Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9499

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-10-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
10/661197-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en hennep en het voorbereiden en bevorderen van de handel in heroïne tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/661197-17

Datum uitspraak: 27 oktober 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:

Penitentiaire Inrichting Ter Apel,

raadsvrouw mr. F. el Makhtari, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 oktober 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. Th.H. Slieker, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering ten aanzien van feit 3

Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte ter terechtzitting bekend en de raadsvrouw heeft ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering ten aanzien van feiten 1 en 2

4.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat het opzettelijk aanwezig hebben van de heroïne niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, gelet op de locatie van de aangetroffen drugs, het ontbreken van de sporen van de verdachte op die drugs en de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat er heroïne in de woning en op het balkon lag. Voor wat betreft de onder feit 2 genoemde goederen wist de verdachte, voor zover hij deze al gezien zou hebben, niet dat deze bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak van het medeplegen bepleit.

4.2.2.

Beoordeling

De woning waarin de verdachte verbleef had alle uiterlijke kenmerken van een zogenoemd stashpand. Er was niet alleen een voorraad heroïne en hennep, met een straatwaarde van honderdduizenden euro’s, maar in de hele woning waren op zichtbare plekken sporen van het bewerken van verdovende middelen te vinden.

Voor de vraag of iemand de wetenschap had van de aanwezigheid van bepaalde goederen in een woning neemt de rechtbank als uitgangspunt dat volgens de algemene ervaringsregel degene die gebruik maakt van een woning, geacht mag worden zich bewust te zijn van wat er zich in die woning bevindt. Dat zou anders zijn indien deze bewustheid door de verdediging gemotiveerd wordt weersproken. Uit de aanwezigheid van de verdachte in de woning met de sleutel in de voordeur en de bevindingen van de camerabeelden waaruit blijkt dat de verdachte meerdere keren het complex waarin de woning zich bevindt, in- en uitgaat, volgt dat de rechtbank de verdachte aanmerkt als gebruiker van de woning. Weliswaar stelt de verdachte dat hij niet wist van de heroïne in de woning, maar de verklaring van de verdachte strookt op essentiële onderdelen niet met de bevindingen in het dossier, in het bijzonder de camerabeelden en het door de verdachte gevoerde WhatsAppgesprek met “T” . De onwetendheid van de verdachte ten aanzien van de aangetroffen goederen in de woning is daarom onvoldoende gemotiveerd weersproken. Volgens vaste rechtspraak is voor een bewezenverklaring van het begrip “aanwezig hebben” daarnaast niet noodzakelijk dat de verdovende middelen aan verdachte toebehoren, noch dat hij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid ten aanzien daarvan heeft. Voldoende is dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden. Hiervan is sprake. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw. Op grond van het voorgaande verwerpt de rechtbank ook het verweer dat de verdachte niet wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat de onder feit 2 vermelde goederen bestemd waren voor het plegen van een feit bedoeld in artikel 10 lid 4 van de Opiumwet.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het WhatsApp gesprek en de camerabeelden volgt dat de ten laste gelegde feiten in vereniging zijn gepleegd. Uit het WhatsApp gesprek blijkt dat de verdachte, toen de politie voor de deur van de woning stond, met een onbekend gebleven persoon sprak over wat hij moest doen met “die koffie” en “de bruine”. Uit de camerabeelden volgt dat de verdachte met anderen het appartementencomplex van de betreffende woning is in- dan wel uitgegaan, waarbij ook spullen werden gedragen die in het pand zijn aangetroffen en te relateren zijn aan de strafbare feiten.

4.2.3.

Conclusie

De rechtbank acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

1.

hij, tezamen en in vereniging met anderen, op 18 juli 2017 te Rotterdam, in een woning aan de [adres delict] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer (totaal) 4.917 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij, tezamen en in vereniging met anderen, op 18 juli 2017 te Rotterdam, in een woning aan de [adres delict] , om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, van een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen

- ( totaal) 21.194 gram paracetamol, en

- drukpers en gewichten, en

- gasmasker, en

- teilen en zeven, en

- mixers, en

- afmeetkopje, en

- weegschaaltjes, en

- gripzakjes,

voorhanden gehad en opgeslagen, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

3.

hij, tezamen en in vereniging met anderen, op 18 juli 2017 te Rotterdam, in een woning aan de [adres delict] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 22.300 gram henneptoppen,zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

2.

een feit, als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

3.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte wordt veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van henneptoppen en grote hoeveelheden materialen bevattende heroïne, die, gezien deze hoeveelheden, kennelijk voor de handel bestemd waren. Door het opzettelijk aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit.

Met het ook aanwezig hebben van onder andere ruim 21 kilo versnijdingsmiddel (paracetamol) heeft de verdachte zich daarnaast schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van de bereiding of bewerking van (hard)drugs.

De handel in drugs en de verspreiding daarvan hebben veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg. Bovendien kleven er aan het gebruik van verdovende middelen veel risico's voor de volksgezondheid.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een blanco uittreksel uit de justitiële documentatie van

2 oktober 2017 op naam van de verdachte.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding, gelet op de ernst van de feiten.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.A. Vroom, voorzitter,

en mrs. R. Brand en A. van Luijck, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of omstreeks 18 juli 2017 te Rotterdam, in een woning aan de [adres delict] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer (totaal) 4.917 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of omstreeks 18 juli 2017 te Rotterdam, in een woning aan de [adres delict] , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- ( totaal) 21.194 gram paracetamol, en/of

- drukpers en/of gewichten, en/of

- gasmasker(s), en/of

- teil(en) en/of zeef/zeven, en/of

- mixer(s), en/of

- afmeetkopje(s), en/of

- weegschaaltje(s), en/of

- gripzakje(s),

althans (een) (versnijdings)middel(en) en/of gereedschappen/apparaten bestemd en/of geschikt voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne

en/of cocaïne voorhanden gehad en/of opgeslagen, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.

hij, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of omstreeks 18 juli 2017 te Rotterdam, in een woning aan de [adres delict] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 22.300 gram henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.