde [naam slachtoffer 2] zich aan te melden bij de Vriendenloterij en (vervolgens) een lot te kopen bij de Vriendenloterij, ten gevolge waarvan 2 kaarten voor Pony Park Slagharen werden verkregen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.

2.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.

3.

Diefstal, meermalen gepleegd.

4.

Verduistering, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen, meermalen gepleegd.

5.

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

6.

Oplichting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder het de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het dealen van speed vanuit zijn woning gedurende een periode van circa drieënhalve maand, alsmede het voorhanden hebben van een forse hoeveelheid hiervan.

Deze drugs zijn gevaarlijk voor de gezondheid van personen. Bovendien lijdt de maatschappij schade doordat drugsgebruikers vaak overgaan tot het plegen van strafbare feiten om in hun verslaving te kunnen voorzien. De verdachte heeft zich hieraan niets gelegen laten liggen en zich kennelijk enkel laten leiden door eigen financieel gewin.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee fietsendiefstallen. Dit zijn ergerlijke feiten, omdat ze naast hinder en materiële schade voor de betrokken eigenaren ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweegbrengen. Ook hierom heeft de verdachte zich niet bekommerd.

Hiernaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering en oplichting. Hij heeft na de vondst van twee portemonnees deze portemonnees gedurende een lange periode onder zich gehouden, terwijl hij met de bankpas uit één van die portemonnees de Vriendenloterij heeft bewogen tot de afgifte van een lot met daarbij twee vrijkaartjes voor Ponypark Slagharen. Dit verdachte heeft hiermee weinig respect getoond voor de eigendommen van anderen. Bovendien heeft hij vanwege zijn eigen financiële problemen een ander financieel benadeeld, zodat hij met zijn vriendin een gezellig uitje kon maken. Wederom heeft verdachte uitsluitend oog gehad voor zijn eigen belang.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een balletjespistool. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijk op een vuurwapen gelijkend voorwerp is verboden, nu gemakkelijk misbruik van een dergelijk voorwerp kan worden gemaakt en dit kan worden aangewend voor criminele doeleinden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

1 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

7.3.2.

Rapportage

Bouman GGZ, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 november 2017. Dit rapport houdt onder andere het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een delictspatroon aangezien hij eerder veroordeeld is voor

vermogensdelicten. Risicoverhogende factoren zijn middelengebruik, financiën en dagbesteding. De delicten zijn merendeels gepleegd vanwege financiële overwegingen, met name om zichzelf te kunnen voorzien in middelengebruik. De verdachte heeft in het verleden geen medewerking verleend aan de uitvoering van werkstraffen, maar stelt zich coöperatief op in het huidige reclasseringstoezicht. De verdachte zegt zelf verandering in zijn middelengebruik te hebben aangebracht en staat open voor begeleiding op diverse leefgebieden. De responsiviteit wordt als hoog ingeschat.

Zonder ingezette interventies, gericht op de risicoverhogende factoren, acht de reclassering de kans op recidive hoog. Om deze reden adviseert de reclassering een reclasseringscontact, met als bijzondere voorwaarden ambulante behandeling ten aanzien van middelengebruik, aangevuld met een leefstijltraining en een inspanningsverplichting ten aanzien van dagbesteding.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten en het relevante strafblad van verdachte kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank komt evenwel tot een kortere (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf dan normaliter in soortgelijke zaken wordt opgelegd, gelet op de overwegingen van de reclassering, zoals hiervoor beschreven in 7.3.2, alsmede de positieve proceshouding van de verdachte die naar voren komt uit diens (grotendeels bekennende) verklaringen bij de politie en ter terechtzitting.

De rechtbank is anderzijds evenwel van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan het aantal feiten en de ernst daarvan, mede bezien in het licht van het relevante strafblad van de verdachte. Hoewel de rechtbank het, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, niet wenselijk oordeelt om hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van een langere duur dan welke hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, acht zij naast oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wel oplegging van een werkstraf aangewezen, mede met het doel een gestructureerde dagbesteding te doen ontstaan bij de verdachte.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe om de verdachte te bewegen zich aan de gestelde voorwaarden te houden en tevens om hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan is geadviseerd en gerekwireerd, ziet de rechtbank geen mogelijkheid de verdachte te verplichten tot het ondergaan van een korte klinische behandeling voor de maximale duur van zeven weken, indien de reclassering dit noodzakelijk acht. In zijn arrest van 30 januari 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ0262) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet alleen de bepaling van de duur van een klinische opname, maar ook het oordeel of klinische opname noodzakelijk is, is voorbehouden aan de rechter. In zijn arrest van 12 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ4315) heeft de Hoge Raad dit oordeel herhaald en bevestigd. In zijn arrest van 12 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5449) heeft de Hoge Raad het andermaal bevestigd, met dien verstande dat de rechter wel kan bepalen dat een bevolen opname op gezag van de reclassering wordt bekort. In dit arrest wordt tevens geoordeeld dat de rechtspraak over het oude artikel 14c Sr ook na de invoering van het nieuwe artikel geldig blijft.

De conclusie is dat het aan de rechter is te oordelen of klinische opname noodzakelijk is, naar de omstandigheden ten tijde van zijn oordeel. Als de rechter van oordeel is dat een klinische opname noodzakelijk is, kan hij die gelasten in de vorm van bijzondere voorwaarden, onder bepaling van de maximale duur van de opname.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partijen

Als benadeelde partij hebben zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] vordert een vergoeding van € 60,- aan materiële schade.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] vordert een vergoeding van € 2.352,15 aan materiële schade en € 4,96 aan proceskosten. In beide gevallen wordt bovendien wettelijke rente gevorderd.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij

[naam benadeelde 1] in zijn geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat niet duidelijk is of er bij de gestolen fiets een zadeldekje en handschoenen zaten.

De vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] dient voor wat betreft de materiële schade te worden toegewezen gelet op de onderbouwing daarvan, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient in haar vordering voor wat de proceskosten betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de onderbouwing daarvan ontbreekt.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman stelt zich eveneens op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

Met betrekking tot de benadeelde partij [naam benadeelde 2] merkt de raadsman op dat de gestolen fiets - waar de verdachte direct afstand van heeft gedaan - nog niet is geretourneerd aan de benadeelde partij. Indien deze fiets alsnog wordt teruggegeven aan de benadeelde partij, dan heeft de benadeelde partij bij toewijzing van de vordering voordeel gehad. Om die reden verzoekt de raadsman dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Ook dient de vordering voor wat de proceskosten betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard, wegens het ontbreken van een onderbouwing daarvan.

Met betrekking tot de gevorderde € 200,- aan materiële schade refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling en conclusie

- [naam benadeelde 1]

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

- [naam benadeelde 2]

De vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] zal, ondanks de betwisting van de verdediging, worden toegewezen nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het betreffende bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft in redelijkheid niet kunnen wachten met het kopen van een fiets, omdat dit vervoermiddel noodzakelijk was voor haar werk. Op dat moment was bovendien niet voorzienbaar of en zo ja, wanneer zij de gestolen fiets terug zou krijgen. Daarmee heeft zij op dat moment materiële schade geleden. Bovendien staat ook thans nog niet vast of de gestolen fiets nog terugkomt bij de benadeelde partij.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de proceskosten, is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 december 2016. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 310, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en

2 en 10 van de Opiumwet en

13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 107 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd melden bij Bouman GGZ op het adres Johan de Witstraat 40b te Dordrecht, zo vaak en zo lang de reclassering dat noodzakelijk vindt;

  • -

    de veroordeelde zal actief deelnemen aan de gedragsinterventie Leefstijl 24/7 of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik, zulks ter beoordeling aan de reclassering. De veroordeelde zal zich houden aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

  • -

    de veroordeelde zal zich laten behandelen door Bouman GGZ of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter beoordeling aan de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter dan de reclassering noodzakelijk acht. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  • -

    de veroordeelde zal meewerken aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding van minstens 24 uur, zo lang de reclassering noodzakelijk acht;

  • -

    de veroordeelde zal geen drugs gebruiken en zal deelnemen aan urinecontroles, zo lang de reclassering noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2], te betalen een bedrag van € 2.352,15 (zegge: tweeduizend driehonderd-en-tweeënvijftig euro en vijftien cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2016, tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.352,15 (hoofdsom, zegge: tweeduizend driehonderd-en-tweeënvijftig euro en vijftien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 2.352,15 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 33 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Putters, voorzitter,

en mrs. R. Brand en T.M.J. Smits, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 17 augustus 2017 te Gorinchem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MD(M)A en/of ketamine,

zijnde amfetamine (speed) en/of MD(M)A (XTC) en/of ketamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 17 augustus 2017 te Gorinchem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 341,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 4,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA, zijnde amfetamine en/of MD(M)A (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 24 december 2016 te Gorinchem, althans in Nederland (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- op of omstreeks 24 december 2016 te Gorinchem een elektrische fiets (merk: Qwic), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- op of omstreeks 1 december 2016 te Gorinchem een elektrische fiets (merk: Sparta), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2016 tot en met 17 augustus 2017 te Gorinchem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk één of meer portemonnee(s) met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten door vinding wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

hij op of omstreeks 17 augustus 2017 te Gorinchem, althans in Nederland (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een nabootsing van een pistool, te weten een balletjespistool (merk HFC) welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een merk Glock type 17, voorhanden heeft gehad;

6.

hij in of omstreeks de periode van 2 mei 2017 tot en met 10 mei 2017 te Gorinchem, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Vriendenloterij heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten 2 kaarten voor Pony Park Slagharen en/of een lot, door zich voor te doen als [naam slachtoffer 2] en/of met de gegevens van de bankpas van die voornoemde [naam slachtoffer 2] zich aan te melden bij de Vriendenloterij en/of (vervolgens) een lot te kopen bij de Vriendenloterij, tengevolge waarvan (tevens) 2 kaarten voor Pony Park Slagharen werden verkregen.