Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9412

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
10/660227-17 / parketnummer vordering TUL VV: 22-003296-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een poging tot doodslag door van korte afstand met een vuurwapen kogels af te vuren op het slachtoffer. Vrijspraak voor medeplegen. Tevens een veroordeling voor het voorhanden hebben van harddrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660227-17

Parketnummer vordering TUL VV: 22-003296-15

Datum uitspraak: 16 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte]

,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Rotterdam, locatie Hoogvliet.

Raadsvrouw mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J.A. de Bruijn heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, impliciet primair, ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 22-003296-15.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering, feit 2

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden geacht dat het ten laste gelegde feit door de verdachte in vereniging is gepleegd.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. De verdachte wordt alleen op basis van enkelvoudige fotoherkenningen en door zijn bijnaam als schutter aangewezen. De politie is bij het voorhouden van die foto’s onzorgvuldig te werk gegaan. De herkenningen zijn daardoor onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Voorts zijn de verklaringen van de aangever en de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] onbetrouwbaar en moeten ze om die reden van het bewijs worden uitgesloten. Ten slotte was de bijnaam van de verdachte vroeger [bijnaam verdachte] en niet [foute bijnaam verdachte] .

4.2.3.

Beoordeling

Betrouwbaarheid enkelvoudige fotoconfrontatie

Uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd kan geen aanknopingspunt worden gevonden om de resultaten van de enkelvoudige fotoconfrontaties uit te sluiten van het bewijs. Dit geldt temeer nu aangever en de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] aan wie de desbetreffende foto is getoond de persoon over wie zij hebben verklaard kenden, omdat zij de verdachte niet alleen hebben ontmoet op 11 april 2017 maar al eerder bij een aanrijding in maart 2017. Een meervoudige fotoconfrontatie heeft om die reden geen toegevoegde waarde (meer). De getuigen hebben afzonderlijk de verdachte herkend, zodat hun herkenning van de verdachte op de door de politie getoonde foto, anders dan de verdediging betoogt, betrouwbaar was. Het feit dat geen van de getuigen een specifiek signalement van de verdachte hebben gegeven doet niet af aan de betrouwbaarheid van de herkenning. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de foto’s niet op dezelfde dag aan de aangever en de getuigen zijn getoond. De rechtbank ziet geen reden om te vermoeden dat de verschillende getuigen op basis van overleg tot hun herkenning van de verdachte zijn gekomen. Voor het overige wordt door de verdediging gerelateerd aan de eisen die enkel worden gesteld aan een meervoudige fotoconfrontatie, zodat de rechtbank daarom daaraan reeds voorbijgaat. Nu dus niet is gebleken dat de politie onzorgvuldig te werk is gegaan bij de enkelvoudige fotoconfrontaties die zij hebben afgenomen, zal de rechtbank de fotoconfrontaties gebruiken voor het bewijs.

Betrouwbaarheid verklaringen

De rechtbank stelt vast dat de verschillende verklaringen die door de aangever en de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] zijn afgelegd over de toedracht van het schietincident op 11 april 2017 in Rotterdam, consistent en voldoende gedetailleerd zijn, en op hoofdlijnen met elkaar overeenkomen. Zowel de aangever als de getuigen verklaren kort gezegd dat de verdachte een vuurwapen trok en schoot op de aangever. De rechtbank acht deze verklaringen daarom betrouwbaar en deze zullen daarom voor het bewijs worden gebruikt.

Bijnaam

Met betrekking tot de bijnaam van de verdachte overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft verklaard dat zijn bijnaam vroeger [bijnaam verdachte] was. Daarnaast heeft getuige [naam getuige 1] verklaard dat hij de verdachte kent als [foute bijnaam verdachte] , terwijl hij de verdachte op een foto die hem door de politie wordt getoond heeft herkend.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring voor het onder feit 1 primair, impliciet primair, met uitzondering van het medeplegen. Niet is komen vast te staan hoe en met wie de afspraak om elkaar te ontmoeten precies is gemaakt. De enkele aanwezigheid van de medeverdachten is onvoldoende om te concluderen dat het feit in vereniging is gepleegd. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet primair, ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 11 april 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [naam slachtoffer] (waarbij die [naam slachtoffer] in zijn zij is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij omstreeks 4 mei 2017 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 31,7 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

poging tot doodslag

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft tijdens een ontmoeting waar gesproken zou worden over de financiële afhandeling van een aanrijding op een bepaald moment een vuurwapen getrokken. Vervolgens heeft hij daarmee van korte afstand meermalen op het slachtoffer geschoten. Het slachtoffer is daarbij in zijn zij geraakt en heeft naast een doorschotverwonding – gelukkig – geen ander letsel opgelopen. De verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Doordat het incident zich op de openbare weg heeft afgespeeld, in de buurt van een avondwinkel en het studentenhotel, zijn meerdere passanten met het gewelddadige gedrag van de verdachte geconfronteerd. Door dergelijk gedrag worden algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt.

Daarnaast heeft de verdachte cocaïne in zijn bezit gehad. Cocaïne is een stof die bedreigend is voor de volksgezondheid. Gebruik van harddrugs leidt veelal, direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en kan schadelijke lichamelijk, psychische en sociale gevolgen met zich meebrengen.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

6 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 932,94 aan materiële schade en een vergoeding van € 6.066, - aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het deel van de vordering dat ziet op de immateriële schade. Het et deel van de vordering dat ziet op de materiële schade zou moeten worden gematigd tot een bedrag van € 500,-.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De benadeelde partij zou daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn vordering.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair, impliciet primair, bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 300,-. Hierbij wordt betrokken dat een aankoopfactuur van de jas ontbreekt. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Tevens is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair, impliciet primair, bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Met betrekking tot de omvang van die schade overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij gelet op zijn rol daar ook een zeker aandeel in heeft gehad. Hij heeft afgesproken met een persoon die hij eerder op de dag was tegengekomen en die hij toen had medegedeeld: “Dat hij best wilde vechten”. Vervolgens is hij met een groep mensen op die afspraak verschenen en heeft hij, nadat de verdachte een vuurwapen trok, gezegd: “Schiet dan”. Op basis van die feiten en omstandigheden zal de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.000, -, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 april 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.300, -, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Arrest waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij arrest van 11 augustus 2016 van het gerechtshof Den Haag is de verdachte ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 26 augustus 2016.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de voornoemde voorwaardelijke veroordeling.

9.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.4.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit arrest en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat arrest aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds genoemde artikel is gelet op de artikelen 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet primair, ten laste gelegde feit en het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 2.300, - (zegge: tweeduizend driehonderd euro), bestaande uit € 300, - aan materiële schade en € 2.000, - aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 2.300, - (hoofdsom, zegge: tweeduizend driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.300, - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 33 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij arrest van 11 augustus 2016 van het gerechtshof Den Haag aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van

1 (één) week.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.A. Kalk, voorzitter,

en mrs. S.M. Milani en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 april 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [naam slachtoffer] (waarbij die [naam slachtoffer] in zijn zij is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 04 mei 2017 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 31,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.