Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:989

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
ROT 16/7983 en ROT 16/7973
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Tijdelijke omgevingsvergunning voor vijf jaar voor het bouwen van een strandpaviljoen. Belanghebbendheid mede vanwege de ruimtelijke uitstraling van het project op woon- en leefklimaat. Strandpaviljoen betreft nieuwe bebouwing, die op grond van artikel 2.3.5 (“Bouwen in het kustfundament buiten stedelijk gebied”), eerste lid van het Barro is verboden. Niet is gemotiveerd en onderbouwd dat de uitzonderingsgrond van artikel 2.3.5, tweede lid, onder a, van het Barro zich voordoet. Tijdelijkheid omgevingsvergunning maakt nog niet dat activiteiten daarmee als tijdelijk kunnen worden beschouwd. Bovendien bevat de motivering van het besluit geen goede ruimtelijke onderbouwing. Gelet hierop kan de omgevingsvergunning niet in stand blijven. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 2.3.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/760
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: ROT 16/7983

ROT 16/7973 (hoofdzaak)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 februari 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak tussen

de [naam vereniging], te [vestigingsplaats] ,

[eiser] , te [woonplaats] ,

[eisers] , [woonplaats] ,

[eiseres 1] , te [woonplaats] ,

[eiseres 2] , te [woonplaats] ,

verzoekers, tevens eisers (hierna: eisers),

gemachtigde: mr. E.H.A. Sandberg,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee, verweerder,

gemachtigde: F. ten Brinke.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: I&J Onroerend goed B.V., te Ouddorp, vergunninghoudster, gemachtigde: mr. A.P. Cornelissen.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2016, bekendgemaakt op 15 november 2016, heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een strandpaviljoen op de locatie [adres] te Ouddorp.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij besluit van 11 januari 2017 de bij besluit van 4 november 2016 verleende omgevingsvergunning ingetrokken en aan vergunninghoudster een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de duur van vijf jaar voor het bouwen van een strandpaviljoen op de locatie [adres] te Ouddorp.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door [adviseur] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [derde belanghebbenden] .

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Eisers hebben aanvullende gronden tegen het besluit van 11 januari 2017 ingediend. Verweerder heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 27 januari 2017. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door [adviseur] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [derde belanghebbenden] .

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

1.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet de situatie als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb zich voor, zodat het beroep en verzoek van eisers worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 januari 2017.

2.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de [naam vereniging] als belanghebbende kan worden aangemerkt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daar anders over te oordelen.

2.2.

Verweerder en vergunninghoudster stellen zich op het standpunt dat de overige eisers niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Deze natuurlijke personen zijn allen bewoners en/of eigenaren van recreatiewoningen aan [locatie] in Ouddorp. Volgens verweerder en vergunninghoudster zijn de recreatiewoningen van deze eisers op een te grote afstand van de bouwlocatie gelegen en zullen deze eisers vanaf hun recreatiewoningen geen zicht hebben op het te bouwen strandpaviljoen, dan wel onvoldoende zicht om als belanghebbenden te kunnen worden aangemerkt. Evenmin zijn er andere omstandigheden op grond waarvan ze als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, aldus verweerder en vergunninghoudster.

2.3.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers gesteld en onderbouwd aan de hand van een schets, dat eiseres [eiseres 1] vanuit haar recreatiewoning aan [adres] zicht zal hebben op het bovenste deel van het te bouwen strandpaviljoen. Dit is door verweerder en vergunninghoudster niet betwist, zodat de voorzieningenrechter dit voldoende aannemelijk gemaakt acht. Verweerder en vergunninghoudster stellen evenwel dat vanwege de grote afstand van deze recreatiewoning tot de bouwlocatie alsmede het beperkte zicht op het bouwwerk, [eiseres 1] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet en is van oordeel dat [eiseres 1] als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiertoe acht de voorzieningenrechter van belang dat [eiseres 1] zicht zal hebben op het strandpaviljoen, en dat, ondanks de afstand tussen haar recreatiewoning en het strandpaviljoen, aannemelijk is dat het vergroten van het strandpaviljoen een behoorlijke ruimtelijke uitstraling zal hebben op het woon- en leefklimaat van [eiseres 1] , omdat het een natuurgebied betreft waarin het strandpaviljoen de enige bebouwing is tussen haar recreatiewoning en de zee.

2.4.

Tijdens de zitting op 17 januari 2017 heeft de gemachtigde van eisers gemotiveerd betoogd dat eiser [eiser] belanghebbende is, omdat zijn recreatiewoning aan [adres] is gelegen naast het toegangspad naar het strandpaviljoen. [eiser] stelt overlast te ondervinden van feestgangers die in de avond en nacht vanaf het strandpaviljoen langs zijn recreatiewoning naar de parkeerplaats gaan. Niet in geschil is dat met de verleende omgevingsvergunning het maximaal aantal bezoekers van feesten of evenementen toeneemt van 230 naar 345 bezoekers. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreft dit een zodanige ruimtelijke uitstraling voor [eiser] , dat hij daarom ook als belanghebbende moet worden aangemerkt.

2.5.

Namens de overige eisers, [eisers] ( [adres] ) en [eiseres 2] ( [adres] ) is het standpunt van verweerder en vergunninghoudster onvoldoende gemotiveerd weersproken dat zij geen zicht zullen hebben op het strandpaviljoen, dat hun recreatiewoningen zijn gelegen op meer dan 300 meter afstand van de bouwlocatie, en dat er geen overige omstandigheden zijn op grond waarvan zij als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. De door eisers gestelde vrees voor geluidsoverlast is onvoldoende onderbouwd en reeds daarom onvoldoende om hen als belanghebbenden aan te kunnen merken.

2.6.

Gelet op het voorgaande zijn de [naam vereniging] , en de eisers [eiseres 1] en [eiser] ontvankelijk in hun beroep en verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter verklaart de eisers [eisers] en [eiseres 2] niet-ontvankelijk in hun beroep en verzoek.

In de hierna volgende overwegingen wordt met ‘eisers’ bedoeld: de [naam vereniging] , [eiseres 1] en [eiser] .

3.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2.

Aangezien vergunninghoudster zo spoedig mogelijk wil beginnen met de bouw van het nieuwe strandpaviljoen, hebben eisers naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

4.1.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

5.1.

Tijdens de zitting op 27 januari 2017 hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat het besluit van 11 januari 2017 onbevoegd is genomen, omdat vergunninghoudster aan verweerder niet heeft verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning, maar om een wijziging ervan in een tijdelijke omgevingsvergunning.

5.2.

Op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover de vergunninghouder daarom heeft verzocht. Uit de toelichting van verweerder ter zitting blijkt dat verweerder telefonisch contact heeft gehad met vergunninghoudster over het verzoek tot wijziging. Hieruit bleek dat het de bedoeling was van vergunninghoudster dat de oude vergunning zou worden ingetrokken en vervangen zou worden door een omgevingsvergunning voor de duur van vijf jaar. Ter zitting heeft de gemachtigde van vergunninghoudster de door verweerder gestelde gang van zaken bevestigd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder het verzoek tot wijziging van de omgevingsvergunning mocht opvatten als een verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning en verlening van een tijdelijke omgevingsvergunning. De stelling dat het besluit van 11 januari 2017 onbevoegd is genomen, faalt derhalve.

6. De omgevingsvergunning zoals verleend bij het besluit van 4 november 2016 is derhalve ingetrokken bij het besluit van 11 januari 2017. De voorzieningenrechter zal het beroep voor zover het is gericht tegen het besluit van 4 november 2016 dan ook niet-ontvankelijk verklaren, omdat niet is gesteld of gebleken dat eisers nog belang hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid daarvan.

7. Het bouwplan voorziet in vervanging van het huidige strandpaviljoen van vergunninghoudster door een nieuw te bouwen strandpaviljoen. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied Goedereede” (hierna: het bestemmingsplan). Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van onder meer het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor de activiteiten bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo) en planologisch strijdig gebruik (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo).

8.1.

Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Verweerder en vergunninghoudster hebben dit standpunt betwist en stellen dat nu de omgevingsvergunning is gewijzigd in een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van vijf jaar, deze niet in strijd is met het Barro.

8.2.

Op grond van artikel 2.3.5 “Bouwen in het kustfundament buiten stedelijk gebied”, eerste lid, van het Barro, maakt een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden buiten het stedelijk gebied ten opzichte van het daaraan voorafgaande geldende bestemmingsplan geen nieuwe bebouwing mogelijk.

8.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het verbod in artikel 2.3.5, eerste lid, van het Barro, gelet op het bepaalde in artikel 1, vijfde lid, van het Barro, ook geldt voor de verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Niet is in geschil dat bij de onderhavige omgevingsvergunning sprake is van bouwen in het kustfundament buiten het stedelijk gebied. Op grond van artikel 2.3.1, eerste lid, van het Barro wordt onder het begrip nieuwe bebouwing verstaan: oprichten van bouwwerken, anders dan het vervangen van bouwwerken door bouwwerken van gelijke omvang. Het nieuw te bouwen strandpaviljoen heeft een grotere omvang dan het oude strandpaviljoen en betreft daarom nieuwe bebouwing, die op grond van artikel 2.3.5, eerste lid van het Barro is verboden, tenzij een omstandigheid zich voordoet als bepaald in het tweede of derde lid.

8.4.

Op grond van artikel 2.3.5, tweede lid, aanhef en onder a, van het Barro is het verbod van het eerste lid niet van toepassing op bouwwerken ten behoeve van tijdelijke of seizoensgebonden activiteiten. In geschil is of deze uitzonderingsgrond van toepassing is. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit geen motivering bevat met betrekking tot de bepalingen van het Barro. De stelling van verweerder ter zitting dat het Barro niet van toepassing is, kan gelet op het voorgaande niet worden gevolgd. Verweerder had in het besluit dienen te motiveren dat, zoals ter zitting is gesteld, het verbod van het eerste lid niet van toepassing is omdat volgens verweerder sprake is van een ‘bouwwerk ten behoeve van tijdelijke of seizoensgebonden activiteiten’. Het bestreden besluit lijdt dan ook aan een motiveringsgebrek. Tussen partijen is niet in geschil dat de omgevingsvergunning die bij besluit van 4 november 2016 was verleend, in strijd was met het Barro. De enkele omstandigheid dat de thans verleende omgevingsvergunning voor een bepaalde tijd geldig is, betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat de activiteiten waarvoor het bouwwerk wordt opgericht daarmee als tijdelijke activiteiten kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 2.3.5, tweede lid, van het Barro. De voorzieningenrechter acht die tijdelijkheid ook overigens niet op voorhand aannemelijk, nu het geen activiteiten betreft die naar hun aard een tijdelijk karakter hebben en niet is gebleken dat bij vergunninghoudster de intentie bestaat om het strandpaviljoen slechts voor een tijdelijke periode te gebruiken. Integendeel, ter zitting is gebleken dat bij vergunninghoudster de wens bestaat om de omgevingsvergunning na vijf jaar te verlengen. Gelet op de mogelijkheid om een tijdelijke omgevingsvergunning op verzoek te verlengen acht de voorzieningenrechter geenszins aannemelijk dat het strandpaviljoen er maximaal vijf jaar zal staan. De omstandigheid dat de vereiste watervergunning voor een periode van vijf jaar is verleend, maakt het voorgaande niet anders, nu deze eveneens op verzoek kan worden verlengd. De voorzieningenrechter ziet geen grond om op voorhand aan te nemen dat een aanvraag om verlenging van de omgevingsvergunning over vijf jaar door verweerder zal worden afgewezen, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gesteld.

8.5.

Gelet op het voorgaande is zowel in het bestreden besluit als ook ter zitting door verweerder onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat de uitzonderingsgrond van artikel 2.3.5, tweede lid, onder a, van het Barro zich voordoet. Gelet hierop kan de omgevingsvergunning niet in stand blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het beroep gegrond te verklaren.

9. Bovendien hebben eisers naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aangevoerd dat de motivering van het besluit in strijd met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo geen goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De ruimtelijke onderbouwing die behoorde bij de omgevingsvergunning zoals verleend bij het besluit van 4 november 2016, moet volgens het bestreden besluit worden geacht tevens deel uit te maken van de motivering van het bestreden besluit van 11 januari 2017. Voor de vergunningverlening was een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan onder meer nodig omdat het bouwplan de maximaal toegestane goothoogte en bouwhoogte overschrijdt. Uit de ruimtelijke onderbouwing bij het besluit van 4 november 2016 blijkt dat verweerder deze overschrijding ruimtelijk acceptabel acht, omdat de hoogte van het te bouwen strandpaviljoen de hoogte van de duinen ter plaatse niet overschrijdt. Uit de reactie op de ingediende zienswijzen blijkt dat verweerder er bij de besluitvorming vanuit is gegaan dat het strandpaviljoen inclusief de palen een hoogte zal hebben van 9,2 meter en dat de duinen die direct daarachter zijn gesitueerd een hoogte hebben van circa 20 meter. Door eisers is echter aannemelijk gemaakt dat de hoogte van het strandpaviljoen 13,7 meter boven NAP zal zijn, terwijl het hoogste punt van de duinen achter het strandpaviljoen is gelegen op ongeveer 11,5 meter boven NAP. Ter zitting is door verweerder en vergunninghoudster erkend dat de door eisers gestelde hoogten juist zijn. Namens verweerder is ter zitting evenwel gesteld dat ook indien bij de besluitvorming van de juiste hoogten was uitgegaan, de omgevingsvergunning zou zijn verleend. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat ondanks dat verweerder op 11 januari 2017 een nieuw besluit heeft genomen, de ruimtelijke onderbouwing op dit punt niet is hersteld en niet van een nadere motivering op dit punt is voorzien. Hierdoor is geen motivering bekend waarom verweerder, ondanks dat het strandpaviljoen de hoogte van de duinen zal overschrijden, het bouwplan niet in strijd acht met de goede ruimtelijke ordening. Het besluit is derhalve niet voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en de omgevingsvergunning kan daarom ook om deze reden niet in stand blijven.

10. Voorts hebben eisers terecht aangevoerd dat het te bouwen strandpaviljoen het aanduidingsvlak overschrijdt en dat in het besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom op dit punt van het bestemmingsplan wordt afgeweken. In het nieuwe besluit van 11 januari 2017 heeft verweerder hierover weliswaar gemotiveerd dat de zeewaartse overschrijding van het aanduidingsvlak in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet bezwaarlijk wordt geacht, maar in het besluit ontbreekt een motivering ten aanzien van de overschrijding van het aanduidingsvlak in westelijke richting. Derhalve is het besluit ook op dit punt in strijd met het motiveringsbeginsel.

11. Eisers hebben voorts terecht aangevoerd dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met de artikelen 18.2 en 18.3 van de bestemmingsplanvoorschriften. Op grond van artikel 18.2 mag het grondoppervlak van een strandpaviljoen inclusief terras en verkeersruimten ten hoogste 800 m² bedragen. Artikel 18.3 maakt een binnenplanse afwijking mogelijk voor het vergroten van het grondoppervlak tot 1.000 m². In het besluit van 11 januari 2017 is verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing behorende bij het besluit van 4 november 2016, waarin staat gemotiveerd dat met toepassing van artikel 18.3 wordt afgeweken van het maximaal toegestane grondoppervlak. Eisers hebben aangevoerd dat bij de berekening van de grondoppervlakte ten onrechte geen rekening is gehouden met de oppervlakte van twee terrastrappen. Hierdoor komt de totale grondoppervlakte uit op 1.050 m², zodat een binnenplanse afwijking met toepassing van artikel 18.3 niet mogelijk is, aldus eisers. Door verweerder en vergunninghoudster is ter zitting niet bestreden dat de terrastrappen niet zijn meegenomen in de berekening van de grondoppervlakte en dat als ze hierin wel zouden worden meegenomen, de totale oppervlakte 1.050 m² zou bedragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dienen de terrastrappen te worden meegenomen in de berekening van de totale grondoppervlakte, omdat het verkeersruimten betreft zoals genoemd in artikel 18.2. Nu de totale grondoppervlakte 1.050 m² bedraagt, had de omgevingsvergunning daarom niet kunnen worden verleend met toepassing van artikel 18.3 van de bestemmingsplanvoorschriften. Vergunninghoudster heeft zich ter zitting beroepen op de afwijkingsmogelijkheid van artikel 40.1, waarin is bepaald dat bouwgrenzen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels mogen worden overschreden door tot gebouwen behorende trappen, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 meter bedraagt. De omgevingsvergunning is echter niet met toepassing van deze bepaling verleend en de voorzieningenrechter acht het niet op voorhand aannemelijk dat met toepassing van deze bepaling binnenplans kan worden afgeweken van de artikelen 18.2 en 18.3 van de bestemmingsplanvoorschriften. Het is aan verweerder om een eventuele binnenplanse of buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan aan een omgevingsvergunning ten grondslag te leggen en deze in een besluit deugdelijk te motiveren, hetgeen in het bestreden besluit niet is gebeurd.

12. Gelet op voorgaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omgevingsvergunning niet in stand kan blijven. De overige aangevoerde beroepsgronden behoeven dan ook thans geen bespreking. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de omgevingsvergunning is verleend. Het bestreden besluit blijft in stand voor zover daarbij de op 4 november 2016 verleende omgevingsvergunning is ingetrokken.

13. Nu het beroep gegrond is en de omgevingsvergunning wordt vernietigd, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

14. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

15. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 2 punten voor het tweemaal verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep en verzoek voor zover ingediend door [eisers] en [eiseres 2] niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van de overige eisers voor zover gericht tegen het besluit van 4 november 2016 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van de overige eisers voor zover gericht tegen het besluit van 11 januari 2017 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 11 januari 2017 voor zover daarbij de omgevingsvergunning is verleend;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 334,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.980,-, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Houtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op de voorlopige voorziening, staat geen rechtsmiddel open.

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.