Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9799

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
C/10/530852 / HA RK 17-619
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil Onderpresteren bij neuropsychologisch (hulp)onderzoek Deskundigenbericht neuroloog onvoldoende inzichtelijk en bindt partijen niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rekestnummer: C/10/530852 / HA RK 17-619

Beschikking van 27 december 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. W.H.M.J. Pelckmans te Venray,

tegen

naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX N.V.,

mede handelend onder de naam London Verzekeringen,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoekster] en Allianz.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met producties,

  • -

    het verweerschrift met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling ter openbare zitting van 16 november 2017,

  • -

    de pleitnotitie van [verzoekster] .

2 De feiten

2.1.

Op 4 april 2003 is de bestuurder van een bij Allianz in het kader van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen verzekerde auto in een slip geraakt en tegen een boom tot stilstand gekomen (verder: het ongeval). Bij het ongeval zijn twee van de zes inzittenden om het leven gekomen en zijn de andere vier personen, waaronder [verzoekster] , ernstig gewond geraakt. [verzoekster] was destijds 14 jaar oud.

2.2.

Allianz heeft jegens [verzoekster] de volledige aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend.

2.3.

In 2007 is op gezamenlijk verzoek van partijen een orthopedische expertise uitgevoerd naar de ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen van [verzoekster] . Hierbij is op orthopedisch vakgebied een blijvende invaliditeit vastgesteld van 4% van de gehele mens.

2.4.

Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft [Persoon 1] (verder: [Persoon 1] ) een neurologische expertise naar de ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen van [verzoekster] uitgevoerd. [Persoon 1] heeft hierbij gebruik gemaakt van een hulponderzoek door de neuropsycholoog [Persoon 2] (verder: [Persoon 2] ).

2.5.

De bevindingen van [Persoon 2] zijn neergelegd in haar rapport van 14 december 2012. Dit rapport vermeldt – voor zover hier van belang – :

“[…]

Hetero-anamnese:

De moeder van [verzoekster] heeft in een reactie per e-mail, die ze samen met [verzoekster] heeft opgesteld, een aantal vragen over het functioneren van [verzoekster] van voor het ongeval, vlak na het ongeval en het actuele, functioneren beantwoord.

[…]

Moeder vindt [verzoekster] nogal verandert sinds het ongeval. Ze zou niet meer gemakkelijk contacten leggen. Ze zou veranderingen in haar leven ook tegenhouden of vermijden. Ze zou meer gesloten zijn geworden. Ze is sneller vermoeid. Het concentratievermogen is verminderd. Ze is niet meer zo toegankelijk en snel prikkelbaar. Ze probeert haar leven wel weer op te pakken met werk, vrienden, dansen en sociale contacten, maar haar moeder heeft het idee dat dat fysiek veel van haar vraagt. Moeder heeft het idee dat de combinatie werk en studie te veel voor haar is.

Verder vindt moeder dat [verzoekster] de afgelopen twee jaar meer volwassen is geworden, dat ze geleerd heeft om zelf beslissingen en verantwoordelijkheid te nemen. Negatief is dat ze niet voldoende energie heeft voor alle levensgebieden, vooral niet voor huishoudelijke activiteiten.

[…]

Interpretatie van de testresultaten:

Observaties tijdens het onderzoek :

[…]

Bij de AKTG blijkt dat de score iets beneden verwachting is (83, verwacht was minstens 84). [verzoekster] heeft wel gemotiveerd en coöperatief meegewerkt aan het onderzoek. Ze is echter weinig zelfkritisch en ze is relatief snel geneigd om het maar op te geven. Ze lijkt weinig inzicht in haar prestaties en eventuele valkuilen/belemmeringen daarbij te hebben.

De werkwijze is soms wat gehaast. De prestatie verbetert wanneer ze feedback krijgt over haar prestaties.

Het werktempo is wisselend; de concentratie lijkt niet voldoende constant.

[verzoekster] lijkt wat moeite te hebben met het vasthouden van informatie. De instructie moet vaker worden herhaald. Verder is ze geneigd zich sterk te focussen met fronsen en knijpen van de ogen; er lijkt sprake van overconcentratie.

[…]

Conclusie :

Er is sprake van aanhoudende klachten en beperkingen na een ernstige verkeersongeval in april 2003. [verzoekster] was toen 14 jaar. De medische diagnose is multitrauma met neurotrauma met fysiek een relatief goed herstel. Er is sprake van restbeperkingen die als volgt gespecificeerd kunnen worden: verminderde belastbaarheid, concentratieproblemen, stemmingsproblemen en aanpassings-problemen, waaronder acceptatieproblemen van de door de brandwonden aangedane huid en littekens.

Uit de resultaten van het neuropsychologisch expertiseonderzoek blijkt dat sprake is van cognitieve stoornissen die gespecificeerd kunnen worden als concentratie-, aandacht en inprentingsstoornissen. Er is sprake van een hoge klachtendruk, waarbij een sensitief karakter en stemmingsproblemen opvallen.

Er is sprake van een ernstig ongeval dat plaatsvond in de fase van puberteit en de gevolgen van het ongeval en de verliezen daarbij (het overlijden van vrienden en de persoonlijke verliezen) zijn van invloed op de identiteitsvorming en hebben geleid tot een langdurig verstoord aanpassingsproces. Dit proces kent een positief verloop, maar is mijns inziens nog niet afgerond. Enerzijds is ze zich bewust van het ongeval en de consequenties, maar anderzijds lijkt ze zich de impact niet te realiseren en probeert ze als normale jongvolwassene te functioneren.

Op grond van de anamnese, de heteroanamnese en op grond van observatie bij het onderzoek kan verder worden vastgesteld dat sprake is van verminderde mentale belastbaarheid.

Op grond van de anamnese en hetero-anamnese kan worden geconcludeerd dat de mentale belastbaarheid is afgenomen. Vermoeidheid en de impact ervan op het fysieke en mentale functioneren zijn moeilijk te objectiveren. Dit blijkt ook uit Wetenschappelijk onderzoek naar vermoeidheid. Voorlopige resultaten van wetenschappelijk onderzoek (onder andere beeldvormend onderzoek) wijzen erop dat mensen met traumatisch hersenletsel meer cerebrale inspanning (mental effort) moeten leveren om een complexe cognitieve taak te verrichten. Er kan sprake zijn van overactivatie bij mentale inspanning, waardoor het functioneren minder efficiënt, accuraat en trager wordt (…).

De DSM-IV diagnose is:

As 1: cognitieve stoornis NAO, aanpassingsstoornis gedeeltelijk in remissie

As II persoonlijkheidsverandering waarschijnlijk als secundair effect op het ervaren trauma

As III: multitrauma met neurotrauma en restproblematiek van brandwonden

[…]

Vraagstellingen:

1. Zijn er stoornissen, beperkingen en handicaps aantoonbaar in het cognitieve, emotionele en gedragsmatige functioneren?

Uit de resultaten van het neuropsychologisch expertise-onderzoek blijkt dat sprake is van cognitieve

stoornissen. Er is sprake van een beperkt en instabiel auditief inprentingsvermogen, een verminderde kwaliteit van deconcentratie, een sterk wisselend tempo van informatieverwerking, een verminderd auditief concentratievermogen en een verminderd vermogen de aandacht te verdelen. Door de gehaaste werkwijze is de afstemming van denken en handelen vaker beneden verwachting.

Op grond van de anamnese, de heteroanamnese en op grond van observatie bij het onderzoek kan worden vastgesteld dat sprake is van verminderde mentale belastbaarheid, stemmingsproblemen en van een verstoord aanpassingsproces.

2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen, beperkingen en handicaps veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van een bepaalde (nader te omschrijven) gebeurtenis of aandoening?

[verzoekster] en zijn moeder hebben aangegeven dat ze last heeft van de genoemde stoornissen sinds het ongeval in 2003. Het is mijns inziens aannemelijk dat de genoemde problematieken een gevolg zijn van het ongeval en het neurotrauma dat daarbij is ontstaan. Het is mogelijk dat het cognitieve prestatieniveau lichtelijk gedrukt wordt door factoren als de stemmingsproblematiek, het verstoorde aanpassingsproces en de vermoeidheid.

3. Zijn er andere oorzaken dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening (al dan niet ermee

samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen, beperkingen en handicaps?

Het is moeilijk om deze vraag te beantwoorden Het is waarschijnlijk dat [verzoekster] ontwikkeling soepeler was verlopen wanneer ze niet bij dit ongeval betrokken was geweest. In de leeftijdsfase van 14 tot 23 jaar doen zich in de levens van vele jonge mensen persoonlijke problemen voor. Het is op dit moment moeilijk te bepalen hoe zaken anders zouden zijn verlopen. Het moge duidelijk zijn dat het ongeval en de gevolgen een behoorlijke traumatische impact hebben op het leven van een persoon in deze ontwikkelingsfase en met deze achtergrond.”

2.6.

De bevindingen van [Persoon 1] zijn neergelegd in haar (definitieve) expertiserapport van 2 maart 2012. Dit rapport vermeldt – voor zover hier van belang – :

“[…]

Beantwoording van de door U gestelde vragen

1. Welke zijn uw bevindingen bij anamese, lichamelijk onderzoek en eventueel hulponderzoek, welke

diagnose (n) stelt u op uw vakgebied, welke behandelingen werden ingesteld en met welk resultaat?

1. Antwoord

[…]

(4) Neurologisch:

neurotrauma, bestaande uit een tweetal contusiehaarden in linker thalamus en links frontopariëtaal met diffuus oedeem. Tevens werd er een hoofdwond gehecht Er is sprake van een amnesie voor het ongeval en een posttraumatische amnesie van enkele dagen, waarin betrokkene ook gesedeerd en beademd is geweest. Er is geen retrograde amnesie. Betrokkene wist wel haar VMBO school met succes af te ronden, zij het op een niveau lager namelijk kader. Daarna volgde ze een VMBO-niveau 2 opleiding richting detailhandel. Het in een winkel staan bleek voor betrokkene vermoeiend en zij vervolgde haar opleiding met een MBO niveau 2 administratie. Ook deze opleiding heeft betrokkene met succes afgerond en zij heeft de laatste twee jaar goed in een administratieve baan gefunctioneerd.

Er is een status na contusio cerebri met een contusio cerebri in linker thalamus en links frontopariëtaal met diffuus enig oedeem van de hersenen, gevolgd door neuropsychologisch bevestigde cognitieve stoornissen als concentratie-, aandacht- en inprentingsstoornissen. Waarschijnlijk functioneert betrokkene gezien de testresultaten, gespiegeld tegen het feit betrokkene op de lagere school een jaar heeft overgeslagen, op een iets lager niveau dan het premorbide niveau.

(5) Psychologisch:

is er sprake van een hoge klachtendruk, waarbij een sensitief karakter en stemmingsproblemen opvallen. Er is sprake van een ernstig ongeval dat plaatsvond in de fase van puberteit en de gevolgen van het ongeval en de verliezen daarbij (het overlijden van vrienden en de persoonlijke verliezen) zijn van invloed op de identiteitsvorming en hebben geleid tot een langdurig verstoord aanpassingsproces. Dit proces kent een positief verloop, maar is nog niet afgerond. Enerzijds is betrokkene zich bewust van het ongeval en de consequenties, maar anderzijds lijkt zij zich de impact niet te realiseren en probeert ze als normale jongvolwassene te functioneren

2. Wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid

mogelijk en gemotiveerd aangeven:

[…]

2b. Waaruit de restklachten en/of restverschijnselen op uw vakgebied bestaan die op medische gronden naar uw oordeel als ongevalsgevolgen moeten worden beschouwd?

2b. Antwoord:

[…]

Tijdens het afnemen van de anamnese en het lichamelijk onderzoek vallen aan de hogere cognitieve functies en het concentratievermogen geen bijzonderheden op. Betrokkene heeft verder een normale stemming. Daar betrokkene zelf wel concentratie- en geheugenstoornissen ervaart is er een neuropsychologische expertise verricht, waarin dit wordt bevestigd.

De restverschijnselen op neurologisch gebied die als ongevalsgevolg moeten worden geschouwd zijn als volgt:

Een neurotrauma, bestaande uit een tweetal contusiehaarden in linker thalamus en links frontopariëtaal met diffuus oedeem. Tevens werd er een hoofdwond gehecht Er is sprake van een amnesie voor het ongeval en een posttraumatische amnesie van enkele dagen, waarin betrokkene ook gesedeerd en beademd is geweest. Er is geen retrograde amnesie. Betrokkene wist wel haar VMBO school met succes af te ronden, zij het op een niveau lager namelijk kader. Daarna volgde ze een VMBO-niveau 2 opleiding richting detailhandel. Het in een winkel staan bleek voor betrokkene vermoeiend en zij vervolgde haar opleiding met een MBO niveau 2 administratie. Ook deze opleiding heeft betrokkene met succes afgerond en zij heeft de laatste twee jaar goed in een administratieve baan gefunctioneerd. Er is een status na contusio cerebri met een contusio cerebri in linker thalamus en links frontopariëtaal met diffuus enig oedeem van de hersenen, gevolgd door neuropsychologisch bevestigde cognitieve stoornissen als concentratie-, aandacht- en inprentingsstoornissen. Waarschijnlijk functioneert betrokkene gezien de testresultaten, gespiegeld tegen het feit betrokken op de lagere school een jaar heeft overgeslagen, op een iets lager niveau dan het premorbide niveau.

[…]

3. Wilt u de mate van functiestoornis (= impairment), op uw vakgebied, als gevolg van het ongeval

uitdrukken in een percentage van de gehele mens, ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokkene voor het ongeval? Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de American Medical Association for Permanent Imapairment (AMA, vijfde druk) zonodig aangevuld met de richtlijnen van de Nederlandse vereniging voor neurologie. Wilt u zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd en, in die van toepassing, links en rechts vergelijken?

3. Antwoord:

Er is bij betrokkene sprake van een neurologische impairment als gevolg van het ongeval haar overkomen op 4 april 2003 volgens de AMA guides 5de druk en aangevuld met de richtlijnen van de Nederlandse vereniging voor neurologie van 10 procent van de gehele mens. Dit werd als volgt berekent: Hoofdstuk 3 op pag. 20 tabel A1. (NvN 2007) of AMA-5 tab 13-6 pag. 320: Stoornissen van het geïntegreerde mentale functioneren. De stoornissen hebben betrekking op het cognitief en praktisch functioneren, veroorzaakt door een hersenbeschadiging. Er bestaat bij betrokkene enige mate van stoornis, maar de meeste voorheen gebruikelijke activiteiten van het dagelijkse leven en het maatschappelijke verkeer zijn zelfstandig mogelijk met min of meer hinder of tekortkomingen. Er is hier voor 10% gekozen daar betrokkene wel tot relatief veel in staat lijkt te zijn maar bijvoorbeeld het aanleren van autorijden heeft haar veel moeite gekost en zij heeft er tot 6 maal examen voor gedaan. Het risico op het ontwikkelen van een posttraumatische epilepsie wordt als zeer laag ingeschat daar het hier ging om een gesloten hersenletsel en omdat de beeldvorming in de loop van de tijd heeft geleidt tot resolutie van de contusiehaarden.

4a. Welke belemmeringen stelt betrokkene te ondervinden als gevolg van het ongeval bij activiteiten van het dagelijks leven, in de vrije tijdsbesteding en bij de beroepsuitoefening?

4a. Antwoord

[…]

Verder geeft zij geheugen klachten en een verminderde concentratie aan.

[…]

4b. Welke beperkingen bestaan er naar uw mening op uw vakgebied bij betrokkene als gevolg van het doorgemaakt ongeval bij activiteiten van het dagelijks leven, in de vrijetijdsbesteding en bij de

beroepsuitoefening?

4b. Antwoord:

Dit komt overeen met wat betrokkene zelf heeft aangegeven.

[…] neuropsychologisch bevestigde cognitieve stoornissen als concentratie-, aandacht- en inprentingsstoornissen. Waarschijnlijk functioneert betrokkene gezien de testresultaten, gespiegeld tegen het feit betrokkene op de lagere school een jaar heeft overgeslagen, op een iets lager niveau dan het premorbide niveau. Samengestelde taken en taken die een hoog concentratie niveau behoeven zijn voor betrokkene vermoeiend. Betrokkene is wel in staat tot het leren van nieuwe zaken en heeft zo wel haar rijbewijs behaald, maar deed hier 6 maal over.

[…]

4d. Wilt u de door u geconstateerde beperkingen zo uitgebreid mogelijk omschrijven en zonodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

4d. Antwoord:

Betrokkene functioneert mede gezien de testresultaten van het aanvullende neuropsychologische

onderzoek verricht op 8 november 2011 door collega [Persoon 2] , […] op een lager niveau (VIQ=80, PIQ= 105) dan premorbide zou zijn verwacht. Er zijn geheugen problemen in korte en lange termijngeheugen met concentratieproblematiek. Daarnaast is het verrichten van samengestelde taken moeilijker geworden. Door dit alles is er bij langdurige belasting sprake van een vermelde vermoeidheid en is het van belang dat betrokkene prioriteiten weet te stellen. […]

5. Kunt u beoordelen of de door betrokkene gestelde klachten inderdaad aanwezig zijn, reëel zijn, niet ingebeeld zijn, niet voorgewend zijn en niet overdreven zijn?

5. Antwoord:

De door betrokkene aangegeven klachten zijn reëel en staan in verhouding tot de ernst van het haar

overkomen ongeval.

[…]”

2.7.

Bij brief van 9 januari 2014 schrijft de medische adviseur van Allianz aan [Persoon 1] – voor zover hier van belang – :

“[…]

Uw expertiserapport van 2 maart 2012 heb ik met belangstelling bestudeerd. In uw rapportage en dat van neuropsycholoog [Persoon 2] viel mij een aantal zaken op.

1. Er is sprake van — overigens zeer begrijpelijke — verwerkingsproblematiek.

2. Er is feitelijk sprake van een niet gevalideerde neuropsychologische test: de efforttest is

positief, hetgeen betekent dat betrokkene beneden haar kunnen heeft gepresteerd.

3. U vermeldt dat betrokkene zesmaal haar rijexamen heeft moeten doen en koppelt dit aan de door haar geuite cognitieve klachten. Betrokkene heeft echter haar theoretisch examen in één keer behaald.

Mijn vraag aan u is, hoe u, met inachtneming van bovenstaande zaken, het percentage blijvende invaliditeit en haar beperkingen inschat enkel en alleen op neurologische gronden.

[…]”

2.8.

Naar aanleiding van voormelde aanvullende vraagstelling heeft [Persoon 1] bij brief van 19 januari 2014 (kennelijk abusievelijk gedateerd op 19 januari 2012) – voor zover hier van belang – geantwoord:

“[…]

Conclusie:

1) gezien het niet neurologisch letsel is er sprake geweest van een HET (hoog energetisch trauma)

2) Op de beeldvorming links fronto-pariëtaal en in de thalamus is er sprake van contusie haarden

3) Concentratie problematiek waardoor een beperkte energie belasting is neurologisch zeer waarschijnlijk

Beantwoording van de vraagstelling:

Er is bij betrokkene sprake van een neurologische impairment als gevolg van het ongeval haar overkomen op 4 april 2003 volgens de AA guides 5de druk en aangevuld met de richtlijnen van de Nederlandse vereniging voor neurologie van 5 procent van de gehele mens. Dit werd als volgt berekent: Hoofdstuk 3 op pag. 20 tabel A1. (NvN 2007) of AMA-5 tab 13-6 pag. 320: Stoornissen van het geïntegreerde mentale functioneren. De stoornissen hebben betrekking op het cognitief en praktisch functioneren, veroorzaakt door een hersenbeschadiging. Er bestaat bij betrokkene enige mate van stoornis, maar de meeste voorheen gebruikelijke activiteiten van het dagelijkse leven en het maatschappelijke verkeer zijn zelfstandig mogelijk met min of meer hinder of tekortkomingen.

Betrokkene heeft weliswaar op het aanvullend neuropsychologisch onderzoek waarschijnlijk

ondergescoord, maar er is hier wel sprake geweest van een duidelijke contusieo cerebri gezien de

beeldvorming. Het is dan ook niet reëel om het percentage functionele invaliditeit op 0% te stellen.

Het risico op het ontwikkelen van een posttraumatische epilepsie wordt als zeer laag ingeschat daar het hier ging om een gesloten hersenletsel en omdat de beeldvorming in de loop van de tijd heeft geleidt tot resolutie van de contusiehaarden.

[…]”

2.9.

Allianz heeft – zonder overleg met (de vertegenwoordiger van) [verzoekster] – neuroloog [Persoon 3] (verder: [Persoon 3] ) gevraagd de (geanonimiseerde) rapportage van [Persoon 1] te beoordelen. [Persoon 3] heeft op 23 mei 2016 rapport uitgebracht van zijn bevindingen. Dit rapport is aan [verzoekster] ter beschikking gesteld. [Persoon 1] heeft hierop een reactie gegeven bij brief van 22 februari 2017 aan de medisch adviseur van [verzoekster] .

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt – samengevat – :

1. te bepalen dat het rapport van [Persoon 1] en de door [Persoon 1] ingeschakelde neuropsychologe [Persoon 2] als uitgangspunt voor de verdere regeling van de zaak van [verzoekster] dient te worden gebruikt;

2. te bepalen dat Allianz een aanvullend voorschot op de reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten zal voldoen van € 12.904,62;

3. dat de rechtbank de kosten voor de onderhavige procedure vaststelt en toewijst overeenkomstig de kostenopgave van [verzoekster] , danwel op een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

3.2.

Allianz voert verweer tegen de verzoeken en concludeert tot afwijzing van de verzoeken sub 1 en 2. Voorts doet Allianz een voorwaardelijk verzoek voor het geval de rechtbank verzoek sub 1 van [verzoekster] afwijst dat luidt – samengevat – :

1. te beslissen dat Allianz niet is gebonden aan de inhoud van voormelde expertiserapporten van [Persoon 1] en [Persoon 2] en dat de inhoud daarvan niet als uitgangspunt heeft te gelden in het schaderegelingstraject met [verzoekster] ;

2. te beslissen dat [verzoekster] dient mee te werken aan een nieuwe neurologische expertise, eventueel aan de hand van een nieuw neuropsychologisch onderzoek, indien de aan te zoeken neuroloog (een ander dan [Persoon 1] ) daar behoefte aan heeft.

3.3.

[verzoekster] voert verweer tegen de voorwaardelijke verzoeken van Allianz en concludeert tot afwijzing daarvan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekster] heeft als juist erkend dat Allianz, zoals deze heeft aangevoerd, na de indiening van het onderhavig verzoekschrift het verzochte voorschot op de buitengerechtelijke kosten ad € 12.904,62 heeft voldaan. Hieruit volgt dat het recht op en belang van [verzoekster] bij dat voorschot niet langer aanwezig is, zodat het daarop betrekking hebbende verzoek dient te worden afgewezen.

4.2.

De vraag over de gebondenheid van partijen aan de inhoud van de rapporten van [Persoon 1] en [Persoon 2] als uitgangspunt in het schaderegelingstraject houdt partijen verdeeld en blokkeert daarmee de verdere afwikkeling van de schade. Een oordeel daarover kan derhalve een bijdrage leveren aan het vlot trekken van de onderhandelingen die uiteindelijk zouden kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De op die rapporten betrekking hebbende verzoeken zijn dan ook, zoals niet tussen partijen ter discussie staat, geschikt voor behandeling als deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat partijen in beginsel gebonden zijn aan een deskundigenbericht dat op hun gezamenlijk verzoek is uitgebracht, tenzij er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren bestaan tegen dit bericht. Hiervan is onder meer sprake wanneer het deskundigenbericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica.

4.4.

Allianz stelt dat de rapporten van [Persoon 1] en [Persoon 2] niet aan de eisen van consistentie, inzichtelijkheid en logica voldoet. Het voornaamste punt van kritiek van Allianz op de deskundigenrapporten is dat [Persoon 1] en [Persoon 2] zijn uitgegaan van een valide neuropsychologisch onderzoek, terwijl is gebleken van onderpresteren.

4.5.

De rechtbank kan niet beoordelen of de conclusies van [Persoon 1] en [Persoon 2] op neurologisch respectievelijk neuropsychologisch terrein juist zijn. Zij kan wel beoordelen of de deskundigen in hun rapporten voldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom zij tot deze conclusies zijn gekomen. Hiervoor is het volgende van belang.

4.6.

[Persoon 1] heeft een status na contusio cerebri met een contusio cerebri in linker thalamus en links frontopariëtaal met diffuus enig oedeem van de hersenen vastgesteld gevolgd door neuropsychologisch bevestigde cognitieve stoornissen als concentratie-, aandacht- en inprentingsstoornissen. [Persoon 1] zijn zelf geen bijzonderheden aan de hogere cognitieve functies en het concentratievermogen van [verzoekster] opgevallen. Haar diagnose cognitieve stoornissen als concentratie-, aandacht- en inprentingsstoornissen als gevolg van contusio cerebri met een contusio cerebri in linker thalamus en links frontopariëtaal met diffuus enig oedeem van de hersenen berust vooral op het hulponderzoek van [Persoon 2] . Het door [Persoon 2] uitgevoerde neuropsychologische onderzoek had tot doel inzicht te verschaffen in het cognitief functioneren van [verzoekster] . Dit functioneren is gemeten door [verzoekster] verschillende test te laten uitvoeren. De resultaten van deze tests zeggen echter slechts iets over de daadwerkelijke capaciteiten van iemand, wanneer hij deze test naar zijn beste kunnen heeft gemaakt. Om te controleren of dit het geval is – en dus om uit te sluiten dat er sprake is van zogeheten ‘onderpresteren’ – worden in het onderzoek één of meer symptoomvaliditeitstesten opgenomen. Dit zijn testen waarbij, ondanks de aanwezigheid van vermoeidheid of aanzienlijke stoornissen, doorgaans goede scores behaald worden. De Amsterdamse Korte Termijn Geheugentest (AKTG) is zo’n test en [verzoekster] scoort daarop iets beneden verwachting (83 waar minimaal 84 was verwacht). Er is dus sprake van (licht) onderpresteren. Dit wordt door [Persoon 2] in haar rapportage onderkend en staat tussen partijen niet ter discussie.

4.7.

De symptoomvaliditeitstesten zijn bedoeld om te verifiëren of de overige testresultaten een betrouwbaar beeld geven. Wanneer bij de symptoomvaliditeitstest onderpresteren wordt geconstateerd, is de logische conclusie dat de overige testresultaten niet betrouwbaar zijn en daaruit dus geen of hoogstens in zeer beperkte mate gevolgtrekkingen kunnen worden gemaakt. Dit wordt door [Persoon 3] beschreven en op zichzelf niet door [verzoekster] bestreden. Omdat [Persoon 2] wel concludeert dat uit de resultaten van het neuropsychologisch expertiseonderzoek blijkt dat sprake is van cognitieve stoornissen, als concentratie-, aandacht- en inprentingsstoornissen, zij het dat het cognitieve prestatieniveau mogelijk lichtelijk gedrukt wordt door factoren als de stemmingsproblematiek, het verstoorde aanpassingsproces en de vermoeidheid, is [Persoon 2] kennelijk van mening dat de onderliggende testresultaten, ondanks het geconstateerde onderpresteren, voldoende betrouwbaar zijn. [Persoon 2] is daar niet expliciet op ingegaan. Zij vermeldt echter wel dat [verzoekster] gemotiveerd en coöperatief heeft meegewerkt aan het onderzoek, maar weinig zelfkritisch is en relatief snel geneigd is om het maar op te geven. Ze lijkt weinig inzicht in haar prestaties en eventuele valkuilen/belemmeringen daarbij te hebben. De werkwijze is soms wat gehaast. De prestatie verbetert wanneer ze feedback krijgt over haar prestaties. Het werktempo is wisselend; de concentratie lijkt niet voldoende constant. [verzoekster] lijkt wat moeite te hebben met het vasthouden van informatie. De instructie moet vaker worden herhaald. Verder is ze geneigd zich sterk te focussen met fronsen en knijpen van de ogen; er lijkt sprake van overconcentratie, aldus nog steeds [Persoon 2] .

Die observaties maken aannemelijk dat er geen sprake is van opzettelijk onderpresteren van [verzoekster] , maar maken onvoldoende duidelijk waarom [Persoon 2] de testresultaten voldoende betrouwbaar acht. Immers, relatief snel opgeven en gehaast cq. met een wisselend tempo werken kunnen, zoals [Persoon 3] opmerkt en door [verzoekster] niet is bestreden, ook op onderpresteren duiden.

4.8.

[Persoon 1] heeft de conclusie van [Persoon 2] dat bij [verzoekster] sprake is van cognitieve stoornissen als concentratie-, aandacht- en inprentingsstoornissen in haar deskundigenbericht overgenomen zonder aandacht te besteden aan de betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek van [Persoon 2] in verband met het onderpresteren van [verzoekster] op de AKTG. Nadat zij daar bij brief van 9 januari 2014 op is gewezen heeft [Persoon 1] haar conclusie dat sprake is van stoornissen van het geïntegreerde mentale functioneren, die betrekking hebben op het cognitief en praktisch functioneren, veroorzaakt door een hersenbeschadiging gehandhaafd, met dien verstande dat zij neurologische impairment volgens de AA guides 5de druk en aangevuld met de richtlijnen van de Nederlandse vereniging voor neurologie niet langer op 10 procent maar op 5 procent van de gehele mens waardeert. [Persoon 1] vermeldt daarbij dat concentratie problematiek waardoor een beperkte energie belasting neurologisch zeer waarschijnlijk is en dat [verzoekster] weliswaar op het aanvullend neuropsychologisch onderzoek waarschijnlijk heeft

ondergescoord, maar dat er wel sprake geweest van een duidelijke contusieo cerebri en het dan ook niet reëel is om het percentage functionele invaliditeit op 0% te stellen. Dat concentratie problematiek waardoor een beperkte energie belasting neurologisch zeer waarschijnlijk is, staat niet in het rapport van 2 maart 2012, zodat van [Persoon 1] mocht worden verwacht dat zij dat inzichtelijk zou maken. [Persoon 1] heeft dat echter niet gedaan. Ook de brief van [Persoon 1] van 19 januari 2014 maakt daarom niet voldoende inzichtelijk dat de testresultaten van het neuropsychologisch onderzoek voldoende betrouwbaar waren om daarop gevolgtrekkingen te kunnen baseren.

4.9.

In haar brief van 22 februari 2014, waarbij zij reageert op het rapport van [Persoon 3] , vermeldt [Persoon 1] dat zij er indertijd vanuit is gegaan dat [Persoon 2] als klinisch neuropsycholoog in staat was om professioneel haar conclusies te trekken, dat [Persoon 2] aangaf dat er sprake was van min of meer onderpresteren maar ook dat betrokkene tijdens observatie gemotiveerd en coöperatief heeft gewerkt, dat tijdens de observatie er in verloop van tijd sprake was van een vermoeidheidseffect en dat er sprake was van een 1 op 1 observatie. In aanmerking nemende dat er, zoals onder 4.7 is overwogen, ook observaties waren die kunnen duiden op onderpresteren maakt dit nog steeds onvoldoende duidelijk dat de testresultaten van het neuropsychologisch onderzoek voldoende betrouwbaar waren. Dit geldt te meer nu [Persoon 1] in die brief tevens vermeldt dat het aan de herbeoordeling gevraagd aan [Persoon 2] is of de mate van onderpresteren dermate ernstig was dat dit rechtvaardigt om de eerder getrokken conclusie van het rapport (dat er sprake is van cognitieve stoornissen) teniet te doen. De juistheid van die vraagstelling daargelaten, is immers niet gebleken is dat een herbeoordeling door [Persoon 2] heeft plaatsgevonden.

4.10.

Op grond van het vorenstaande is het ter zijde laten van het onderpresteren dat blijkt uit de uitslag van een symptoomvaliditeitstest (de AKTG) en dat normaliter meebrengt dat de overige testresultaten niet betrouwbaar zijn, een in het oog springende eigenaardigheid, die zowel in het rapport van [Persoon 2] als in de rapportage van [Persoon 1] onvoldoende is onderbouwd. Aangezien de diagnose van [Persoon 1] dat sprake is van cognitieve stoornissen berust op de neuropsychologische expertise van [Persoon 2] is hierdoor een zodanig zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van [Persoon 1] dat Allianz hieraan niet gebonden kan worden.

4.11.

Het vorenstaande leidt tot afwijzing van verzoek sub 1 van [verzoekster] en toewijzing van verzoek sub 1 van Allianz.

4.12.

Gelet op de op [verzoekster] rustende bewijslast van de schade die zij door het ongeval lijdt, komt het raadzaam voor dat zij aan een nieuwe neurologische expertise meewerkt. Op haar rust echter geen verplichting om dat te doen, zodat het daartoe strekkende verzoek sub 2 van Allianz afgewezen dient te worden.

Kosten van het deelgeschil

4.13.

Op grond van artikel 1019aa Rv dient in beginsel begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Uit het vorenstaande volgt dat het laatste niet aan de orde is.

4.14.

Het door mr. Pelckmans gehanteerde uurtarief bedraagt € 265,- exclusief BTW (€ 320,65 inclusief BTW). In aanmerking nemend dat mr. Pelckmans een gespecialiseerd letselschadeadvocaat is, komt de rechtbank dit uurtarief redelijk voor en Allianz heeft de redelijkheid daarvan ook niet bestreden.

4.15.

Rekening houdende met de duur van de zitting van 2,15 uur heeft mr. Pelckmans volgens de ter zitting door [verzoekster] gedane opgave in totaal (20,95 + 2,15 =) 23,10 uur aan de zaak besteed, waarvan 7,55 uur aan het vervaardigen van het verzoekschrift en 9,15 uur aan de voorbereiding van de zitting. De rechtbank acht dat aantal uren niet redelijk, nu van een gespecialiseerde letselschadeadvocaat verwacht mag worden dat deze minder tijd dan gemiddeld nodig heeft voor de voorbereiding van een zaak met de complexiteit als de onderhavige. Naar het oordeel van de rechtbank is in totaal 18 uren, waarvan 11,5 uren voor de voorbereiding, inclusief het opstellen van het verzoekschrift en 6,5 uren voor de zitting, inclusief de voorbespreking met cliënte en reistijd, en afwikkeling redelijk. De gemaakte kosten komen daarmee op (18 x € 320,65 = ) € 5.771,70, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 287,- .

4.16.

Op grond van het vorenstaande worden de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 6.058,70 in totaal. Nu Allianz de aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend zal zij overeenkomstig het niet afzonderlijk bestreden verzoek van [verzoekster] worden veroordeelt tot betaling van deze kosten.

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de verzoeken van [verzoekster] onder 1 en 2 af;

bepaalt dat Allianz niet is gebonden aan de inhoud van voormelde expertiserapporten van [Persoon 1] en [Persoon 2] en dat de inhoud van die rapporten niet als uitgangspunt heeft te gelden in het schaderegelingstraject met [verzoekster] ;

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 6.058,70 en veroordeelt Allianz tot betaling van dat bedrag aan [verzoekster] ;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2017.

2515/2504