Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9724

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
C/10/530019 / FT EA 17/1344
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing dwangakkoord, na verweer weigerende schuldeiser dat schuldhulpverlening geen lid is van de NVVK

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Wet op het consumentenkrediet 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 2 oktober 2017

in de zaak van:

[naam 1] ,

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 29 juni 2017, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een viertal schuldeisers, te weten:

  • -

    de Gemeente Rotterdam;

  • -

    Ferratum Nederland B.V., vertegenwoordigd door Intrum Justitia Nederland (hierna: Ferattum);

  • -

    Investing B.V. (Satander), vertegenwoordigd door Vesting Finance Incasso B.V. (hierna: Investing);

  • -

    Laser Services/Global Limited, vertegenwoordigd door Vesting Finance Incasso B.V. (hierna: Laser);

die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Mevrouw [naam gemachtigde] , gemachtigde van verzoekster, heeft voorafgaande aan de zitting, bij brieven van 16 augustus 2017, 13 september 2017 en 20 september 2071, aan de rechtbank te kennen gegeven dat Investing, Laser en Ferratum alsnog instemmen met de aangeboden schuldregeling.

Ter zitting van 25 september 2017 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    de heer [naam echtgenoot] , echtgenoot van verzoekster;

  • -

    mevrouw [naam 2] , namens mevrouw [naam gemachtigde] , werkzaam bij Schuldbemiddeling Nederland B.V. (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Schuldbemiddeling Nederland B.V.

De thans nog weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift 21 concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 27.509,00 van verzoekster te vorderen.

Verzoekster heeft bij brief van 27 maart 2017 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 14,49% tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. Verzoekster heeft een parttime baan van 9 uur per week. Op basis van haar dienstbetrekking heeft zij een beperkte afloscapaciteit en zou zij 4,5% kunnen aanbieden aan haar schuldeisers. Verzoekster heeft echter door middel van steun van derden, een krediet ter beschikking kunnen stellen van

€ 4.000,00 waardoor het aangeboden percentage stijgt naar 14,49%. Voorts heeft het CAK te kennen gegeven haar vordering kwijt te schelden indien een buitengerechtelijk akkoord wordt bereikt. Het aangeboden percentage stijgt dan naar 20,95 %. Het aangeboden percentage zal in één keer aan de schuldeisers, naar rato, worden uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden tijdig voldaan.

Schuldhulpverlening heeft daarnaast verklaard dat het maximaal haalbare door verzoekster is aangeboden. Wanneer verzoekster fulltime zal gaan werken zal zij geen recht meer hebben op toeslagen. Daarnaast zou zij dan kosten moeten maken voor de opvang van haar kinderen. Bovendien is de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing op de echtgenoot van verzoekster. Een stijging van inkomsten van verzoekster zal resulteren in een hogere afdrachtplicht van haar echtgenoot zodat deze extra inkomsten niet ten goede kunnen komen aan de schuldeisers van verzoekster.

Thans stemmen 20 schuldeisers met de aangeboden schuldregeling in. De Gemeente Rotterdam stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 2.046,97 op verzoekster, welke 7,44% van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft de Gemeente Rotterdam te kennen gegeven niet akkoord te gaan met de aangeboden regeling omdat Schuldbemiddeling Nederland B.V. niet is aangesloten bij de erkende branche organisatie, de NVVK.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft de Gemeente Rotterdam geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de Gemeente Rotterdam bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de Gemeente Rotterdam in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van de Gemeente Rotterdam een gering aandeel vormt in de totale schuldenlast van 7,44%.

Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk 20 van de 21 schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Schuldbemiddeling Nederland B.V. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Artikel 288 lid 2, aanhef en onder b Fw bepaalt dat het verzoek tot toepassing van de

schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck). In onderhavig geval is de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling uitgevoerd door de Gemeente, namens wie Schuldbemiddeling Nederland B.V. heeft gehandeld. Een gemeente

wordt expliciet genoemd in artikel 48 lid 1, aanhef en onder b Wck. Dat de poging tot een

buitengerechtelijke schuldregeling is uitgevoerd door de Gemeente, namens wie Schuldbemiddeling Nederland B.V. is opgetreden, blijkt uit de verhouding tussen de Gemeente en Schuldbemiddeling Nederland B.V. Verder heeft mevrouw [naam gemachtigde] , als wettelijke bewindvoerder, toezicht gehouden over het schuldbemiddelingstraject, waaronder de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling. Uit een en ander volgt dat Schuldbemiddeling Nederland B.V. functioneert als een uitvoeringsinstantie van de Gemeente. Dat zij niet zijn aangesloten bij de erkende branche organisatie, de NVVK, doet daar niet aan af.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster beschikt over betaald werk. Verzoekster werkt 9 uur per week. Voldoende aannemelijk is geworden dat de afloscapaciteit van verzoekster niet zal stijgen indien zij in de komende jaren een hoger inkomen zal kunnen verwerven.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Echter toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is niet aan de orde. Op verzoekster is in de periode van augustus 2009 tot en met augustus 2011 de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing geweest. Deze schuldsaneringsregeling is tussentijds beëindigd doordat verzoekster niet aan de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling heeft voldaan. Op grond van de wet kan verzoekster pas in 2021 opnieuw een verzoek doen voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Een dwangakkoord is dus het enige wat haar nu rest. Dat zij tot en met 2011 in de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft gezeten, is onvoldoende reden om nu een dwangakkoord te weigeren. Daar komt nog bij dat de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van de Gemeente Rotterdam, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om de Gemeente Rotterdam te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

De Gemeente Rotterdam zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt de Gemeente Rotterdam om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt de Gemeente Rotterdam in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van

mr. S. Verberne, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2017. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.