Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9920

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
10/996526-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Tees. Zorgfraude. De medeverdachte en vriend van de verdachte was bestuurder van een zorginstelling. In die hoedanigheid heeft hij € 1.889.893 verduisterd en samen met de verdachte volledig privé uitgegeven. De onttrokken geldbedragen liepen via door de verdachte ter beschikking gestelde bankrekeningen. De verdachte wordt veroordeeld voor schuldwitwassen (art. 420quater Sr) tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996526-16

Datum uitspraak: 18 december 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 15, 16, 17 en 20 november 2017 en 4 december 2017.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. H.C. Vermaseren en C.A.M. van den Brand hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

Waardering van het bewijs

1. Inleiding

De medeverdachte [naam medeverdachte] was vanaf 1 juli 2011 formeel bestuurder van [naam zorginstelling] .

Zorginstellingen die zorg in natura verlenen, zoals [naam zorginstelling] , hebben een toelating nodig in het kader van de Wet toelating zorginstellingen (hierna: WTZi). Een van de voorwaarden om een toelating te krijgen, is dat de zorginstelling dient te voldoen aan de Wet Normering Topinkomens (hierna: WNT). De WNT regelt vanaf 1 januari 2013 de maximale bezoldiging van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector, in de volksmond ook wel de “Balkenende-norm” genoemd. Vóór 2013 volgde de maximale bezoldiging uit de afspraken die [naam zorginstelling] hieromtrent met de zorgverzekeraar ( [naam zorgverzekeraar] ) had gemaakt.

Tussen 2010 en 2016 heeft [naam medeverdachte] zich veel meer geld toegeëigend dan waar hij op grond van de met [naam zorginstelling] overeenkomstig de Balkenende-norm gemaakte beloningsafspraken recht op had.

Om deze onttrekkingen achteraf te kunnen verantwoorden en om daarvan de ware aard te verhullen heeft [naam medeverdachte] stukken valselijk opgesteld of laten opstellen en deze valse geschriften vervolgens in de administratie van [naam zorginstelling] laten opnemen.

Zo werden op facturen werkzaamheden vermeld die niet waren verricht, uurtarieven die niet waren overeengekomen en/of werd er gefactureerd vanuit bedrijven die geen goederen of diensten aan [naam zorginstelling] hadden geleverd en bij welke bedrijven [naam medeverdachte] niet werkzaam was (geweest). Op deze facturen waren bankrekeningen vermeld die niet aan de desbetreffende bedrijven toebehoorden.

Om de schijn te wekken dat de bezoldiging van [naam medeverdachte] onder de Balkenendenorm was gebleven en/of dat de aan hem ( [naam medeverdachte] ) uitbetaalde geldbedragen een legitieme herkomst hadden, werden daarnaast ook leningsovereenkomsten gefingeerd.

Om de contracten met zorgverzekeraar [naam zorgverzekeraar] voor volgende jaren zeker te stellen en/of jegens deze de schijn te wekken dat zijn bezoldiging voldeed aan de wettelijke en/of tussen [naam zorgverzekeraar] en [naam zorginstelling] overeengekomen normen ter zake van zijn maximaal toegestane bezoldiging, heeft [naam medeverdachte] ten slotte met betrekking tot zijn bezoldiging ook onjuiste informatie laten opnemen in de door [naam zorginstelling] gepubliceerde jaarrekeningen over haar boekjaren 2011 tot en met 2016.

2. Standpunt verdediging

Er kan niet worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de in de tenlastelegging bedoelde geldbedragen en voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf. Zij had geen inzicht in haar financiën, aangezien die door haar partner [naam medeverdachte] werden beheerd. Voor zover zij op de hoogte was van bepaalde uitgaven, pasten deze, gelet op het inkomen van [naam medeverdachte] , van begin af aan binnen hun beider inkomsten- en uitgavenpatroon.

3. Beoordeling

De partner van de verdachte, medeverdachte [naam medeverdachte] , heeft in de periode van 1 november 2010 tot en met 28 juni 2016 door misdrijf een bedrag van ten minste €1.889.893,- verkregen. Dit blijkt uit het heden tegen [naam medeverdachte] gewezen vonnis van deze rechtbank. Het bedrag is door de verdachte en [naam medeverdachte] gezamenlijk uitgegeven. Aldus hebben zij van dat bedrag in elk geval gebruik gemaakt als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder b Sr en in artikel 420quater, eerste lid aanhef en onder b Sr. Indien de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [naam medeverdachte] deze bedragen door misdrijf had verkregen heeft zij zich aldus schuldig gemaakt aan (schuld)witwassen.

De rechtbank komt tot het volgende oordeel.

De verdachte heeft [naam medeverdachte] twee op haar naam staande bankrekeningen ter beschikking gesteld. Via die rekeningen ontving [naam medeverdachte] in de jaren 2011, 2012 en 2013 geldbedragen van [naam zorginstelling] . In totaal gaat het hier om een bedrag van € 734.250,-. De verdachte was volgens eigen zeggen er niet mee bekend met dat, en waarom, [naam zorginstelling] deze geldbedragen naar haar bankrekeningen had overgemaakt. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij haar bankafschriften ongezien weggooide.

Zij heeft verklaard dat zij die bankrekeningen ter beschikking had gesteld omdat [naam medeverdachte] geen bankrekeningen kon openen vanwege een BKR-registratie. Tegelijkertijd heeft zij verklaard dat zij dacht dat [naam medeverdachte] vermogend was, die veel geld had verdiend met zakendoen. Over de vraag hoe en ander te rijmen was, heeft zij niet nagedacht.

In maart 2013 hebben de verdachte en [naam medeverdachte] een gesprek gehad met een medewerker van de ABN-AMRO Bank. Voorafgaand aan dat gesprek had de verdachte met [naam medeverdachte] afgesproken dat zij tegen de bankmedewerker zou zeggen dat de op haar bankrekening bijgeschreven bedragen voor haar bestemd salaris waren. Zij wist dat dit gelogen was.

De verdachte werd door die bankmedewerker geconfronteerd met het feit dat er mogelijk illegale gelden werden doorgesluisd via haar bankrekening. De bankmedewerker benoemde tijdens voormeld gesprek dat er ten minste twee keer per maand € 15.000,- op de desbetreffende bankrekening werd gestort, wat omgerekend uitkwam op een bedrag van € 360.000,- per jaar.

Ook deze informatie gaf de verdachte volgens eigen zeggen geen aanleiding voor het stellen van vragen aan [naam medeverdachte] , bijvoorbeeld over de herkomst van deze bedragen en de reden waarom deze op haar, verdachtes, bankrekening werden overgemaakt, ook al had zij op verzoek van de verdachte gelogen over de bestemming van het geld. In tegendeel, verdachte nam genoegen met het antwoord van [naam medeverdachte] dat hij “het anders zou regelen” en stelde ook over dat laatste geen nadere vragen.

De verdachte had ten tijde van de tenlastegelegde feiten geen noemenswaardige eigen inkomsten, maar heeft in die periode volledig – en zeer luxueus – geleefd van het geld van [naam medeverdachte] en daarbij gebruik gemaakt van verschillende creditcards die, naar zij wist, op naam stonden van anderen.

Onder de gegeven omstandigheden, het ter beschikking stellen van bankrekeningen aan iemand van wie zij dacht dat hij vermogend was en in het verleden veel geld had verdiend, maar geen bankrekening kon openen vanwege een BKR-registratie, het gebruik maken van creditcards op naam van anderen, het voor [naam medeverdachte] liegen bij de bank en de hoge privé-uitgaven, had de verdachte, minst genomen, redelijkerwijs moeten vermoeden dat voormelde geldbedragen geheel of gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig waren.

3. Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [naam verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij, in de periode van 1 november 2010 tot en met 28 juni 2016, te Rotterdam en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, van voorwerpen, te weten van geldgedragen tot een totaal bedrag van (circa) euro 1.889.893,

a. de werkelijke aard heeft verhuld, en/of

heeft omgezet, en/of van genoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen/geldbedragen (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

Het bewezen feit levert op:

schuldwitwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan schuldwitwassen. Zij heeft door haar bankrekening ter beschikking te stellen aan haar partner, medeverdachte [naam medeverdachte] , meegewerkt aan een witwasconstructie. Tevens heeft zij jarenlang samen met [naam medeverdachte] de uit misdrijf verkregen gelden uitgegeven en hierdoor een luxeleven geleid.

Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer in ernstige mate aan. De hoeveelheid witgewassen geld is in het onderhavige zodanig groot dat die bedreiging zeer reëel moet worden geacht. De ervaring leert bovendien dat witwassen dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Daarbij heeft de rechtbank de proceshouding van verdachte in ogenschouw genomen, waarbij geen enkel inzicht in het laakbare van haar handelen naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft als uitgangspunt bij het bepalen van de straf voorts acht geslagen op de hoogte van straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd en de oriëntatiepunten die zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin geldt voor fraude met benadelingsbedragen van hoger dan € 1.000.000,- als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van minimaal 24 maanden.

Bij de verdachte is daarbij een aantal strafverminderende omstandigheden aan de orde.

De verdachte wordt allereerst niet veroordeeld voor (gewoonte)witwassen, maar voor schuldwitwassen, een relatief minder ernstige variant.

Uit het rapport van Reclassering Nederland, gedateerd 06 december 2016, blijkt dat de verdachte in emotioneel opzicht een weinig stevig karakter lijkt te hebben en zich in haar leven veelal heeft laten meevoeren met wat op haar pad kwam. Door de onderhavige strafzaak kampt ze met angst en emoties en kan ze door alle spanningen niet overzien welke richting ze aan haar leven moet geven.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een taakstraf van de maximale duur,

te weten 240 uren, met aftrek van voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde feit (gewoontewitwassen) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde feit (schuldwitwassen), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 220 (tweehonderdtwintig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. J.J. van den Berg en A. van Luijck, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Koek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2017.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij,

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2010 tot en met 28 juni 2016,

te Rotterdam en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) (van) een of meer voorwerp(en), te weten (van) een of meer geldgedrag(en) tot een totaal bedrag van (circa) euro 1.889.893, althans euro 734.250, althans enig(e) geldbedrag(en),

a. de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen/verhuld en/of heeft verborgen/verhuld wie de rechthebbende op het/de voorwerp(en)/geldbedrag(en) was, en/of

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en)/ geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

art. 420bis jo. art. 420ter Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij,

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2010 tot en met 28 juni 2016,

te Rotterdam en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

(van) een of meer voorwerp(en), te weten (van) een of meer geldgedrag(en) tot een totaal bedrag van (circa) euro 1.889.893, althans euro 734.250, althans enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen/verhuld en/of heeft verborgen/verhuld wie de rechthebbende op het/de voorwerp(en)/geldbedrag(en) was, en/of

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) redelijker moest(en) vermoeden dat dat/die

voorwerp(en)/geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art. 420quater Wetboek van Strafrecht