Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9618

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
C/10/520858 / HA ZA 17-175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig procederen. De eisende partij heeft haar vordering gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij (in ieder geval haar advocaat) de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, en voorts op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM is hier niet in het geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6474
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/520858 / HA ZA 17-175

Vonnis van 29 november 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POLYDESIGN CONSOLIDATED B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R. Zwiers te Schiedam,

tegen

1 [gedaagde 1 als zijnde curator]

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Polydesign B.V.,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2 als zijnde persoon],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. H.V. Schulte te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Polydesign Consolidated en de curator genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 januari 2017;

  • -

    het exploot van 9 mei 2017;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van 17 mei 2017 van Polydesign Consolidated;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 28 juni 2017, met producties;

  • -

    de brief van 19 juli 2017 van de rechtbank waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van 13 november 2017;

  • -

    de brief van 30 oktober 2017 van de curator, met een akte houdende inbreng van producties voor de zitting van 13 november 2017;

  • -

    de brief van 30 oktober 2017 van de curator, met een akte houdende wijziging eis voor de zitting van 13 november 2017;

  • -

    de brief van 30 oktober 2017 van Polydesign Consolidated, met drie producties voor de zitting van 13 november 2017;

  • -

    de brief van 7 november 2017 van de curator, met een akte inbreng aanvullende producties voor de zitting van 13 november 2017;

  • -

    het B3-formulier van 10 november 2017 van Polydesign Consolidated, met een akte houdende vermindering van eis, tevens houdende overlegging producties voor de zitting van 13 november 2017;

  • -

    de brief van 10 november 2017 van de curator, met een akte inbreng aanvullende producties voor de zitting van 13 november 2017;

  • -

    de ter zitting overgelegde akte houdende nadere overlegging producties ter zake comparitie van partijen van 13 november 2017 van Polydesign Consolidated;

  • -

    de ter zitting van 13 november 2017 overgelegde machtiging van 8 november 2017 waarbij de bestuurder van Polydesign Consolidated de heer [bestuurder van eiser] (hierna: [bestuurder van eiser] ) heeft gemachtigd om ter zitting namens Polydesign Consolidated op te treden;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 november 2017.

1.2.

Ter comparitie is bepaald dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 januari 2018 voor het wijzen van vonnis. Heden wordt bij vervroeging vonnis gewezen.

2 De feiten

2.1.

De curator heeft in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Polydesign B.V. (hierna: Polydesign) in twee instanties geprocedeerd tegen [bestuurder van eiser] , N.V. Holding Compagnie België (hierna: HCB) en Polydesign Consolidated. Polydesign Consolidated droeg destijds de naam Inprocon.

2.2.

Bij vonnis van 14 maart 2012 heeft de rechtbank Rotterdam onder meer het volgende beslist:

In conventie:

zijn HCB en [bestuurder van eiser] veroordeeld om aan de curator te betalen een bedrag van € 1.747.015,78;

is verklaard voor recht dat:

  • -

    [bestuurder van eiser] , HCB en Polydesign Consolidated geen vordering hebben op de curator;

  • -

    [bestuurder van eiser] , HCB en Polydesign Consolidated geen rechthebbende zijn op het saldo dat zich bevindt op de derdenrekening van Houthoff Buruma;

  • -

    de curator bij uitsluiting gerechtigd is op het volledige saldo dat zich bevindt op de derdenrekening van Houthoff Buruma;

  • -

    het vonnis in de plaats treedt van een onherroepelijke schriftelijke instructie van [bestuurder van eiser] , HCB en Polydesign Consolidated aan de Stichting derdengelden Houthoff Buruma om het volledige saldo dat zich bevindt op de derdenrekening van Houthoff Buruma, binnen drie werkdagen na betekening van het vonnis aan die stichting, over te maken naar de boedelrekening in het faillissement van Polydesign;

zijn [bestuurder van eiser] , HCB en Polydesign Consolidated hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot dat moment begroot op € 17.695,05;

In reconventie:

zijn de vorderingen afgewezen;

zijn [bestuurder van eiser] , HCB en Polydesign Consolidated hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op dat moment begroot op € 3.211,00.

2.3.

[bestuurder van eiser] , HCB en Polydesign Consolidated zijn van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen. In zijn arrest van 22 oktober 2013 heeft het Gerechtshof Den Haag geoordeeld dat de door [bestuurder van eiser] , HCB en Polydesign Consolidated tegen het vonnis gerichte grieven falen, behalve voor wat betreft een onderdeel van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Omdat de voorwaarde waaronder de curator incidenteel appel had ingesteld niet was vervuld, kon het incidenteel appel buiten beschouwing blijven. Onder het kopje 'slotsom en proceskosten' heeft het hof overwogen:

'3.15 In grief 6 wordt terecht opgemerkt dat de vordering van de curator tegen Inprocon is afgewezen zodat zij ten onrechte mede in de proceskosten is veroordeeld. Het hof zal dit corrigeren. Nu de grieven van [bestuurder van eiser] c.s. voor het overige falen zal het bestreden vonnis -met genoemde correctie- worden bekrachtigd. [bestuurder van eiser] c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep hebben te dragen. De kosten van het incidentele beroep zullen door de curator gedragen moeten worden.'

2.4.

Het hof heeft vervolgens het volgende beslist:

'bekrachtigt het bestreden vonnis van 14 maart 2012 van de rechtbank Rotterdam, met dien verstande dat de veroordeling in de proceskosten, tot aan dat vonnis aan de zijde van de curator begroot op € 17.695,05, alleen [bestuurder van eiser] en HCB betreft;

veroordeelt [bestuurder van eiser] c.s. [ [bestuurder van eiser] , HCB en Polydesign Consolidated; toevoeging rechtbank] in de kosten van het principale beroep, tot op heden aan de zijde van de curator begroot op € 1.513,= voor vast recht en € 894,= voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt de curator in de kosten van het incidentele beroep, tot op heden aan de zijde van [bestuurder van eiser] c.s. begroot op € 447,= voor salaris.'

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Polydesign Consolidated vordert bij dagvaarding:

'Dat Rechtbank Rotterdam, Afdeling Privaatrecht, Locatie Rotterdam, zal bepalen in uw Vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen tot betaling van een geldsom groot EUR 60.815,00 vermeerderd met de Wettelijke rente, over deze Hoofdsom vanaf de dag der Dagvaarding, tot en met de dag der algehele voldoening daarvan, zulks binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;

Met veroordeling van Gedaagde in de buitengerechtelijke incassokosten, zijnde EUR 500,00 althans twee punten conform het standaard tarief en dat Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van de onderhavige procedure, als ook in de nakosten, voor zover daarvan sprake mocht zijn (waar Gedaagde niet alsnog binnen 14 dagen na betekening zou voldoen aan Uw Vonnis in dezen);'

3.2.

Bij akte houdende vermindering van eis van 13 november 2017 heeft Polydesign Consolidated haar vordering als volgt verminderd:

'Eiseres wenst bij dezen haar vordering in dezen te verminderen met EUR 8500,00 nu deze factuur – naar later is gebleken – geen betrekking had op de onderhavige procedure. Het betrof een onderdeel van de eerder ingebrachte Productie 3;'

3.3.

De curator voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Polydesign Consolidated in de kosten van het geding, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

De curator vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

'Polydesign Consolidated (Inprocon) te veroordelen tot betaling aan Heijnen QQ van de werkelijke advocaatkosten alsmede de kosten betreffende de door Heijnen QQ voor het gevoerde en te voeren verweer aan de faillissementsboedel van Polydesign B.V. in rekening te brengen tijdsbesteding, ten bedrage van in totaal EUR 10.911,33 inclusief BTW, althans een door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.'

3.6.

Polydesign Consolidated voert verweer en concludeert:

'Tot afwijzing van de vordering(en) in Reconventie, met veroordeling – voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van – van de curator de heer mr. [gedaagde 1 als zijnde curator] , in privé of in zijn hoedanigheid, in de kosten in Reconventie.'

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de nauwe samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie hierna samen worden besproken.

4.2.

Tegen de vermeerdering van eis aan de zijde van de curator is geen bezwaar gemaakt. De rechtbank acht die vermeerdering ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. In reconventie zal daarom recht worden gedaan op de gewijzigde eis zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

4.3.

Beide partijen gronden hun vorderingen op onrechtmatige daad. In de kern leggen zij aan hun vorderingen ten grondslag dat zij door de wederpartij ten onrechte in een procedure zijn betrokken als gevolg waarvan zij kosten hebben moeten maken en schade hebben geleden.

4.4.

De norm op basis waarvan dient te worden getoetst of er grond bestaat voor toewijzing van een dergelijke vordering heeft de Hoge Raad geformuleerd in HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 (Duka / Achmea), rov. 5.1:

'5.1 De hiervoor in 3.2 omschreven reconventionele vordering van Achmea komt erop neer dat Duka de onderhavige procedure zonder grond tegen haar heeft aangespannen en daarom gehouden is alle door Achmea in verband met deze procedure gemaakte kosten te vergoeden. Naar het hof terecht heeft geoordeeld, is deze vordering alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (rov. 11). Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.'

4.5.

Polydesign Consolidated heeft bij dagvaarding de grondslag van haar vorderingen als volgt omschreven:

'Bij Arrest d.d. 23 oktober 2013 heeft het Hof Den Haag (Productie 5) bepaald dat Gedaagde Eiseres in dezen heeft Gedagvaard zonder reden of rechtsgrond. Er was van haar niets te vorderen, zij had niet moeten worden gedagvaard, zo mag nu wel worden (vast)gesteld. Nu er geen Cassatie is aangetekend tegen deze Uitspraak door Gedaagde kan hij zich daarin kennelijk ook vinden. Het staat met andere woorden in rechte thans ook vast. Het is niet in geschil.

Hiermede is komen vast te staan dat Gedaagde jegens Eiseres een onrechtmatige gedraging heeft begaan. Gedaagde zal de schade die daaruit is voortgekomen, aan Eiseres dienen te vergoeden. Immers, door zijn toedoen heeft Eiseres forse kosten moeten maken, en zich in rechte moeten verweren, zonder dat daartoe een reden bestond. Dat is temeer prangend omdat het feit dat Eiseres geen partij was bij een geschil tussen de Curator en de Directie van de gefailleerde vennootschap Polydesign B.V. uiteraard reeds uit de KvK stukken en de onderliggende stukken kon worden afgeleid. Gedaagde heeft als Curator een kennelijke foutieve beslissing genomen toen hij Eiseres deed dagvaarden door de Deurwaarder. Dat mag niet zonder gevolgen blijven.'

4.6.

De door Polydesign Consolidated gestelde grondslag is onzinnig. De rechtbank zal dat hierna toelichten.

4.7.

In het faillissement van Polydesign heeft de curator in overleg met de Rabobank, HCB, Polydesign Consolidated en [bestuurder van eiser] de op de faillissementsdatum openstaande vorderingen van Polydesign geïncasseerd en veilig gesteld op de derdenrekening van Houthoff Buruma. Daarnaast heeft de curator de inventaris en de per 11 december 2006 openstaande vorderingen van Polydesign op derden verkocht. Als gevolg van de debiteurenincasso en genoemde verkoop stond er ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding een bedrag van € 424.503,39, inclusief rente, op de derdenrekening van Houthoff Buruma (zie het arrest van 22 oktober 2013 van het Gerechtshof Den Haag, rov. 2.21; productie 5 bij de akte overlegging producties van 17 mei 2017). De door de curator tegen HCB, Polydesign Consolidated en [bestuurder van eiser] bij deze rechtbank aanhangig gemaakte procedure diende te worden gevoerd, onder andere om te doen vaststellen wie van de in die procedure betrokken partijen gerechtigd was tot welk gedeelte van het op de derdenrekening van Houthoff Buruma veilig gestelde bedrag. Polydesign Consolidated is derhalve terecht in rechte betrokken. Zij pretendeerde een aanspraak te hebben op het betreffende bedrag.

4.8.

Dat de curator Polydesign Consolidated destijds terecht in rechte heeft betrokken, vindt bevestiging in het feit dat de door de curator in die procedure ten laste van Polydesign Consolidated gevorderde verklaringen voor recht zijn toegewezen. Voorts blijkt dit uit het feit dat de daartegen door Polydesign Consolidated in hoger beroep gerichte grieven zijn verworpen. In hoger beroep is Polydesign Consolidated bovendien, tezamen met HCB en [bestuurder van eiser] , als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof zou uiteraard anders hebben beslist als het van mening was geweest dat Polydesign Consolidated ten onrechte in rechte was betrokken.

4.9.

De uitkomst van het hoger beroep was slechts in zoverre anders dan de uitkomst in eerste instantie, dat het hof het kennelijk niet juist achtte om Polydesign Consolidated met HCB en [bestuurder van eiser] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag aan proceskosten betreffende de eerste instantie van € 17.695,05. Dat is eenvoudig verklaarbaar. De positie van Polydesign Consolidated was een andere dan de positie van HCB en [bestuurder van eiser] . Ten laste van Polydesign Consolidated, HCB en [bestuurder van eiser] zijn verklaringen voor recht gevorderd en toegewezen. Daarmee kwam vast te staan dat Polydesign Consolidated, HCB en [bestuurder van eiser] allen ten onrechte aanspraak maakten op het op de derdenrekening veilig gestelde geld. Echter, ten laste van alleen HCB en [bestuurder van eiser] is daarnaast ook nog een geldvordering van meer dan € 1,7 miljoen toegewezen. De omvang van dat bedrag bepaalde tevens in belangrijke mate de hoogte van de proceskostenveroordeling in eerste instantie. Dat het hof daarin kennelijk reden heeft gezien om op het punt van de proceskosten in eerste instantie een correctie op het vonnis van de rechtbank aan te brengen, rechtvaardigt uiteraard niet de door Polydesign Consolidated getrokken conclusie dat het hof heeft bepaald dat de curator Polydesign Consolidated zonder reden of rechtsgrond heeft gedagvaard. Uit het arrest van het hof blijkt het tegendeel. Immers, voor het overige zijn alle grieven verworpen, is het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en is Polydesign Consolidated in hoger beroep in de kosten veroordeeld. Bepaald geen aanwijzingen dat Polydesign Consolidated in de visie van het hof door de curator ten onrechte in de procedure was betrokken.

4.10.

De stelling dat het hof heeft bepaald dat de curator Polydesign Consolidated zonder reden of rechtsgrond heeft gedagvaard, is evident onjuist. Dat had iedere advocaat die zich bekwaam acht om een handelszaak te behandelen zich zonder meer behoren te realiseren. In een dergelijk geval behoort een advocaat zijn cliënt te adviseren dat het instellen van een vordering tegen de curator op basis van dat onjuiste uitgangspunt volstrekt zinloos is. Een advocaat behoort een procedure als de onderhavige dan ook niet aanhangig te maken, ook niet als zijn cliënt dat om hem moverende redenen toch wenst. Dat kan immers slechts leiden tot een proceskostenveroordeling ten laste van de cliënt en in uitzonderlijke gevallen mogelijk zelfs - als die proceskostenveroordeling vervolgens onverhaalbaar blijkt te zijn - tot de eigen aansprakelijkheid van de advocaat uit onrechtmatige daad.

4.11.

De vorderingen in conventie zullen bij gebreke van een deugdelijke grondslag worden afgewezen.

4.12.

Voor de reconventie is van belang dat de rechtbank de veronderstelde kennis van de advocaat van Polydesign Consolidated toerekent aan Polydesign Consolidated.

4.13.

De vorderingen in reconventie zullen dan ook worden toegewezen. Hier doet zich inderdaad een geval voor waarin de eisende partij haar vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij (in ieder geval haar advocaat) de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, en voorts op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM is hier niet in het geding. Polydesign Consolidated heeft hier met (verplichte) rechtsbijstand van een advocaat een kansloze procedure aanhangig gemaakt waarvan voor iedere advocaat evident behoort te zijn dat hij die niet aanhangig behoort te maken. De kosten in het faillissement van Polydesign lopen hierdoor nodeloos hoger op. Er bestaat geen recht dat meebrengt dat men dergelijke procedures aanhangig mag maken zonder (uit onrechtmatige daad) aansprakelijk te worden voor de werkelijke schade die de wederpartij dientengevolge lijdt.

4.14.

De visie van Polydesign Consolidated dat er van de zijde van de curator wel erg veel tijd is besteed om deze procedure te voeren, deelt de rechtbank niet. Ook het voeren van verweer tegen een onzinnige vordering kost helaas tijd en geld. De tijd die aan de zijde van de curator is besteed, is deugdelijk gespecificeerd. De gehanteerde tarieven zijn conform de geldende normen en niet onredelijk.

4.15.

Nu de werkelijk in verband met deze procedure gemaakte kosten, althans voor wat betreft de tijdsinvestering, in reconventie zijn gevorderd, zal de rechtbank die kosten in reconventie toewijzen. In conventie zal de rechtbank daarom volstaan met toewijzing van het door de curator betaalde griffierecht. De in conventie en in reconventie door de curator gevorderde nakosten zijn grotendeels verdisconteerd in de in reconventie toe te wijzen hoofdsom. Voor zover dat niet het geval is, voor wat betreft de kosten vanaf het moment van eventuele betekening van het vonnis, zullen de nakosten worden toegewezen als verwoord onder 'de beslissing' (zie hierna onder 5.4) .

4.16.

Dat Polydesign Consolidated de curator zowel in diens hoedanigheid van curator als in privé heeft gedagvaard, heeft voor de veroordelingen verder geen consequenties. Gesteld noch gebleken is dat de curator daardoor extra kosten heeft moeten maken die niet reeds zijn verdisconteerd in de in reconventie toe te wijzen hoofdsom. De kostenveroordelingen worden derhalve volledig toegewezen aan de curator in zijn hoedanigheid van curator.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Polydesign Consolidated in de proceskosten, aan de zijde van de curator begroot op € 883,00 aan griffierecht, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van de 15e dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen tot de dag van volledige betaling, en voor wat betreft de overige kosten (salaris advocaat) reeds verdisconteerd in de in reconventie uit te spreken veroordeling zodat deze hier niet separaat worden begroot,

in reconventie

5.3.

veroordeelt Polydesign Consolidated om aan de curator te betalen een bedrag van € 10.911,33 (tienduizendnegenhonderdelf euro en drieëndertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van de 15e dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen tot de dag van volledige betaling,

in conventie en in reconventie

5.4.

veroordeelt Polydesign Consolidated in de na dit vonnis ontstane kosten, welke grotendeels reeds zijn verdisconteerd in de in reconventie uitgesproken veroordeling, echter nog te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Polydesign Consolidated niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de 15e dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.

[1729; 2221]