Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9684

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
C/10/524205 / HA ZA 17-331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing incidentele vordering tot voeging van zaken ex art. 222 Rv. Er is sprake van verknochtheid, zodat gelijktijdige behandeling van beide zaken in beginsel wenselijk is. Een afweging van de belangen van partijen over en weer vormt echter op dit moment een belemmering om de zaken te voegen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank in een later stadium alsnog kan beslissen tot een administratieve rolvoeging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/524205 / HA ZA 17-331

Vonnis in incident van 29 november 2017

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING WAKKERPOLIS NNCLAIM,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WAKKERPOLIS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [gedaagde 6],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. A.J. de Gier te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R. van de Klashorst te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Wakkerpolis c.s. en NN genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot voeging van 28 maart 2017, met producties 1 tot en met 81,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van zaken ex art. 222 Rv,

  • -

    de akte overlegging producties van Wakkerpolis c.s., met producties 82 tot en met 84,

  • -

    het op 24 oktober 2017 gehouden pleidooi in het incident en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in het incident

2.1.

Wakkerpolis c.s. vordert – na vermindering van eis – dat de hoofdzaak in de onderhavige procedure wordt gevoegd met de bij deze rechtbank aanhangige zaak van de Consumentenbond tegen NN met het zaaknummer / rolnummer C/10/525628 / HA ZA 17-410.

2.2.

Wakkerpolis c.s. stelt hiertoe – kort gezegd – dat de zaak van de Consumentenbond verknocht is met de onderhavige zaak. Het gaat in beide zaken om dezelfde verzekeraar en hetzelfde product en de onderwerpen, de vorderingen en het normenkader in beide zaken overlappen elkaar voor een groot gedeelte. Wakkerpolis c.s. stelt dat het met name voor wat betreft het toe te passen normenkader van belang is dat haar argumenten en die van de Consumentenbond gelijktijdig worden gewogen.

2.3.

NN concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van Wakkerpolis c.s., bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit incident, met bepaling dat over de proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis.

2.4.

NN voert – kort gezegd – aan dat geen sprake is van zodanige samenhang tussen de onderhavige procedure en de procedure van de Consumentenbond dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling vergen. Wakkerpolis c.s. en de Consumentenbond beroepen zich ter onderbouwing van hun vorderingen op verschillende en deels zelfs tegenstrijdige stellingen. Verder is de scope van het juridische en het feitelijke debat in de procedure van Wakkerpolis c.s. veel breder en heeft de procedure van Wakkerpolis c.s. ook betrekking op diverse individuele vorderingen. Zaaksvoeging zal bovendien leiden tot een onredelijke vertraging van de procedure van de Consumentenbond. In de procedure van Wakkerpolis c.s. zal NN de rechtbank vóór de conclusie van antwoord vragen om een beslissing te nemen over de vraag of de Stichting Wakkerpolis NNClaim (eiseres sub 1) ontvankelijk is in haar vorderingen. NN stelt zich daarbij, met verwijzing naar artikel 3:305a lid 2 BW, op het standpunt dat de belangen van de polishouders door de Stichting Wakkerpolis NNClaim onvoldoende gewaarborgd zijn.

2.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Op grond van artikel 222 Rv kan voeging worden gevorderd indien voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn. Van verknochtheid is sprake wanneer feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere zaak, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie in de uitspraken wenselijk is.

3.2.

In de onderhavige procedure vordert Wakkerpolis c.s. diverse verklaringen voor recht met betrekking tot door NN verkochte beleggingsverzekeringen over – meer in het bijzonder– de door NN ingehouden eerste kosten, het hefboom- en inteereffect en de door NN in rekening gebrachte overlijdensrisicopremie. In de procedure van de Consumentenbond tegen NN vordert de Consumentenbond ook diverse verklaringen voor recht met betrekking door NN verkochte beleggingsverzekeringen, waarbij de eerste kosten, het hefboom- en inteereffect en de overlijdensrisicopremie een rol spelen. Het gaat in beide zaken om collectieve acties in de zin van art. 3:305 a BW e.v. De vorderingen en de juridische geschilpunten in beide zaken zijn weliswaar niet identiek, maar de geschilpunten vertonen naar het oordeel van de rechtbank wel een zodanige samenhang dat consistentie geboden is. Dit betekent dat sprake is van verknochtheid, zodat gelijktijdige behandeling in beginsel wenselijk is.

3.3.

Een afweging van de belangen van partijen over en weer vormt echter op dit moment een belemmering om de zaken te voegen. NN heeft aangekondigd in de onderhavige procedure vóór haar conclusie van antwoord een incident op te werpen tot niet-ontvankelijkverklaring van eiseres sub 1, de Stichting Wakkerpolis NNClaim. Indien dat verweer slaagt, zal de onderhavige procedure, anders dan de procedure van de Consumentenbond, niet meer het karakter van een procedure als bedoeld in artikel 3:305a BW hebben. In dat geval zal de reikwijdte van het juridische en het feitelijke debat in de onderhavige procedure sterk afwijken van die in de procedure van de Consumentenbond.

Gelet daarop, nu op voorhand niet vooruitgelopen kan worden op de beslissing op het niet-ontvankelijkheidsverweer en nu in elk geval het debat dienaangaande nog gevoerd mag worden en enige tijd zal vergen, ziet de rechtbank aanleiding de onderhavige vordering tot voeging af te wijzen.

3.4.

Het bovenstaande neemt niet weg dat de rechtbank, na de beslissing op het door NN op te werpen niet-ontvankelijkheidsverweer, alsnog kan beslissen tot administratieve rolvoeging van de onderhavige procedure en die van de Consumentenbond tegen NN. In dat geval zou gelijktijdige behandeling ter zitting mogelijk zijn.

3.5.

Tot slot overweegt de rechtbank dat er, anders dan NN stelt, op dit moment onvoldoende aanleiding is om het hoger beroep in de zaak van Woekerpolis.nl en twee andere procedures over beleggingsverzekeringen af te wachten.

3.6.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

In de hoofdzaak

3.7.

NN heeft in de hoofdzaak nog niet voor antwoord geconcludeerd. Zij heeft aangekondigd dat zij, alvorens zij voor antwoord zal concluderen, een incident zal opwerpen tot niet-ontvankelijkverklaring van de Stichting Wakkerpolis NNClaim. De rechtbank zal de procedure in de hoofdzaak daarom verwijzen naar de rol voor het nemen van de betreffende conclusie van eis in incident. Vervolgens zal Wakkerpolis c.s. in de gelegenheid worden gesteld om daarop te antwoorden, waarna desgewenst een zitting zal worden bepaald. Nadat in dat incident een vonnis is gewezen, of, indien NN alsnog afziet van het opwerpen van het incident, na uitlating daaromtrent bij akte (en vervolgens conclusie van antwoord) zal de rechtbank een regiezitting bepalen.

3.8.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst de vordering af,

4.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

4.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 december 2017 voor conclusie van eis in het door NN aangekondigde, nieuwe incident, dan wel uitlating aan haar zijde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.C.A.T. Frima en mr. P. Volker en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.

2083/106/1659/2221