Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9468

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
5047476 \ CV EXPL 16-19628
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsziekte. Artikel 7:658 BW. Werkgeversaansprakelijkheid. Maatstaf voor beroep op verjaring. Aan diagnose en mate van zekerheid door HR genoemd in ECLI:NL:HR:2010:BM7041 kunnen geen hoge eisen worden gesteld. Beroep op verjaring slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0955
AR-Updates.nl 2017-1487
Prg. 2018/32
AR 2017/6512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5047476 \ CV EXPL 16-19628

uitspraak: 24 november 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde: mr. W.A. van Veen en mr. D. van Doorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ECT Delta Terminal B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. C.S. Kehrer-Bot.

Partijen worden aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “ECT”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 26 april 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 4 augustus 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de op 2 december 2016 gehouden comparitie van partijen, inclusief de spreekaantekeningen van de gemachtigden van [eiser];

  • -

    de akte na comparitie van de zijde van ECT;

  • -

    de (antwoord)akte na comparitie aan de zijde van [eiser].

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

[eiser] is sinds 1 oktober 1980 bij ECT in dienst.

2.2

[eiser] verrichtte gedurende het grootste deel van zijn dienstverband werkzaamheden als chauffeur van verschillende voertuigen.

2.3

Vanaf 1998 ervaart [eiser] schouder-, nek- en rugklachten.

2.4

In 2008 is geoordeeld dat [eiser] als gevolg van (kort gezegd) die klachten arbeidsongeschikt is voor zijn eigen functie.

2.5

[eiser] is vervolgens als baliemedewerker aan de slag gegaan.

2.6

[eiser] heeft ECT aansprakelijk gesteld voor (kort gezegd) de schade die hij lijdt als gevolg van arbeidsongeschiktheid die is ontstaan in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor ECT. De brief is ongedateerd, maar door ECT ontvangen op 19 juli 2012.

2.7

Nadat [eiser] ook in de functie van baliemedewerker fysieke problemen ondervond hebben partijen discussie gevoerd over zijn ziekteverzuim.

2.8

De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van 6 oktober 2014 door de kantonrechter ontbonden.

3 Het geschil

3.1

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (kort gezegd) ECT te veroordelen tot betaling van alle door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat.

Aan zijn vordering heeft [eiser] (onder verwijzing naar de hiervoor vermelde vaststaande feiten) – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat hij in zijn werkzaamheden voor ECT te zwaar is belast. Omdat ECT niet aan haar zorgplicht heeft voldaan, is zij aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid lijdt.

3.2

ECT heeft zich tegen de vordering verweerd. Zij heeft primair gesteld dat de vordering van [eiser] is verjaard.

3.3

Hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht komt – voor zover van belang – onder de beoordeling aan de orde.

4 De beoordeling

4.1

De kantonrechter dient allereerst te beoordelen of de vordering, zoals ECT stelt, is verjaard. De verjaringstermijn van artikel 3:310 BW is van toepassing. Dat betekent dat een verjaringstermijn geldt van vijf jaar. Omdat ECT de aansprakelijkstelling als genoemd onder 2.6 op 19 juli 2012 heeft ontvangen, zijn partijen het erover eens dat 19 juli 2007 de datum is die bepalend is voor de vraag of de vordering verjaard is.

De termijn gaat lopen vanaf het moment dat degene die de vordering instelt met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was. Hoe dat kader verder moet worden ingevuld, is onder andere bepaald in het arrest van de Hoge Raad van 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041. Partijen hebben beiden naar dit arrest verwezen, maar de wijze waarop zij dat arrest interpreteren is wezenlijk anders.

4.2

De Hoge Raad heeft – voor zover van belang – in voormeld arrest als volgt overwogen (onderstreping door ktr):

“Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.

Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is echter niet vereist dat de benadeelde bekend is met alle componenten of de gehele omvang van zijn schade als gevolg van dat tekortschietend of foutief handelen. Voldoende is dat de benadeelde bekend is geworden met schade die hij heeft geleden of lijdt als gevolg daarvan. Die bekendheid stelt de benadeelde immers daadwerkelijk in staat om tegen de aansprakelijke persoon een vordering tot schadevergoeding in te stellen. De verjaringstermijn die vervolgens op de voet van art. 3:310 lid 1 begint te lopen geldt mede voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde kon verwachten dat hij die als gevolg van datzelfde tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon zou kunnen gaan lijden.

Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd (HR 24 januari 2003, C02/011, LJN AF0694, NJ 2003/300).”

en

“Hieruit kan worden afgeleid dat op het moment van verwijzing bij de huisarts, de therapeut en [[eiser]] wellicht nog geen (voldoende mate van) zekerheid bestond over de oorzaak van de klachten, maar dat tijdens de behandelperiode gaandeweg duidelijk is geworden, en ook voor [[eiser]] duidelijk had kunnen en moeten zijn, dat die klachten in elk geval mede arbeidsgerelateerd en van chronische aard waren, te meer omdat zijn huisarts en, zoals uit de hiervoor in 3.1 (iv) genoemde brief blijkt, ook Arbo Groep al een verband hadden gelegd met [[eiser]]'s arbeidssituatie.

[[eiser]] uitte al vanaf circa 1992 klachten waarvoor hij, zonder blijvend resultaat, diverse behandelingen heeft ondergaan waarbij het accent telkens lag op aanpassing van de werkomstandigheden dan wel het aanleren van een andere werkhouding en van andere gewoontes. Hieruit volgt dat [[eiser]] reeds vóór 26 oktober 2000 voldoende zekerheid had over de voor de vestiging van de aansprakelijkheid relevante oorzaak van zijn klachten en het chronische karakter daarvan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hij voor die datum reeds bekend was met de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen en de immateriële schade, alsmede met de daarvoor aansprakelijke persoon, te weten [verweerster].”

4.3

In het arrest waarnaar de Hoge Raad in de laatste geciteerde zin verwijst, heeft hij als volgt overwogen (onderstreping door ktr):

“3.4.2 Bij de behandeling van de onderdelen moet worden vooropgesteld dat de woorden 'bekend is geworden' in art. 3:310 lid 1 BW moeten worden verstaan in de betekenis van: daadwerkelijke bekendheid met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon (HR 6 april 2001, nr. C99/158, NJ 2002, 383). De Rechtbank is derhalve in rov. 6.2 van een juiste maatstaf uitgegaan. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid — die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn — pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd.

3.4.3

In het onderhavige geval heeft de Rechtbank geoordeeld dat het vermoeden van Rensink, toen hij zich in december 1988 tot zijn huisarts wendde, dat zijn klachten samenhingen met zijn werk bij de drukinktfabricage nog niet inhield dat aan het bekendheidsvereiste van art. 3:310 lid 1 BW was voldaan. De Rechtbank heeft bij dat oordeel laten meewegen dat Rensink geen deskundige was en dat de geraadpleegde arts en de BGD het vermoeden van Rensink niet konden bevestigen. De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat pas op het moment dat Rensink bij een terzake deskundige enige bevestiging vond voor zijn vermoeden dat de chemicaliën op het werk zijn klachten veroorzaakten, de verjaring is gaan lopen. Gezien het hiervoor overwogene geven deze oordelen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW. Het oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Hierop stuiten alle in de onderdelen aangevoerde klachten af.”

4.4

Het komt er dus op neer dat de verjaring is aangevangen op het moment dat [eiser] bekend was met het feit dat hij schade leed en enige bevestiging had van een ter zake deskundige dat de klachten (in ieder geval mede) arbeidsgerelateerd zijn. Aan de door de Hoge Raad genoemde diagnose en de mate waarin met zekerheid iets kan worden gezegd over de oorzaak van de schade, kunnen derhalve geen hoge eisen worden gesteld. Ook het feit dat de Hoge Raad de woorden kiest als “het leggen van verbanden” en verder van belang acht dat behandelingen van de betrokken werknemer deels gericht zijn geweest op aanpassing van de werkhouding, sterkt de kantonrechter in dat oordeel.

4.5

Bezien tegen voormeld juridisch kader, overweegt de kantonrechter als volgt.

4.5.1

Ten aanzien van het (feitelijke) partijdebat op dit punt stelt de kantonrechter in zijn algemeenheid het volgende voorop. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van de vraag wanneer de verjaringstermijn is gaan lopen (enkel) gekeken moet worden naar de klachten waarvoor hij ECT aansprakelijk heeft gesteld. Op zich is dat juist, maar de daaraan door [eiser] verbonden conclusie gaat niet op. Zijn conclusie lijkt immers te zijn dat het daarmee direct ook enkel gaat over de klachten waarmee hij (per saldo) is uitgevallen. De aansprakelijkstelling van [eiser] luidt evenwel als volgt:

“Naar mijn mening ben ik werkzaam geweest onder omstandigheden die niet voldeden aan de wettelijke criteria (…). Als gevolg hiervan heb ik beroepsziekte nek- rug- en schouderklachten.”

De kantonrechter zal dan ook alle klachten die vallen onder de door [eiser] zelf verwoorde noemer van ‘nek-, rug- en schouderklachten’ als geheel in zijn oordeel betrekken.

4.5.2

Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt genoegzaam van chronische problematiek. Vanaf 1998 tot en met het einde van het dienstverband is [eiser] zeer regelmatig (gedeeltelijk) uitgevallen als gevolg van nek-, rug- en/of schouderklachten. [eiser] is daarvoor steeds, maar zonder blijvend succes behandeld. Dat [eiser] met die schade in ieder geval in april 2007 bekend was, is ter comparitie komen vast te staan. Ter comparitie is door [eiser] immers erkend dat hij als gevolg van het advies van de chirurg (kort gezegd inhoudende dat hij niet meer terug zou moeten keren in zijn gebruikelijke werk) op dat moment bekend was (althans, had kunnen zijn) met de schade.

4.5.3

[eiser] heeft betwist dat hij als gevolg van de mededeling van de chirurg ook kennis had van de aansprakelijke persoon. Daarbij heeft hij gesteld dat de chirurg hetzelfde advies had kunnen geven als gevolg van klachten met een niet-arbeidsgerelateerde oorzaak. Op zich is dat juist, maar [eiser] heeft geen inzicht gegeven in wat die alternatieve oorzaak dan mogelijk had kunnen zijn. Gelet op het navolgende had dit wel op zijn weg gelegen.

4.5.4

Gebleken is dat de behandeling die [eiser] heeft ondergaan in ieder geval gedeeltelijk gericht is geweest op de wijze waarop hij zijn werk verricht. In 2002 is bovendien een mogelijke ‘fysieke risico factor’ in het werk door de bedrijfsarts aangehaald en in 2005 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat de oorzaak van de klachten deels arbeidsgerelateerd was. Daarbij komt nog het advies van de chirurg in april 2007 niet terug te keren in zijn gebruikelijke werk. Dit zijn zodanig sterke aanwijzingen dat de oorzaak van de klachten wel degelijk arbeidsgerelateed was, dat [eiser] in de gegeven omstandigheden, met de kennis die hij op dat moment had en die (mede) afkomstig was van deskundigen, in redelijkheid geen reden had om te twijfelen aan de (al dan niet gedeeltelijke) aansprakelijkheid van ECT.

4.5.5

Op basis van deze omstandigheden komt de kantonrechter tot het oordeel dat de verjaringstermijn in ieder geval vóór de beslissende datum, 19 juli 2007, is gaan lopen. Gedurende de periode tussen 2002 en april 2007 heeft [eiser] meerdere sterke aanwijzingen gehad dat de oorzaak van zijn (chronische) klachten in ieder geval deels in zijn werksfeer lag. Het advies van de chirurg in april 2007 moet die aanwijzingen in sterke mate bevestigd hebben.

4.6

Voorgaande overwegingen leiden tot het oordeel dat de vordering van [eiser] is verjaard, omdat hij deze niet tijdig heeft gestuit. De vordering wordt afgewezen en [eiser] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ECT vastgesteld op € 1.500,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

833