Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9801

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
C/10/490972 en C/10/502103
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:3422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Partijen voeren al jaren lang strijd over de invulling en nakoming van de omgangsregeling. De communicatie tussen partijen is slecht en de ingezette hulpverlening is er niet in geslaagd partijen nader tot elkaar te brengen. Partijen verwijten elkaar over en weer gemaakte afspraken met betrekking tot de voorlopige omgangsregeling niet na te komen. Mede gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming die na onderzoek concludeert dat er geen contra-indicaties zijn voor een omgangsregeling, wordt een regeling vastgesteld. Gezien de opstelling van partijen in het verleden ziet de rechtbank aanleiding om in het belang van de minderjarigen aan beide partijen als prikkel tot een correcte nakoming van de omgangsregeling een dwangsom op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/490972 / FA RK 15-10214

C/10/502103 / FA RK 16-4165

Beschikking van 5 december 2017 betreffende het ouderlijk gezag; de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] [adres man] ,

advocaat mr. F. Arslan te 's-Gravenhage,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenbeschikkingen van 22 april 2016, 20 september 2016 en 10 maart 2017;

- de correspondentie, waaronder:

  • -

    het F 9 formulier van de vrouw, gedateerd 11 april 2017;

  • -

    het F 9 formulier van de man, gedateerd 18 april 2017;

  • -

    het faxbericht van de man, gedateerd 28 juli 2017;

  • -

    het faxbericht, met bijlagen, van de man, gedateerd 10 oktober 2017.

1.2.

De voortgezette behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 november 2017.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat, die ter zitting producties heeft overgelegd;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door C. Boix.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2017 is een voorlopige zorgregeling bepaald inhoudende dat de minderjarigen iedere dinsdag om 18.30 uur via Skype of Facetime contact met de man hebben, alsmede dat de minderjarigen eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 12.00 uur tot 15.00 uur bij de man verblijven.

De beslissing ten aanzien van het gezag en de zorgregeling is aangehouden in afwachting van nader bericht van partijen over de voortgang van de gesprekken met het [Wijkteam X] en de wijze waarop de contacten verlopen.

3 De beoordeling

3.1.

Gezag

3.1.1.

De man verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen alleen aan hem toekomt.

3.1.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen alleen aan haar toekomt.

3.1.3.

Hoofdregel is dat ouders na echtscheiding het ouderlijk gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Het gezamenlijk gezag kan ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW vermelde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

3.1.4.

De rechtbank stelt vast dat sinds de echtscheiding van partijen hun communicatie is verslechterd. De rechtbank is van oordeel dat er aldus sprake is van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 1:253n lid 1 BW.

3.1.5.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of er sprake is van een van de criteria genoemd in artikel 1:251a BW.

3.1.6.

Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

In de raadsrapportage van 24 oktober 2016 concludeert de raad dat de communicatie tussen partijen onvoldoende is om beslissingen aangaande de minderjarigen in gezamenlijk overleg te nemen. De raad acht het in het belang van de minderjarigen dat ouders proberen de communicatie weer op gang te brengen. Hoewel ouders hiertoe volgens de raad wel enig bereidheid tonen, is de raad van mening dat ouders niet in staat zijn om zonder begeleiding op ouderniveau te communiceren en afspraken te maken heeft de raad partijen geadviseerd zich voor bemiddeling tot het [Wijkteam X] te wenden.

Uit de door de man overgelegde e-mail van 22 augustus 2017 van R. Visser van jeugdteams Zuid-Holland zuid blijkt dat er bij de vrouw geen bereidheid bestaat de gesprekken met de man aan te gaan. Volgens de vrouw omdat de man tijdens het intakegesprek ook weer leugens vertelt en niet vooruit wil kijken.

3.1.7.

Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat er geen constructieve communicatie tussen partijen mogelijk is en dat er in gezamenlijkheid geen beslissingen over de minderjarigen genomen kunnen worden. Uit de verklaring van de vrouw ter zitting valt af te leiden dat zij, gezien de opstelling van de man zoals zij die in de voorgaande jaren heeft ervaren, haar vertrouwen in de man als ouder volledig verloren heeft en meent dat de man zijn kansen om invulling aan zijn ouderrol te geven, heeft verspeeld. Er is geen enkele ingang bij de vrouw, voor de inzet van verdere hulpverlening gericht op het herstel van de onderlinge communicatie. Gelet hierop valt niet te verwachten dat partijen binnen afzienbare termijn wel in staat zullen zijn tot een constructieve communicatie.

In het licht van het voorgaande beëindigt de rechtbank het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag aan de vrouw, als degene die belast is met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarigen, toekomt. Het verzoek van de man hem alleen met het gezag te belasten zal worden afgewezen.

3.2.

Verblijfplaats en raadsonderzoek

3.2.1.

De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen.

De man verzoekt voorts een raadsonderzoek waarin de beschuldigingen van de vrouw jegens de man wegens mishandeling van de kinderen onderzocht kunnen worden alsmede naar het verzoek van de man betreffende de hoofdverblijfplaats.

3.2.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.2.3.

De rechtbank overweegt dat aangezien de vrouw alleen met het gezag wordt belast het in de rede ligt de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw te bepalen. Het verzoek van de man zal worden afgewezen. Het verzoek van de man een raadsonderzoek te gelasten wordt eveneens afgewezen omdat de rechtbank zich middels de rapportage van 25 oktober 2016 voldoende acht voorgelicht en niet is gebleken van zo’n wijziging van omstandigheden dat een nieuw onderzoek gewenst is.

3.3.

Omgangsregeling

3.3.1.

De man verzoekt wijziging van de beschikking van 14 januari 2014 met vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) inhoudende dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur bij hem verblijven alsmede iedere woensdag van 14.00 uur tot 19.00 uur en de helft van iedere schoolvakantie, de helft van alle feestdagen, verjaardagen en bijzondere dagen, op straffe van het opleggen van lijfsdwang voor iedere keer dat de vrouw de omgang niet toe staat, dan wel op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,- voor iedere keer dat de vrouw de omgang niet toestaat of frustreert , met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

3.3.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.3.3.

De man stelt dat de vrouw op geen enkele wijze uitvoering heeft gegeven aan de voorlopige zorgregeling zoals bepaald bij beschikking van 10 maart 2017.

Er is al maanden geen contact tussen de man en de kinderen. De maatschappelijk werker van het [Wijkteam X] R. Visser, is er niet in geslaagd partijen tot elkaar te brengen. De gesprekken zijn nooit aangevangen omdat de vrouw geen medewerking verleende. Ook belcontacten zijn niet mogelijk gebleken omdat de vrouw de telefoon niet opneemt of de telefoon uitzet.

Inmiddels is de man gebleken dat de vrouw met de kinderen met onbekende bestemming is vertrokken. De man weet niet waar en of de vrouw en de kinderen nog in Nederland zijn. De vrouw heeft de kinderen kortgezegd aan het gezag van de man onttrokken en frustreert de omgang tussen de man en de kinderen. Het heeft volgens de man de schijn dat de vrouw de man volledig uit het leven van de kinderen wil bannen. De man wijst er op dat het de taak van de rechter is om de omgang te bevorderen. Aangezien de vrouw de eerder vastgestelde voorlopige omgangsregeling niet nakomt heeft de man zijn verzoek aangevuld met een verzoek tot lijfsdwang als de vrouw in gebreke blijft. Tijdens de gijzelneming van de vrouw kunnen de kinderen bij de man verblijven of door grootmoeder vz. worden opgevangen.

3.3.4.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij de man in de afgelopen vijf jaar vele kansen heeft geboden maar dat hij deze niet oppakt. De man komt bij de eerste contact te laat en laat het de tweede keer, zonder tijdig bericht, helemaal afweten. De vrouw heeft het gevoel dat zij de man alle gelegenheid biedt om contact met de kinderen te hebben maar moet telkens constateren dat de man zijn verantwoordelijkheid hierin niet neemt, hetgeen de vrouw bijzonder stoort.

3.3.5.

Namens de raad is benadrukt dat de minderjarigen recht hebben op een vader in hun leven. Het is van belang voor een evenwichtige ontwikkeling dat kinderen met hun beide ouders een band kunnen opbouwen, ongeacht de gevoelens of weerstand die de verzorgende ouder voelt jegens de andere ouder. Indien de rechtbank beslist een omgangsregeling op te leggen, is het van belang dat de man zich in het belang van de kinderen en om het vertrouwen van de vrouw terug te krijgen, stipt houdt aan deze regeling.

3.3.6.

De rechtbank overweegt dat al eerder door de raad is geconstateerd dat er geen contra-indicaties zijn voor contacten tussen de man en de minderjarigen en dat in het belang van de minderjarigen met een opbouw toegewerkt moet gaan worden naar een regeling waarbij de minderjarigen eenmaal per twee weken een weekend bij de man zullen zijn, alsmede de helft van de vakanties. Omdat ouders er niet in slagen tot een constructieve manier van communiceren met elkaar te komen en afspraken voor de invulling van de omgangsregeling te maken, zal de rechtbank een regeling bepalen, inhoudende dat er met een opbouw van de contacten wordt toegewerkt naar een gebruikelijke omgangsregeling. Teneinde de contacten tussen partijen zoveel mogelijk te beperken, zal de man de kinderen op school ophalen en daar terugbrengen. De rechtbank benadrukt dat het de taak van de vrouw als verzorgende ouder is, de kinderen op de hoogte te brengen van de regeling en voor te bereiden op de contacten met de man en de school hieromtrent te informeren.

3.3.7.

De man heeft verzocht aan de medewerking van de vrouw aan de op te leggen omgangsregeling lijfsdwang te verbinden. Lijfsdwang is een uiterst middel om een veroordeelde ertoe te bewegen zich aan een opgelegde ge/verbod te houden, dat voorts aannemelijk is dat de toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van (in casu) de man toepassing daarvan rechtvaardigt.

Omdat de man (vooralsnog) niet aannemelijk heeft gemaakt dat een dwangsom niet zal baten, acht de rechtbank geen gronden aanwezig de primair verzochte tenuitvoerlegging bij lijfsdwang op te leggen.

3.3.8.

Wel ziet de rechtbank aanleiding in het tot dusver ontbreken van bereidheid bij de vrouw om volledig aan rechterlijke beslissingen mee te werken, thans aan de nakoming door de vrouw aan de op te leggen regeling een dwangsom te verbinden. De verzochte dwangsom zal worden gematigd en tot een maximum worden beperkt, als na te melden.

3.3.9.

Ook in de tot heden gebleken ambivalente houding van de man ten aanzien van de nakoming van de omgangsregeling ziet de rechtbank aanleiding om, conform het verzoek van de vrouw, te bepalen dat de man een dwangsom zal verbeuren per keer dat hij in gebreke blijft op correcte wijze uitvoering te geven aan de vastgestelde omgangsregeling.

3.3.10.

De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat aan beide ouders een prikkel van de dwangsom wordt gegeven zodat zij de in deze beschikking vastgestelde omgangsregeling stipt zullen nakomen, opdat de inmiddels ontstane impasse waarbij ouders elkaar de schuld geven van het mislukken van de voorlopig vastgestelde zorgregeling wordt doorbroken. Ouders moeten hun onderlinge strijd te staken en zich concentreren op wat hun kinderen nodig hebben. Hun kinderen willen de mogelijkheid hebben en de oprechte toestemming krijgen om op een onbezorgde manier contact te hebben met beide ouders. Het is de plicht van ouders om afstand te nemen van hun eigen negatieve emoties en gedachten over elkaar, omdat zij hiermee hun kinderen verdriet doen en hen op langere termijn permanent beschadigen. Zij plaatsen door hun strijd hun kinderen in de onmogelijke positie voor een van hen beiden te moeten kiezen.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

De man verzoekt de vrouw in de proceskosten te veroordelen.

3.4.2.

Gelet op de aard van de procedure ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van hetgeen te doen gebruikelijk is in familierechtelijke procedures en zal bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarige [naam minderjarige 1.] , geboren op [geboorte datum + plaats mj 1.] en [naam minderjarige 2.] , geboren op [geboortedatum + plaats mj 2.] , voortaan aan de vrouw toekomt;

4.2.

bepaalt dat de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht als volgt zal zijn:

  • -

    de minderjarigen verblijven van vrijdag 15 december 2017 na school (15.15 uur ) tot maandag 18 december 2017 voor school (8.30 uur) bij de man, de man haalt de kinderen uit school op en brengt hen daar op maandagochtend terug;

  • -

    vervolgens verblijven de minderjarigen tweemaal om de drie weken van vrijdag na school tot maandag voor school bij de man; de eerste keer van vrijdag 12 januari 2018, de tweede keer van 2 februari 2018; de man haalt de kinderen uit school op en brengt hen daar op maandagochtend terug;

  • -

    daarna verblijven de minderjarigen om de twee weken van vrijdag na school tot maandag voor school bij de man, de eerste keer op vrijdag 16 februari 2018; de man haalt de kinderen uit school op en brengt hen daar op maandagochtend terug;

4.3.

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een dwangsom van € 500,-- per keer dat de vrouw in gebreke blijft mee te werken aan de hierboven bepaalde omgangsregeling, met een maximum van € 5.000,-;

4.4.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een dwangsom van € 500,-- per keer dat de man in gebreke blijft op correcte wijze uitvoering te geven aan de hierboven bepaalde omgangsregeling, met een maximum van € 5.000,-;

4.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.I.J. de Roo op

5 december 2017.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.