Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9685

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-12-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
C/10/530922 / HA ZA 17-685
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot zekerheidstelling proceskosten ex art. 224 Rv. Eiser sub 1, woonachtig in Zwitserland, is niet gehouden zekerheid te stellen op grond van art. 224 lid 2 sub b Rv. Eiser sub 2, gevestigd te Dubai, dient wel zekerheid te stellen. Het verweer dat gedaagde geen belang heeft bij zekerheidstelling omdat hij een eventuele proceskostenveroordeling in Zwitserland ten uitvoer kan laten leggen, treft geen doel. Gedaagde zou worden beperkt in zijn verhaalsmogelijkheden, in die zin dat hij in geval van een (hoofdelijke) veroordeling van eisers niet zelf kan bepalen op wie hij de kosten wil verhalen, hetgeen niet te rijmen valt met de bedoeling van de garantieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/530922 / HA ZA 17-685

Vonnis in incident van 6 december 2017

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

JASPIS TRADING DMCC,

gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. J.J. Schelling te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eisers] , dan wel afzonderlijk [eiser 1] en Jaspis Trading, en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de exploten van dagvaarding van 10 april 2017 en 20 april 2017, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor proceskosten, met productie 1;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak vordert [eisers] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een som van VAD 100.382 (Verenigde Arabische Emiraten-dirhams) en een som van € 37.683,75, beide vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2017 tot en met de dag van volledige betaling, met een bedrag van in totaal € 1.400,- aan buitengerechtelijke kosten en met de (na)kosten van het geding.

3 Het geschil in het incident

3.1.

[gedaagde] vordert in het incident bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat alvorens verder te procederen in de hoofdzaak:

A) door [eiser 1] uiterlijk binnen 10 werkdagen na het vonnis althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, op straffe van niet-ontvankelijkheid zekerheid gesteld dient te worden voor:

primair; een bedrag van € 14.000,00,

subsidiair; een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

onder bepaling dat de te stellen zekerheid dient te worden gesteld middels een op kosten van [eiser 1] te stellen, onherroepelijke afroepgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank op de gebruikelijke garantievoorwaarden, met veroordeling van [eiser 1] in de door [gedaagde] gemaakte proceskosten van dit incident, te vermeerderen met de nakosten, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de datum van het vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na de datum van het vonnis, wettelijke rente verschuldigd is,

B) door Jaspis Trading uiterlijk binnen 10 werkdagen na het vonnis althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, op straffe van niet-ontvankelijkheid zekerheid gesteld dient te worden voor:

primair; een bedrag van € 7.000,00;

subsidiair; een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

onder bepaling dat de te stellen zekerheid dient te worden gesteld middels een op kosten van Jaspis Trading te stellen, onherroepelijke afroepgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank op de gebruikelijke garantievoorwaarden, met veroordeling van Jaspis Trading in de door [gedaagde] gemaakte proceskosten van dit incident, te vermeerderen met de nakosten, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de datum van het vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na de datum van het vonnis, wettelijke rente verschuldigd is,

3.2.

[gedaagde] legt hieraan – kort gezegd – ten grondslag dat [eiser 1] op grond van artikel 224 lid 1 Rv verplicht is om zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin hij zou kunnen worden veroordeeld, omdat hij zijn woonplaats niet in Nederland, maar in [woonplaats] heeft. [eiser 1] heeft de Nederlandse nationaliteit en is geen onderdaan van Zwitserland. Daarmee is artikel 17 van het Verdrag betreffende de Burgerlijke Rechtsvordering 1954 (hierna: Rechtsvorderingsverdrag 1954) niet van toepassing.

Jaspis Trading is gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten en heeft evenmin woonplaats in Nederland.

3.3.

[eisers] concludeert tot afwijzing van het gevorderde in het incident en verzoekt de rechtbank, voor zover zekerheid gesteld zou moeten worden:

a. a) primair te bepalen dat [eiser 1] en/of Jaspis (voor zover [eiser 1] onverhoopt ook zekerheid zou moeten stellen, gezamenlijk) zekerheid dient te stellen tot een bedrag van maximaal € 3.565,00 althans een door de rechtbank te bepalen bedrag door middel van overmaking van dit bedrag naar de derdengeldenrekening van DVAN Advocatuur dan wel (subsidiair) Cees Advocaten binnen 10 werkdagen na de datum van het vonnis in het incident,

b) subsidiair te bepalen dat [eiser 1] en/of Jaspis (voor zover [eiser 1] onverhoopt ook zekerheid zou moeten stellen, gezamenlijk) zekerheid dient te stellen tot een bedrag van € 3.565,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag door middel van een bankgarantie door een Nederlandse gerenommeerde bank op de gebruikelijke garantievoorwaarden die uiterlijk gesteld dient te zijn op een termijn van een maand (althans vijf weken) na de datum van het vonnis in het incident,

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten in het incident, ook als de vordering van [gedaagde] (gedeeltelijk) wordt toegewezen, nu het incident zonder enig belang is opgeworpen.

3.4.

[eisers] stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van [eiser 1] de uitzondering van artikel 224 lid 2 sub b Rv van toepassing is. Een Nederlands vonnis wordt immers krachtens het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 30 oktober 2007 (hierna: EVEX 2007) zonder enige formaliteit in Zwitserland erkend. Bovendien verbiedt artikel 17 Rechtsvorderingsverdrag 1954 een cautie op te leggen aan onderdanen van de verdragsluitende staten die geen verblijfplaats hebben in de betreffende verdragsluitende staat. [eiser 1] hoeft derhalve geen zekerheid te stellen voor een eventuele proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van Jaspis Trading voert [eisers] aan dat [gedaagde] geen belang heeft bij zekerheidstelling. In geval van toewijzing van de vorderingen van [gedaagde] , zullen [eiser 1] en Jaspis Trading beide in de proceskoten worden veroordeeld. [gedaagde] kan dan de proceskostenveroordeling in Zwitserland ten uitvoer leggen. Bovendien verklaart [eiser 1] zich hoofdelijk aansprakelijk voor een eventuele proceskostenveroordeling ten laste van Jaspis Trading. Verder heeft [eisers] onverplicht zekerheid aangeboden in de vorm van een depot op de derdengeldenrekening van de advocaat van [eisers] [gedaagde] heeft dat aanbod niet aanvaard. Hierdoor kan [gedaagde] niet langer in rechte een vordering tot het stellen van zekerheid instellen, dan wel is toewijzing van een dergelijke vordering in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Voorts voert [eisers] aan dat een proceskostenveroordeling niet van beide eisers individueel kan worden verlangd, nu zij tezamen procederen en in een mogelijke proceskostenveroordeling ook beide hoofdelijk voor hetzelfde bedrag zullen worden veroordeeld. Tot slot voert [eisers] verweer tegen de hoogte van de gevorderde zekerheid.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

De incidentele conclusie is tijdig en vóór alle weren ingesteld.

4.2.

Uit het eerste lid van artikel 224 Rv volgt dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland verplicht zijn zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoedingen tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. Die verplichting bestaat niet indien er sprake is van één van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingsgronden. De uitzonderingsgronden betreffen, kort gezegd, dat het stellen van zekerheid verboden is door het internationaal recht (art. 224 lid 2 sub a Rv), dat een proceskostenveroordeling ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft (art. 224 lid 2 sub b Rv), dat het redelijkerwijs aannemelijk is dat een proceskostenveroordeling in Nederland kan worden geëxecuteerd (art. 224 lid 2 sub c Rv) en dat het stellen van proceskostenzekerheid een effectieve toegang tot de Nederlandse rechter zou belemmeren (art. 224 lid 2 sub d Rv).

4.3.

Ten aanzien van [eiser 1] overweegt de rechtbank als volgt.

Niet in geschil is dat [eiser 1] geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland in de zin van artikel 224 Rv. Op grond van de in het eerste lid van dit artikel verwoorde hoofdregel is [eiser 1] dan ook in beginsel gehouden zekerheid te stellen.

4.4.

[eiser 1] heeft blijkens de dagvaarding zijn woonplaats in Zwitserland. Zowel Zwitserland (sinds 1 januari 2011) als Nederland (sinds 1 januari 2010) is partij bij een verdrag in de zin van artikel 224 Rv dat een proceskostenveroordeling uitvoerbaar maakt, namelijk EVEX 2007, dat in het onderhavige geval zowel materieel, formeel in de zin van artikel 38 EVEX 2007 als temporeel van toepassing is. Op grond van artikel 224 lid 2 sub b Rv is [eiser 1] derhalve niet gehouden zekerheid te stellen. De vordering tegen [eiser 1] zal derhalve worden afgewezen.

Nu de vordering ten aanzien van [eiser 1] reeds voor afwijzing ligt, behoeft het beroep op artikel 17 van het Rechtsvorderingsverdrag 1954 geen bespreking meer.

4.5.

Ten aanzien van Jaspis Trading overweegt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat Jaspis Trading geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Voorts is gesteld noch gebleken is dat sprake is van één van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub a, b en d voordoen.

4.6.

Het aanbod tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten door [eisers] voorafgaand aan de conclusie van antwoord in het incident, staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Gesteld noch gebleken is immers dat deze aangeboden zekerheid toereikend is. Datzelfde geldt voor de verklaring van [eiser 1] in haar conclusie van antwoord in het incident dat hij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor een eventuele proceskostenveroordeling ten laste van Jaspis Trading.

Aldus is van een uitzondering als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder c Rv ook geen sprake is.

4.7.

Het verweer dat [gedaagde] geen belang heeft bij zekerheidstelling, omdat [gedaagde] een eventuele proceskostenveroordeling in Zwitserland ten uitvoer kan laten leggen, treft evenmin doel. [gedaagde] zou aldus worden beperkt in haar verhaalsmogelijkheden, in die zin dat zij in geval van een (hoofdelijke) veroordeling van [eisers] niet zelf kan bepalen op wie zij de kosten wil verhalen, hetgeen niet te rijmen valt met de bedoeling van de garantieregeling.

4.8.

Dat betekent dat de vordering tot het stellen van zekerheid door Jaspis Trading toewijsbaar is.

4.9.

Tussen partijen is in geschil tot welk bedrag zekerheid dient te worden gesteld. [gedaagde] begroot de proceskosten op € 7.000,00, zijnde driekwart van het ten aanzien van [eiser 1] begrote bedrag aan proceskosten ad € 14.116,05. Dit laatste bedrag bestaat uit € 8.940,00 aan salaris voor de advocaat (10 punten van het liquidatietarief ad € 894,00), € 2.793,05 aan advieskosten van een Zwitserse advocaat, € 1.500,00 aan vertaalkosten en € 883,00 aan griffierecht.

4.10.

[eisers] stelt dat op basis van de huidige procedure maximaal drie punten van het liquidatietarief ad € 894,00 aan salaris voor de advocaat kunnen worden toegekend. Zij stelt voorts dat er geen zekerheid kan worden gevorderd voor vermeende kosten van een Zwitserse advocaat en vertaalkosten, zodat een eventuele zekerheidstelling voor proceskosten maximaal € 3.565,00 bedraagt.

4.11.

Voor wat betreft de omvang neemt de rechtbank in aanmerking dat in artikel 224 lid 1 Rv wordt bepaald dat het bedrag waarvoor zekerheid gesteld moet worden, betrekking heeft op de proceskosten als bedoeld in artikel 237 Rv en de schadevergoeding tot betaling waarvan de niet in Nederland gevestigde partij(en) veroordeeld zou(den) kunnen worden. Anders dan [gedaagde] stelt, vallen eventuele vertaalkosten en advieskosten van een Zwitserse advocaat hier niet onder.

4.12.

Voor wat betreft de advocaatkosten (tot het moment van de einduitspraak) geldt het volgende. Het liquidatietarief van € 894,00 is niet in geschil. Alleen het aantal te hanteren punten is tussen partijen in geschil. Met [eisers] acht de rechtbank een puntentotaal van 10 punten onwaarschijnlijk, gelet op de proceshandelingen die doorgaans in een procedure worden uitgevoerd. De rechtbank zal het aantal punten daarom beperken tot 4 punten.

4.13.

Tegen de achtergrond van het voorgaande begroot de rechtbank de door Jaspis Trading te stellen zekerheid op € 883,00 aan griffierecht en € 3.576,00 aan salaris voor de advocaat, in totaal derhalve een bedrag van € 4.409,00.

4.14.

Voor de wijze waarop zekerheidstelling dient te geschieden, is van belang dat [gedaagde] zonder moeite verhaal zal kunnen nemen op de geboden zekerheid. Nu niet vaststaat of de door [eisers] primair genoemde wijze van stellen van zekerheid, het storten van het geldbedrag op de derdenrekening van haar advocaat, aan dit vereiste voldoet, zal een andere wijze van zekerheidstelling worden bevolen. Jaspis Trading zal worden bevolen zekerheid te stellen door het afgeven van een bankgarantie van een Nederlandse bankinstelling volgens het Rotterdams garantieformulier in de meest recente versie, dan wel het model van de Nederlandse Vereniging van Banken in de meest recente versie. Aan de zekerheidsstelling zal een termijn van vijf weken worden verbonden.

4.15.

Jaspis Trading zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident aan de zijde van [gedaagde] worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 452,00 aan salaris voor de advocaat. De mede gevorderde nakosten acht de rechtbank eveneens toewijsbaar.

Ten opzichte van [eiser 1] wordt [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van dit incident. Deze kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat [eiser 1] naast Jaspis Trading afzonderlijk kosten heeft gemaakt.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

veroordeelt Jaspis Trading, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, tot zekerheidsstelling voor een bedrag van € 4.409,00, ter zake van de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld kan worden ten behoeve van [gedaagde] , uiterlijk woensdag 10 januari 2018, door middel van het stellen van een bankgarantie van een Nederlandse bankinstelling volgens het Rotterdams garantieformulier in de meest recente versie, dan wel het model van de Nederlandse Vereniging van Banken in de meest recente versie,

5.2.

veroordeelt Jaspis Trading in de kosten van het incident aan de zijde van [gedaagde] , tot op heden begroot op € 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de achtste dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Jaspis Trading in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Jaspis Trading niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis zijn voldaan, daarover vanaf de 15e dag na dagtekening wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW verschuldigd is,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident aan de zijde van [eiser 1] , tot op heden begroot op nihil,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in de hoofdzaak

5.7.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 januari 2018 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2017.

2083/1729/(3007)