Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9917

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
C/10/502148 / HA ZA 16-512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Engelstalige procedure. Hoofdzaak waarin (primair) vorderingen zijn ingesteld op basis van artikel 843a Rv, waaronder een vordering tot terbeschikkingstelling van de aan boord van de “Belo Horizonte” in beslag genomen en in bewaring gegeven bewijsstukken. Bevoegdheidsincident. Rechtsmacht. Verdrag van New York; arbitrage. Art. 73 lid 2 Brussel Ibis-Vo. Rechtbank onbevoegd op grond van artikel II lid 3 Verdrag van New York. Ook aan art. 35 Brussel Ibis-Vo kan de rechtbank geen bevoegdheid ontlenen, want er is geen sprake van ‘voorlopige of bewarende maatregelen’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2018/27
S&S 2018/25
JBPR 2018/41 met annotatie van T.A.G. Bens
NTHR 2018, afl. 1, p. 49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/502148 / HA ZA 16-512

Vonnis van 13 december 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CEFETRA B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de rechtspersoon naar het recht van haar plaats van vestiging

CEFETRA LTD.,

gevestigd te Glasgow, Verenigd Koninkrijk,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar het recht van haar plaats van vestiging

MS 'IDA' OETKER SCHIFFFAHRTGESELLSCHAFT MBH & CO KG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

2. de rechtspersoon naar het recht van haar plaats van vestiging

RUDOLF A OETKER KG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. M. Verhagen te Rotterdam.

Eiseressen zullen hierna worden aangeduid als Cefetra B.V. respectievelijk Cefetra Ltd. en gedaagden als MS 'IDA' Oetker respectievelijk Rudolf Oetker. Eiseressen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Cefetra en gedaagden gezamenlijk als Oetker.

1 De procedure

1.1.

Nadat de dagvaarding en de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring in de Nederlandse taal waren uitgebracht respectievelijk genomen, hebben partijen de rechtbank verzocht om de zaak aan te merken als een zaak die zal worden behandeld in de Engelse taal conform de daartoe opgestelde ‘Procesafspraken bij keuze voor Engelstalig procederen’ van deze rechtbank. Nu het gaat om een dagvaardingszaak die tussen professionele partijen wordt gevoerd, is aangebracht op de civiele handelsrol van 25 mei 2016 en betrekking heeft op aan boord van een zeeschip gelegd beslag in verband met vorderingen ter zake van zeevervoer en avarij-grosse, valt de zaak binnen de reikwijdte van de genoemde Procesafspraken. De rechtbank heeft aan partijen bevestigd dat zij in het vervolg van de procedure zou uitgaan van een behandeling in het Engels.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de Engelse vertaling van de op 24 november 2015 in de Nederlandse taal uitgebrachte dagvaarding, met 20 producties

  • -

    de Engelse vertaling van de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van Oetker

  • -

    de ‘defence against the plea of non-jurisdiction’ van Cefetra

  • -

    de pleidooien in het incident en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen (‘pleading note mr. A. Jumelet in the interim application to the Court or Rotterdam to decline jurisdiction’ en ‘notes of speech of M.M. van Leeuwen’)

  • -

    het in het Engels gestelde proces-verbaal (‘official record’) van de pleidooien

  • -

    de beslagstukken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vaststaande feiten in het incident

2.1.

Cefetra handelt in onder meer soja.

Cefetra B.V. heeft op 11 mei 2015 met Rudolf Oetker een bevrachtingsovereenkomst gesloten, strekkend tot het vervoer van een lading sojabonen van San Lorenzo in Argentinië, naar Southampton in het Verenigd Koninkrijk, aan boord van het aan MS 'IDA' Oetker toebehorende en door Rudolf Oetker in tijdbevrachting genomen schip “Belo Horizonte”. De loshaven is later gewijzigd in Immingham, Verenigd Koninkrijk.

Cefetra Ltd. is houder van de ter zake afgegeven kapiteinscognossementen aan order. MS 'IDA' Oetker is naar het daarop toepasselijke Engelse recht aan te merken als vervoerder onder deze cognossementen.

Voor geschillen uit hoofde van de bevrachting en het cognossement is arbitrage te Londen overeengekomen.

2.2.

De “Belo Horizonte” heeft, na inlading van partijen sojabonenproducten voor Cefetra, op 19 juni 2015 de laadhaven San Lorenzo verlaten. Op 21 juni 2015 ondervond het schip motorproblemen en is het naar een lig-/ankerplaats in Argentinië versleept voor een tijdelijke reparatie. Deze was op 20 juli 2015 gereed en op 24 juli 2015 is het schip weer vertrokken. Op 30 juni 2015 is avarij-grosse verklaard.

2.3.

Tijdens een verder te Salvador, Brazilië, ontstaan oponthoud is een expert ten behoeve van Cefetra tezamen met een expert namens de P&I Club van Oetker aan boord van het schip gegaan met de bedoeling (onder meer) technisch onderzoek te verrichten naar de conditie van het schip, inclusief de staat van de scheepsmotor en de verrichte reparaties. De kapitein heeft niet of nauwelijks willen meewerken aan dit onderzoek.

Ook in Engeland heeft Cefetra onderzoek gedaan naar de beschadigde hoofdmotor en de onderdelen daarvan. Hiertoe werd door Oetker slechts toestemming gegeven op voorwaarde dat aan de bemanningsleden geen vragen zouden worden gesteld, slechts de machinekamer zou worden betreden en geen kennis zou worden genomen van de documenten die zich aan boord bevonden. De expert zijdens Cefetra mocht relevante delen van de hoofdmotor niet aan nader onderzoek onderwerpen. Cefetra heeft bij herhaling om nadere stukken verzocht maar deze niet ontvangen.

2.4.

Op verzoek van Oetker heeft Cefetra een average bond gesteld en hebben de verzekeraars van Cefetra een average guarantee gesteld.

2.5.

Ingevolge een op 17 oktober 2015 verkregen verlof daartoe heeft Cefetra op 28 oktober 2015 bewijsbeslag gelegd op een aantal bescheiden dat zich bevond aan boord van de “Belo Horizonte” met aanwijzing van DigiJuris als gerechtelijk bewaarder.

2.6.

Tussen partijen is arbitrage in Londen aanhangig ter zake van de gebeurtenissen met de “Belo Horizonte”.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

Cefetra vordert - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. bepaalt dat op grond van artikel 843a Rv de aan boord van de “Belo Horizonte” in beslag genomen en in bewaring gegeven bewijsstukken - nadat separatie heeft plaatsgevonden - aan Cefetra ter beschikking zullen worden gesteld, hetgeen Oetker moet dulden op straffe van een dwangsom, althans

II. op grond van artikel 843a Rv toestaat dat voornoemde bewijsstukken, na separatie:

a. door Cefetra worden ingezien en worden onderzocht door een onafhankelijke en aan vertrouwelijkheid gebonden ICT-deskundige, van welk onderzoek een rapport zal worden opgesteld dat gelijktijdig aan alle partijen zal worden gezonden, althans

b. door Cefetra worden ingezien voor zover een door de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundige heeft bepaald dat het documenten betreft die voldoen aan de in alinea 25 van de dagvaarding gegeven omschrijving, althans,

c. door een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke deskundige (i) alle bescheiden worden ingezien waarop het beslag rust, (ii) wordt bepaald welke documenten voldoen aan de in alinea 25 van de dagvaarding gegeven omschrijving, (iii) aan die bescheiden een onderzoek wordt uitgevoerd op basis van nader te formuleren vragen, en (iv) daarover aan partijen wordt gerapporteerd,

hetgeen Oetker moet dulden op straffe van een dwangsom, en

III. Oetker, althans MS 'IDA' Oetker en Rudolf Oetker afzonderlijk, op grond van artikel 843a Rv veroordeelt om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het vonnis afschrift te verstrekken van alle bescheiden die voldoen aan de in alinea 25 van de dagvaarding gegeven omschrijving, op straffe van een dwangsom,

IV. (meer) subsidiair aan het gevorderde onder I, althans onder II en III, de voorwaarde verbindt dat afschrift en/of inzage zal worden gegeven nadat het stadium van “disclosure” in de hoofdprocedure is bereikt althans door de in de hoofdprocedure bevoegde arbiter en/of rechter een bevel met betrekking tot bewijslevering is gegeven, althans dat afschrift en/of inzage zal worden gegeven op een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze,

en voorts Oetker, althans MS 'IDA' Oetker en Rudolf Oetker afzonderlijk, veroordeelt tot betaling van de beslagkosten, de proceskosten en de nakosten, met rente.

3.2.

Hieraan legt Cefetra - voor zover relevant - de volgende stellingen ten grondslag:

  • -

    gelet op de verklaarde avarij-grosse en de op verzoek van Oetker gestelde garanties is aannemelijk dat Oetker Cefetra zal aanspreken tot betaling van een aandeel in de avarij-grosse zodra de average adjusters dit hebben vastgesteld,

  • -

    Cefetra is niet gehouden om bij te dragen voor zover sprake is van een gebrek aan redelijke zorg voor de zeewaardigheid van het schip bij aanvang van de reis,

  • -

    de weigerachtige opstelling van Oetker geeft reden om aan te nemen dat Oetker relevante informatie over de conditie van de scheepsmotoren van de “Belo Horizonte” probeert achter te houden,

  • -

    hiermee schaadt Oetker doelbewust de bewijspositie van Cefetra,

  • -

    Cefetra wenst op de voet van artikel 843a Rv afschrift van, althans inzage in, de op 28 oktober 2015 beslagen materialen, bescheiden en/of documenten, die voor het bewijs van de oorzaak van de schade van groot belang zijn omdat daaruit kan blijken of het defect al bestond voor aanvang van de reis en of dit defect het gevolg is van nalatigheid van Oetker, zoals een gebrek aan onderhoud.

4 Het geschil in het incident

4.1.

Oetker vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart met veroordeling van Cefetra, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

Oetker stelt daartoe - samengevat - het volgende.

Oetker heeft haar vestigingsplaats in Duitsland zodat de rechtbank niet als gerecht van de woonplaats van gedaagde bevoegd is. De hoofdzaak na het bewijsbeslag kan en moet in het Verenigd Koninkrijk worden ingesteld, alwaar ruime “disclosure” mogelijkheden bestaan. Het is onwenselijk om van Nederland een beslagparadijs voor “fishing expeditions” te maken door bewijsbeslag aan boord van schepen in Nederland toe te staan in verband met vervoer van lading buiten Nederland en vervolgens op basis van de beslaglegging rechtsmacht aan te nemen. Ook de vorderingen tot vergoeding van beslagkosten kunnen niet tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter of bevoegdheid van deze rechtbank leiden.

4.2.

Cefetra voert verweer. Zij voert - samengevat - het volgende aan.

Aangezien gedaagden in Duitsland zijn gevestigd moet de internationale bevoegdheid van de rechtbank worden vastgesteld met inachtneming van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel Ibis-Vo).

De Brussel Ibis-Vo is niet van toepassing op arbitrage.

De rechtsverhouding tussen partijen is contractueel van aard, gegrond op een Rudolf Oetker bindende bevrachtingsovereenkomst respectievelijk op MS IDA Oetker bindende cognossementen. Nakoming van deze overeenkomsten houdt ook de verplichting in om toegang te geven tot bewijsmiddelen. Voor zover de vordering gebaseerd op artikel 843a Rv als contractuele vordering in de zin van artikel 7 Brussel Ibis-Vo kan worden beschouwd, brengt deze bepaling mee dat Oetker kan worden gedagvaard voor de plaats waar die verbintenis moet worden uitgevoerd. Nu de bewijsmiddelen in handen zijn van de bewaarder in Nederland moet deze verbintenis in Nederland worden uitgevoerd. De rechtbank kan daarom aan artikel 7 Brussel Ibis-Vo internationale bevoegdheid ontlenen.

Daarnaast kwalificeert de weigering van Oetker om mee te werken aan de waarheidsvinding over de oorzaken van de problemen op de “Belo Horizonte” gedurende de onderhavige reis als een onrechtmatige daad. De tegenwerking door Oetker bij het ter beschikking stellen van bewijs kwalificeert als een schadebrengend feit in de zin van artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Vo, gepleegd in Rotterdam waar het bewijs is beslagen en in bewaring genomen en waar Oetker zich heeft verzet een zich blijft verzetten tegen de terbeschikkingstelling daarvan. Dus is de rechtbank ook op grond van artikel 7 lid 2 Brussel Ibis-Vo internationaal bevoegd.

Voorts kan de onderhavige vordering worden beschouwd als een provisionele maatregel die het logisch vervolg vormt van de eerdere bewarende maatregel die leidde tot het veiligstellen en in bewaring nemen van bewijsstukken. Op grond van artikel 35 Brussel Ibis-Vo is de rechtbank Rotterdam tot het treffen van zodanige maatregelen bevoegd.

Cefetra heeft, nu haar een vordering van ruim USD 1,5 miljoen boven het hoofd hangt, een reëel belang bij informatie over de oorzaken van het incident dat tot het verklaren van avarij-grosse heeft geleid. Dat is geen “fishing expedition” maar een noodzakelijke reactie op de ontwijkende, tegenwerkende en oneerlijke opstelling van Oetker.

Dat onder de bevrachtingsovereenkomst arbitrage aanhangig is heeft niet de onbevoegdheid van deze rechtbank tot gevolg. Nog daargelaten dat Oetker niet met zoveel woorden een beroep heeft gedaan op die arbitrageovereenkomst, staat deze niet in de weg aan een maatregel zoals door Cefetra verzocht in de hoofdzaak, zoals volgt uit artikel 1022b Rv. Een gelijke beslissing van arbiters is niet zo eenvoudig en snel te verkrijgen en ten uitvoer te leggen als Oetker doet voorkomen. Oetker heeft ook geen redelijk belang bij het aan arbiters overlaten om dergelijke maatregelen te treffen. Haar proceshouding tot op heden maakt aannemelijk dat zij zich daartegen ook in de arbitrage zal verzetten. Oetker heeft ook nog niet bevestigd dat zij de bevoegdheid van arbiters aanvaardt om te beslissen over in Nederland in beslag en bewaring genomen bewijsmiddelen.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in het incident

5.1.

Nu partijen in verschillende landen zijn gevestigd is en het vervoer over zee buiten Nederland betreft is sprake van een internationale zaak. In beginsel is de Brussel Ibis-Vo van toepassing op de vraag of aan deze rechtbank internationale bevoegdheid toekomt om van de vorderingen van Cefetra kennis te nemen.

5.2.

Oetker betoogt echter dat de Brussel Ibis-Vo toepassing mist en de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren omdat partijen arbitrage in Londen zijn overeengekomen.

5.3.

Dat partijen arbitrage in Londen zijn overeengekomen en dat Cefetra een arbiter heeft benoemd om in hoofdzaak over - samengevat - de aan het schadevoorval te verbinden consequenties te oordelen, is niet in geschil. De betreffende arbitrageclausule in de rider bij de bevrachtingsovereenkomst houdt in dat “All disputes from time to time arising out of this contract” aan arbitrage zijn onderworpen en de cognossementscondities bepalen dat de arbitrageclausule in de bevrachtingsovereenkomst ook deel uitmaakt van de cognossementscondities.

5.4.

Ook de in dit geding voorliggende vraag of Cefetra jegens Oetker recht heeft op inzage in of afschrift van stukken om te kunnen beoordelen wat de oorzaak was van de motorproblemen van de “Belo Horizonte”, om aldus te kunnen beoordelen of Cefetra aan de voorgeschiedenis van die motorproblemen een verweer kan ontlenen tegen een (verwachte) avarij-grossevordering, moet worden beschouwd als een geschil dat voortkomt uit de bevrachtingsovereenkomst respectievelijk de vervoerovereenkomst onder cognossement als bedoeld in de arbitrageclausule.

De rechtbank moet dan ook het Verdrag van New York van 10 juni 1958 over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken toepassen (hierna: het Verdrag van New York). Artikel 73 lid 2 Brussel Ibis-Vo bepaalt immers dat de verordening de toepassing van het Verdrag van New York onverlet laat.

Artikel II van het Verdrag van New York luidt, voor zover relevant:

“1. Iedere Verdragsluitende Staat erkent de schriftelijke overeenkomst waarbij partijen zich verbinden aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen alle of bepaalde geschillen welke tussen hen zijn gerezen of welke tussen hen zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking en betreffende een geschil, dat vatbaar is voor beslissing door arbitrage.

(...)

3. De rechter van een Verdragsluitende Staat bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt over een onderwerp ten aanzien waarvan partijen een overeenkomst als bedoeld in dit artikel hebben aangegaan, verwijst partijen op verzoek van een hunner naar arbitrage, tenzij hij constateert, dat genoemde overeenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast.”

De rechtbank moet zich dus onbevoegd verklaren op grond van artikel II lid 3 Verdrag van New York.

5.5.

Cefetra betoogt echter dat haar vordering (ook) strekt tot een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 35 Brussel Ibis-Vo en dat de rechtbank bevoegdheid kan aannemen ten aanzien van de verzochte maatregel, ook al is de eventuele vordering tot bijdrage in avarij-grosse aan arbiters voorbehouden.

5.6.

Oetker brengt daar primair tegenin dat de rechtbank ook aan artikel 35 Brussel Ibis-Vo geen bevoegdheid kan ontlenen omdat de gehele verordening toepassing mist, nu in artikel 1 lid 2 aanhef en onder 2 Brussel Ibis-Vo is bepaald dat de verordening niet van toepassing is op arbitrage. Subsidiair betwist Oetker dat de inzagevordering strekt tot een voorlopige of bewarende maatregel.

5.7.

Artikel 35 Brussel Ibis-Vo bepaalt:

“In de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen.”

Het is sinds het arrest Van Uden/Deco-Line (HvJ EG 17 november 1998, ECLI:NL:XX:1998:AD2958) vaste rechtspraak dat de overheidsrechter, onder bepaalde voorwaarden, voorlopige maatregelen mag treffen op grond van artikel 35 Brussel Ibis-Vo (dan wel de daaraan voorafgaande artikelen in de Brussel I-Vo en het EEX-Verdrag) ook indien de hoofdzaak voor arbiters moet worden gevoerd. Het primaire standpunt van Oetker faalt om deze reden.

5.8.

Het subsidiaire standpunt van Oetker treft wel doel. De vorderingen van Cefetra onder I, II en III strekken niet tot het nemen van een voorlopige of bewarende maatregel als bedoeld in artikel 35 Brussel Ibis-Vo. Daaronder moeten immers worden verstaan de maatregelen die, met betrekking tot de onder het toepassingsgebied van de Brussel I bis-Verordening vallende materies, bedoeld zijn om een feitelijke situatie of rechtssituatie in stand te houden ter bewaring van rechten waarvan de erkenning voor het overige wordt gevorderd voor de rechter die van het bodemgeschil kennis neemt (HvJ EG 26 maart 1992 (ECLI:EU:C:1992:149, Reichert/Dresdner Bank II) en HvJ EG 28 april 2005 (ECLI:EU:C:2005:255, St. Paul Dairy/Unibel).

Blijkens de considerans onder (25) van de Brussel Ibis-Vo vallen onder voorlopige en bewarende maatregelen wel conservatoire bevelen ter verkrijging van informatie of ter bescherming van bewijsmateriaal zoals bedoeld in de artikelen 6 en 7 van de Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (welke Richtlijn hier niet aan de orde is) maar niet maatregelen die geen conservatoir karakter hebben zoals maatregelen waarbij het verhoor van een getuige wordt gelast.

Hoewel het verzoek om verlof tot inbeslagneming van bewijsmateriaal wel een bewarend karakter heeft, kan niet hetzelfde worden gezegd van daarop volgende vorderingen gegrond op artikel 843a Rv tot verkrijging van inzage in dan wel afschrift of uittreksel van dat materiaal. Deze vorderingen hebben, zoals ook volgt uit de stellingen van Cefetra, materieel tot doel om inzicht te krijgen in de bewijspositie van partijen en de gevolgen daarvan zijn ook onomkeerbaar (vgl. HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8510, r.o. 3.5).

Dat deze vorderingen een logisch aansluitend vervolg zijn op het gelegde bewijsbeslag, kan geen doorkruising van de bevoegdheidsregeling van de Brussel Ibis-Vo rechtvaardigen.

5.9.

Aan de stellingen van partijen over artikel 1022a e.v. Rv gaat de rechtbank voorbij, nu deze bepaling ziet op het zich hier niet voordoende geval waarin arbitrage in Nederland is overeengekomen. In artikel 1074a e.v. Rv is het hier aan de orde zijnde geval voorzien dat arbitrage buiten Nederland is overeengekomen, maar de betreffende bepalingen scheppen geen rechtsmacht waar deze ontbreekt. De internationale bevoegdheid moet op andere gronden bestaan. Daarbij komt nog dat in artikel 1074b Rv, anders dan in artikel 1022b Rv, wel verschillende voorlopige bewijsverrichtingen worden benoemd maar niet - samengevat - de inzagevorderingen gegrond op artikel 843a Rv.

5.10.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet bevoegd is om te oordelen over vorderingen I, II en III.

5.11.

Subsidiaire vordering IV strekt ertoe dat de rechtbank aan toewijzing van het gevorderde onder I, althans onder II en III, de voorwaarde verbindt dat afschrift en/of inzage zal worden gegeven nadat het stadium van “disclosure” in de hoofdprocedure is bereikt althans door de in de hoofdprocedure bevoegde arbiter en/of rechter een bevel met betrekking tot bewijslevering is gegeven, althans dat afschrift en/of inzage zal worden gegeven op een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze.

Ter zitting heeft de rechtbank gevraagd of deze vordering zo moet worden begrepen dat het oordeel daarover moet worden aangehouden totdat - kort gezegd - arbiters in Engeland zich hebben uitgelaten over de eigen bevoegdheid. Cefetra heeft hierop ontkennend geantwoord en verklaard dat alleen de bevoegdheidsvraag aan de orde was. De rechtbank leidt hieruit af dat deze vordering niet voorwaardelijk is ingesteld in die zin dat deze pas aan de orde is zodra men in de arbitrageprocedure aan (voorlopige) bewijsvergaring of bewijslevering toekomt.

Hoewel deze meer subsidiaire vordering het primaat legt bij de in de hoofdzaak bevoegde arbiter(s), kan de rechtbank ook hier geen bevoegdheid aannemen. Ook hier is immers geen sprake van een voorlopige of bewarende maatregel terwijl de rechtbank gelet op de arbitrageovereenkomst niet bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen.

5.12.

De conclusie is dat de incidentele vordering moet worden toegewezen en de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren.

5.13.

Cefetra zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Oetker in het incident worden begroot op € 904,00 voor salaris advocaat (2,0 punt (conclusie en pleidooi) × tarief € 452,00).

in de hoofdzaak

5.14.

Door de onbevoegdverklaring eindigt de hoofdzaak. Cefetra zal in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu zij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van Oetker in de hoofdzaak worden begroot op € 619,00 voor griffierecht.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident en in de hoofdzaak

6.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

6.2.

veroordeelt Cefetra in de proceskosten , aan de zijde van Oetker tot op heden begroot op € 1.523,00 (€ 904,00 in het incident en € 619,00 in de hoofdzaak),

6.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan, mr. W.P. Sprenger en mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2017.

(1885/1928/1573/901)