Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9410

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
10/661106-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor het medeplegen van poging tot doodslag. Veroordeling voor het voorhanden hebben van harddrugs die was verborgen in de huurauto van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/661106-17

Datum uitspraak: 16 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

Gemachtigd raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J.A. de Bruijn heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uur, met aftrek van voorarrest, subsidiair 40 dagen hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feit 2

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 2 omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte die hoeveelheid harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad. Daarvoor ontbreekt de wetenschap en de beschikkingsmacht bij de verdachte.

4.2.2.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is het aan de verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De autosleutels van de gehuurde Kia Picanto zijn bij de verdachte aangetroffen na zijn aanhouding. Tevens stond de huurovereenkomst van de auto op zijn naam. Blijkens die huurovereenkomst had de verdachte de auto per 22 maart 2017 gehuurd voor een periode van ruim drie weken. Op 13 april 2017 zijn de drugs in de auto aangetroffen. De drugs lagen verborgen tussen het plastic van het middenconsole en de bekleding. De aard van die goederen verklaart dat deze goederen waren verborgen. Tot aan zijn aanhouding op 11 april 2017 had de verdachte dus twintig dagen van de huurauto gebruik gemaakt en er in gereden. De rechtbank acht het onaannemelijk dat de verdachte niet wist dat er drugs in de middenconsole verborgen lagen.

Het medeplegen zal de rechtbank niet bewezen verklaren, omdat niet gebleken is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander of anderen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne, zoals in de tenlastelegging is omschreven.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij omstreeks 11 april 2017 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2,7 gram van een materiaal bevattende heroïne en 2,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft harddrugs voorhanden gehad. Heroïne en cocaïne zijn stoffen die bedreigend zijn voor de volksgezondheid. Gebruik van harddrugs leidt veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit en kan schadelijke lichamelijk, psychische en sociale gevolgen met zich meebrengen.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

6 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 932,94 aan materiële schade en een vergoeding van € 6.066, - aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie / standpunt verdediging

De officier van justitie alsmede de verdediging hebben vrijspraak gevraagd voor feit 1, zodat de benadeelde partij volgens hen niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de vordering.

8.2.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.3.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.A. Kalk, voorzitter,

en mrs. S.M. Milani en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 11 april 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [naam slachtoffer] (waarbij die [naam slachtoffer] in zijn zij is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[naam medeverdachte] en/of een tot op heden onbekend gebleven persoon op of omstreeks 11 april 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door die [naam medeverdachte] en/of die tot op heden onbekend

gebleven persoon voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [naam slachtoffer] (waarbij die [naam slachtoffer] in zijn zij is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 11 april 2017 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door geweld en/of bedreiging en/of het verschaffen van gelegenheid, en/of (een) middel(en), en/of (een)

inlichting(en) aan die tot op heden onbekend gebleven persoon, bestaande die opzettelijke uitlokking hierin, dat hij, verdachte: - een afspraak heeft gemaakt/doen maken met die [naam slachtoffer] , en/of - samen met die tot op heden onbekend gebleven persoon aanwezig was bij die afspraak, en/of - bij die afspraak meermalen aan die tot op heden onbekend gebleven persoon de woorden heeft toegevoegd: "Pak, pak", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 11 april 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,7 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 2,3 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.