Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9723

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
C/10/534178 / FT EA 17/1801
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing dwangakkoord

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 15 november 2017

afwijzen gedwongen schuldregeling

in de zaak van:

[naam 1] ,

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 29 augustus 2017, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten: ABN AMRO Hypotheken Groep B.V., vertegenwoordigd door Hypocasso B.V. (hierna: ABN) die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 8 november 2017 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    de heer [naam 2] , werkzaam bij Gemeente Nissewaard (hierna te noemen schuldhulpverlening).

De schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zes concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van ongeveer € 153.047,31 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 29 februari 2016 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 15,33% aan de schuldeisers tegen finale kwijting. Verzoekster is mede-eigenaar van een woning (hierna: de woning) samen met haar ex-echtgenoot. Omdat de ex-echtgenoot van verzoekster in de woning wilde blijven wonen is bij de echtscheiding besloten de woning aan de man toe te delen. Verzoekster en de ex-echtgenoot bleven beiden hoofdelijk aansprakelijk voor aflossing van de hypothecaire geldlening, afgesloten bij ABN. Bij het op 29 februari 2016 gedane aanbod is geen rekening gehouden met de restschuld na verkoop van de woning.

Op 24 mei 2016 is een akkoord bereikt met de aangeschreven schuldeisers (exclusief ABN, die niet was aangeschreven). In een later stadium is het minnelijk traject van de ex-echtgenoot van verzoekster mislukt en is hij toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Door de bewindvoerder van de ex-echtgenoot is aan verzoekster bericht dat de woning dient te worden verkocht. Omdat de woning nog niet was verkocht, en daarom de restschuld nog niet bekend was, is besloten om een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. Dit verzoek is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat geen aanbod was gedaan aan ABN en omdat bij de berekening van het aanbiedingspercentage aan de overige schuldeisers de toekomstige restschuld buiten beschouwing was gelaten. Vervolgens is door schuldhulpverlening op 9 december 2016 een nieuw voorstel gestuurd naar ABN, inhoudende een betaling van 4,41% tegen finale kwijting. ABN heeft dit voorstel niet aanvaard.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt fulltime en heeft een arbeidscontract voor (on)bepaalde tijd. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.

Vijf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling van 15,33% in. Het nieuwe voorstel van 4,41% is niet schriftelijk aan deze schuldeisers aangeboden. Het voorstel is alleen aan ABN gedaan. ABN stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van ongeveer

€ 92.000,00 op verzoekster. Nu de woning nog niet is verkocht staat de exacte restschuld nog niet vast.

3 Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft ABN te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft de weigerende schuldeiser geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ABN bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ABN in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de vordering van ABN nog niet exact vaststaat. De geschatte vordering vormt een aanzienlijk aandeel in de totale schuldenlast (te weten ongeveer 60,11% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat ABN in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts niet worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Het aanbod waar de andere schuldeisers mee akkoord zijn gegaan, namelijk 15,33 %, wijkt voor wat betreft de hoogte van de schuldenlast en/of het aangeboden percentage af van hetgeen in het verzoekschrift staat. Dit is het gevolg van het feit dat na het aanbod de restschuld van de woning (de vordering van ABN) alsnog is meegenomen in het aanbod. Schuldhulpverlening heeft echter het laatste aanbod van 4,41% niet (schriftelijk) aan alle schuldeisers voorgelegd. Bovendien is de woning nog niet verkocht, waardoor nog steeds niet duidelijk is hoe hoog de restschuld zal zijn en welk percentage kan worden aangeboden. In de aanbiedingsbrief is weliswaar vermeld dat het voorstel een prognose is en dat afhankelijk van de reserveringsmogelijkheden van verzoekster het uiteindelijke resultaat hoger of lager kan uitvallen, maar de rechtbank is van oordeel dat de schuldeisers er geen rekening mee hoefden te houden dat het uiteindelijke resultaat lager zou worden doordat de schuldenlast gedurende het minnelijk traject aanzienlijk zou toenemen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van ABN als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om ABN te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van

mr. S. Verberne, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.