Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9395

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
C/10/520213 / HA ZA 17-132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-partners hebben een geschil over de vraag of de man bij de verdeling onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld door de vrouw te misleiden c.q. misbruik te maken van de geestelijke en lichamelijke situatie waarin de vrouw zich ten tijde van het verlijden van de akte bevond dan wel door haar in dwaling te brengen door haar de notariële akte te laten verlijden met onjuiste inhoud. Verjaring rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling. Art. 3:200 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/520213 / HA ZA 17-132

Vonnis van 29 november 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S. Kranendonk te Dordrecht,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. O.R. van Hardenbroek van Ammerstol te 's-Gravenhage,

2. [gedaagde 2], handelend in haar hoedanigheid van notaris en handelend als rechtsopvolger van mr. [notaris] ,

wonende te Barendrecht,

gedaagde,

advocaat mr. C.N. van Dooren te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde 1] en de notaris genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de brieven waarbij de comparitie van partijen is bepaald, van 31 mei 2017 en 7 juni 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 september 2017

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde 1] hebben van 1997 tot en met 2007 een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Samen met [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) hebben [eiseres] en [gedaagde 1] op 1 mei 2001 een gebouw (hierna: het gebouw) waarin voorheen een bank was gevestigd in eigendom verkregen, [persoon 2] voor de onverdeelde helft en [eiseres] en [gedaagde 1] ieder voor een/vierde onverdeeld aandeel. De koopprijs bedroeg fl. 1.300.000 en er is voor een bedrag van fl. 300.000 verbouwd. De totale investering ad fl. 1.600.000 is naar verhouding van ieders aandeel gefourneerd, ofwel [persoon 2] voor fl. 800.000 en [eiseres] en [gedaagde 1] ieder voor fl. 400.000.

2.3.

[eiseres] heeft haar aandeel uit eigen middelen voldaan. [gedaagde 1] heeft de helft (fl. 200.000) van zijn aandeel uit eigen middelen voldaan en de andere helft (fl. 200.000) door middel van een door [persoon 2] verstrekte geldlening gefinancierd.

2.4.

Het gebouw werd deels als bedrijfsruimte gebruikt voor Stichting Ter Ontwikkeling van Leervoorwaarden en Effectieve Communicatie “T. LEC” en sinds 2001 deels als woonruimte voor [eiseres] en [gedaagde 1] .

2.5.

Op 12 maart 2003 heeft [gedaagde 1] bij de Rabobank een bedrag geleend van € 113.500. Tot zekerheid voor de terugbetaling van deze geldlening is door [persoon 2] , [eiseres] en [gedaagde 1] (in de hypotheekakte aangeduid als: de comparanten onder A) een hypotheek gevestigd op het gebouw. In de hypotheekakte komt, voor zover thans van belang, het volgende voor:

“De comparanten onder A verklaarden, ter uitvoering van voormelde overeenkomst, aan de bank hypotheek te verlenen tot het hierna te noemen bedrag op het hierna te noemen onderpand, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van mevrouw [eiseres] en van de heer [gedaagde 1] , beiden voornoemd, (zowel van hen samen als van ieder van hen afzonderlijk) (…) te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, (…)”

Met het geleende bedrag is (onder meer) de door [persoon 2] aan [gedaagde 1] verstrekte geldlening terugbetaald ad fl. 200.000.

2.6.

In het kader van het verbreken van de affectieve relatie van partijen in juli 2007 is de gemeenschap, bestaande uit het gebouw tussen [persoon 2] , [eiseres] en [gedaagde 1] verdeeld.

2.7.

Op 30 augustus 2007 heeft [eiseres] de volgende brief aan [gedaagde 1] geschreven:

“Dank voor je brief. Goed dat je door het “klussen” i.v.m. het achterstallig onderhoud tot verwerken komt naast andere aktiviteiten die je beschrijft.

Ook de antwoorden op mijn vragen zijn duidelijk.

Ik wens je veel sterkte bij het zoeken naar werk.

Je goede gevoel over de chalets aan de Maas kan ik mij voorstellen. Ik ken ze en weet dat er inderdaad nog een aantal per direct te bewonen zijn.

Ook het financiële plaatje hierachter is mij ongeveer bekend (via cliënt). Gezien de streefdatum van 1 oktober ben ik naar alternatieven gaan zoeken om je alsnog de winstmarge op jouw inleg te kunnen geven zodat je dit goede alternatief kan realiseren.

In ons gesprek op 6 en 7 juli toen het over het genereren van geld voor jou ging zei ik dat ik mogelijk alleen jouw inleg zou kunnen financieren, antwoordde jij: “Ik heb vanaf het begin geweten dat ik hier niets uit zou krijgen”, en dat dit “part of the deal” was. “’t Lec” zei jij “ben jij en dat moet blijven”. Dit is trouwens ook duidelijk geworden in je brief. Zoals je zelf bevestigt: de boot in de winter kan niet, nu misschien nog wel maar nu dit huis er ligt wordt het eenvoudiger.

Het betekent voor jou dat jouw inleg in de akte omschreven ontkoppeld moet worden en onderpand wordt. De overdracht van dit geld moet lopen via de notaris i.v.m. diverse geldschieters. Het is voor mij een ingewikkelde constructie geworden. Het is gelukt en ook het (…) eigenlijk te veel dus.

We praten over jouw inleg € 90.756,-- + een meerwaarde van + 75%. De gemiddelde prijsstijging van huizen liep de afgelopen jaren tussen de 4% tot 6% per jaar. € 160.000 is na 6 jaar redelijk geindexeerd lijkt me. Dit geld kan op een door jou genoemde rekening gestort worden en indien nodig snel. Hier zit wel een tijdslimiet aan (21 sept).

Ik heb [persoon 2] ( [persoon 2] , opm. rb) hierover gesproken en zij gaat als medeparticipante in principe accoord met deze constructie/procedure.

Wil je het pand laten taxeren dan draai je zelf op voor de kosten.

Het spreken onder spanning is nog geen optie helaas dus opnieuw een brief. Mocht het tot een gesprek komen dan zal [persoon 2] i.v.m. haar aandeel hierbij aanwezig moeten zijn. (…)

P.S. Via [persoon 3] en [persoon 4] begreep ik dat het Chalet eigenlijk urgentie heeft. Ik zal haar, [persoon 3] , vragen jou omtrent de inhoud van deze brief op de hoogte te stellen zodat jij weet waar je aan toe bent.”

2.8.

[persoon 5] , adviseur van [gedaagde 1] , heeft op 1 september 2007 het volgende schriftelijk aan [eiseres] en [gedaagde 1] bericht:

“Op verzoek van [gedaagde 1] geef ik hierbij mijn zienswijze met betrekking tot het pand in Barendrecht. Op voorhand wil ik daarbij opmerken dat deze zienswijze is gebaseerd op wat [gedaagde 1] mij de afgelopen jaren heeft verteld en de daarbij door mij gemaakte dossiernotities en niet op basis van financiële documenten die ik ingezien heb.

(…)

Voor het gemak resterend in gulden kom ik tot de volgende conclusie:

  • -

    Aankoop pand fl. 1.600.000. [eiseres] en [gedaagde 1] zijn ieder 25% eigenaar.

  • -

    [gedaagde 1] financiert zijn deel met fl. 200.000 eigen geld en de rest door middel van een lening van de sponsor.

  • -

    Van de hypotheek van fl. 250.000 in 2003 wordt fl. 50.000 aangewend voor de verbouwing en de rest ter aflossing van de schuld van de lening van [gedaagde 1] . Op dat moment heeft [gedaagde 1] een (mede)schuld aan de bank van fl. 125.000 (zijn aandeel) en een schuld aan [eiseres] van fl.100.000. Omdat er sprake was van fiscale partners was dit laatste niet van belang voor de fiscale aangifte.

Bij het uit elkaar gaan van [eiseres] en [gedaagde 1] heeft [gedaagde 1] naar mijn mening recht op 25% van de waarde van het pand. Daarnaast dient hij zijn aandeel in de hypotheek van fl. 125.000 af te lossen en zijn schuld aan [eiseres] van fl. 100.000 te voldoen.

Naar aanleiding van de mededeling dat als uitgangspunt geldt dat de waarde van het pand ten opzichte van de oorspronkelijke koopsom 75% is gestegen, kom ik tot de volgende opstelling in euro’s:

  • -

    Koopsom: € 181.512

  • -

    Waardestijging 75%: 136.134

€ 317.646

Af: aandeel schuld RABO-Bank -/- 56.750

Schuld aan [eiseres] -/- 45.378

Uitkoopbedrag € 215.518

======

(…)”

2.9.

Bij schrijven van 4 september 2007 heeft [eiseres] als volgt gereageerd op de brief van [persoon 5] :

“Dank voor je schrijven en je objectiviteit. [gedaagde 1] heeft een blind vertrouwen in jou en daar ben ik blij om en mee.

Ondanks dat je de officiële papieren nog niet hebt, lijken mij de berekeningen in grote lijnen oké. [gedaagde 1] heeft de akte’s en de nota van afrekening in zijn bezit.

Ik heb toch wel vragen naast de opmerking dat de sponsor geen sponsor is maar mede eigenaar voor 50% en derhalve ook door mij geïnformeerd is en wordt.

Vraag 1: Aftrekpost

(…)

2: Uitkoopsom:

Uitgaande van jouw berekening voortkomend uit de in de akte vastgelegde verdeelsleutel zal ik [gedaagde 1] alle door hem gemaakte kosten door mij betaald in de afgelopen jaren in rekening moeten brengen. Zoals rente’s, OZB, verrekeningen enz. naast de gemaakte kosten voor hem persoonlijk. Gelukkig dat we dit een aantal jaren geleden hebben besproken, [gedaagde 1] onlangs (bij de laatste aangifte 2006) het er opnieuw met jou over heeft gehad en er een schuldbekentenis ligt. Zonder officiële papieren komen mijn berekeningen al uit op + € 49.000 tot € 50.000, wat nog kan oplopen. Jij had het toen over een indexatie. Ben heel benieuwd hoe je dit verrekend.

3: Winstmarge:

Ik ben heel erg verrast over de gehanteerde winstmarge van 75%. Hoe kom je hieraan?

Hoe gaan we om met de winstmarge van het deel dat ik al die jaren voor hem heb gefinancierd?

4: Mede eigenaar

(…)

5: Inleg:

Wat is er mis met mijn keuze, heel bewust gekozen om van de inleg uit te gaan om zodoende niet de onsympathieke vorm te moeten hanteren om de door hem gemaakte kosten te berekenen?

Het financiële plaatje is eenvoudig, dat laat ik bij jou.

f 200.000 + winst, f 25.000 + winst.

Om het zo soepel mogelijk te laten verlopen ben ik zelfs de afgelopen week opnieuw de boer opgegaan om hem te pleasen zodat hij in staat is dit chalet te kopen door deze winstmarge te kunnen financieren. Dit “graag soepel” kreeg ik van [gedaagde 1] ook. Blijkt echter dat zijn gedachten en woorden niet de waarden hebben die regulier zijn bij ’t maken van afspraken. Mijn vertrouwen is beschaamd. Toch hoop ik dat deze wens voor [gedaagde 1] lukt. (…)”

2.10.

Op 1 oktober 2007 is ten overstaan van notaris mr. [notaris] een akte van verdeling en levering ondertekend (hierna: de akte). [eiseres] en [persoon 2] waren daarbij aanwezig, [gedaagde 1] liet zich door een gevolmachtigde vertegenwoordigen. In die akte komt, voor zover thans van belang, het volgende voor:

Hypothecaire inschrijving

Het registergoed is belast met een hypothecaire inschrijving (…) oorspronkelijk in hoofdsom groot éénhonderddertien duizend vijfhonderd euro (€ 113.500,00), (…), ten laste van de sub 1 en 2 genoemde eigenaren als hoofdelijke schuldenaren.

Einde samenleving

De comparanten sub 1 en 2, handelend als gemeld, verklaarden dat zij op één september tweeduizend zeven hun relatie en hun samenleving hebben beëindigd, dat zij hun privé goederen hebben teruggenomen en afspraken hebben gemaakt over de verdeling van het registergoed en de hypotheekschuld.

Als dag van scheiding en verdeling wensen zij aan te nemen de datum één oktober tweeduizend zeven.

Het registergoed dient uiterlijk tien oktober tweeduizend zeven geheel ontruimd en ter vrije beschikking van de comparanten sub 1 en 3 gesteld te worden (…)

Scheiding en verdeling

Alsnu overgaande tot de scheiding en verdeling verklaarden de comparanten, het onverdeeld één/vierde gedeelte van de volmachtgever sub 2 genoemd van het hiervoor omschreven registergoed toe te delen aan mevrouw [eiseres] , de comparante sub 1 genoemd, en mevrouw [persoon 2] , de comparante sub 3 genoemd, ieder voor een/achtste (1/8e) gedeelte onder de verplichting voor mevrouw [eiseres] , de comparante sub 1 genoemd, de hiervoor omschreven hypothecaire schuld voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de heer [gedaagde 1] , de volmachtgever sub 2 genoemd, tegen alle mogelijke aanspraken voortvloeiende uit deze schuld te vrijwaren en onder de verplichting voor beide verkrijgers aan hem wegens overbedeling een bedrag groot éénhonderdzeventig duizend euro (€ 170.000,00) te voldoen, welk bedrag heden door hem is ontvangen, waarvoor kwijting wordt gegeven bij deze.

Levering

(…)

Kwijting en decharge

Met het vorenstaande verklaarden de comparanten, handelend als gemeld, voormelde onverdeeldheid geheel en al te hebben gescheiden en verdeeld en dat de deelgenoten met die scheiding en verdeling genoegen nemen onder de belofte dat zij elkaar na heden nimmer om enige nadere scheiding of herscheiding te dier zake zullen lastig vallen, direct of indirect, zomin in rechte als daarbuiten, erkennende de comparanten et de deelgenoten toekomende voorzover daarvoor vatbaar, te hebben ontvangen, aan- en overgenomen, weswege de deelgenoten elkaar over en weer kwiteren en déchargeren zonder enig voorbehoud.

Bepalingen

Tenslotte verklaarden de comparanten:

(…)

4. Partijen doen over en weer afstand van de bevoegdheid om de verdeling geheel of gedeeltelijk te ontbinden wegens het niet nakomen van hun verplichtingen, danwel om vernietiging van de verdeling te vorderen.”

3 Het geschil

tussen [eiseres] en [gedaagde 1] in conventie en in reconventie

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 176.579,98, vermeerderd met rente over een bedrag van € 61.623,42 vanaf de dag der dagvaarding en vermeerderd met kosten.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag.

[eiseres] vordert terugbetaling door [gedaagde 1] van een bedrag van in totaal € 61.623,42. Dit totaalbedrag is samengesteld uit bedragen die zij heeft voldaan ten behoeve van [gedaagde 1] in de jaren dat zij samen waren en daarna tot op heden.

[eiseres] vordert voorts een schadevergoeding van € 114.956,56 omdat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld danwel op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

[eiseres] stelt hiertoe dat [gedaagde 1] haar heeft misleid c.q. dat hij misbruik heeft gemaakt van de geestelijke en lichamelijke situatie waarin [eiseres] zich ten tijde van het verlijden van de akte bevond, danwel heeft hij haar in dwaling gebracht door haar de notariële akte te laten verlijden met onjuiste inhoud. [gedaagde 1] was destijds op de hoogte van de situatie van [eiseres] . Daarnaast heeft [gedaagde 1] kennelijk gebruik gemaakt van het feit dat hij de notarisklerk van het kantoor waar de notariële akte is verleden kende, zodat de notaris onjuist is geïnformeerd over de inhoud van de akte. [gedaagde 1] is ongerechtvaardigd verrijkt als gevolg van de onjuiste inhoud van de akte.

3.3.

[gedaagde 1] betwist dat [eiseres] uit hoofde van huishoudelijke kosten of anderszins een vordering op hem zou hebben verkregen. Voorts betwist hij dat de afspraak zou zijn gemaakt dat [gedaagde 1] die schuld op een later moment zou verrekenen, uiterlijk bij de verkoop van het pand.

Voorts betwist [gedaagde 1] de weergave van [eiseres] van de gemaakte afspraken rond de verdeling van het gebouw.

3.4.

[gedaagde 1] vordert - samengevat - om [eiseres] te veroordelen om mee te werken aan het ontslag van [gedaagde 1] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening op straffe van een dwangsom, met kosten.

3.5.

[gedaagde 1] legt aan zijn vordering nakoming van de akte van verdeling en levering ten grondslag.

3.6.

[eiseres] voert hiertegen als verweer aan dat de vordering van [gedaagde 1] is verjaard. Daarnaast wijst zij op haar stellingname in conventie, inhoudende onder meer dat zij dient te worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

tussen [eiseres] en de notaris

3.7.

[eiseres] vordert (samengevat) een verklaring voor recht dat de notaris jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd waardoor de notaris aan [eiseres] dient te vergoeden de schade die zij dientengevolge lijdt en zal lijden, nader te op maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.8.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de notaris haar zorgplicht heeft geschonden althans als onrechtmatige daad te kwalificeren gedragen of nalatigheden heeft verricht. De notaris heeft haar wilscontrolerende taak veronachtzaamd.

3.9.

De notaris heeft aangevoerd dat [eiseres] niet ontvankelijk is in haar vordering omdat de notaris op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het opstellen of verlijden van de Akte. Voorts kunnen eventuele fouten van de oorspronkelijke protocolhouder niet toegerekend worden aan de protocolontvanger.

Verder voert de notaris aan dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar klachtplicht, beroept zij zich op verjaring en betwist zij het onzorgvuldig handelen.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie in de zaak tussen [eiseres] en [gedaagde 1]

De vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 1] tot betaling van € 114.956,56

4.1.1.

In artikel 3:200 BW is neergelegd dat een rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling vervalt door verloop van drie jaren na de verdeling. Deze termijn, die rechtbank ambtshalve dient te toetsen, is derhalve drie jaar na 1 oktober 2007 en dus op 1 oktober 2010 verlopen. In het arrest van de HR van 19 januari 2007 met ECLI:NL: HR:2007:AZ1488, is bepaald dat artikel 3:200 BW aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling niet eraan in de weg staat dat na het verstrijken van de daarin genoemde vervaltermijn door de ene deelgenoot tegen de andere alsnog een vordering uit onrechtmatige daad wordt ingesteld.

4.1.2.

Als feitelijke grondslag heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagde 1] (al dan niet via [persoon 5] ) heeft “gegoocheld” met cijfers en dat daarmee misbruik is gemaakt van de medische situatie van [eiseres] op dat moment. Een en ander te meer omdat niet [eiseres] zelf maar [persoon 2] namens [eiseres] het contact met de notaris onderhield.

4.1.3.

Vooropgesteld wordt dat de verdeling is neergelegd in een (notariële) akte die dwingend bewijs vormt van hetgeen partijen hebben afgesproken. [eiseres] heeft deze akte zelf ondertekend in het bijzijn van [persoon 2] , de door [gedaagde 1] gevolmachtigde persoon en de notaris. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om tegenbewijs te leveren tegen de dwingende bewijskracht van de akte, hetgeen zij onvoldoende heeft gedaan.

4.1.4.

Uit de door partijen overgelegde correspondentie (zie hiervoor onder 2.7 en 2.9 voor de brieven van [eiseres] zelf) blijkt voorts dat [eiseres] bekend was met het “financiële plaatje” en dit financiële plaatje was volgens haar zelfs - zoals blijkt uit de onder 2.9 aangehaalde brief - “eenvoudig”. [eiseres] heeft derhalve onvoldoende (onderbouwd) gesteld dat er sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] jegens [eiseres] .

Er is door partijen uitgegaan van de waarde van het aandeel van [gedaagde 1] in het gebouw, te vermeerderen met een winstmarge, te verminderen met de hypotheekschuld en te verminderen met de schuld aan [eiseres] , om uiteindelijk uit te komen op het door partijen beoogde en afgeronde bedrag van € 170.000. Zijnde het bedrag dat [gedaagde 1] nodig had om een chalet te kopen. Weliswaar ging [persoon 5] nog uit van het toerekenen van de helft van de hypothecaire schuld aan [gedaagde 1] en de andere helft aan [eiseres] , echter gezien het bedrag waarover door partijen uiteindelijk overeenstemming is bereikt, is (vrijwel) de hele hypotheekschuld meegenomen in de berekening van het aan [gedaagde 1] uit te keren bedrag.

De stelling van [eiseres] dat het een/vierde aandeel van [gedaagde 1] in het gebouw (slechts) € 170.000 danwel € 184.187,50 bedroeg (te weten 1/4 van € 736.750 het bedrag waarvan is uitgegaan voor de overdrachtsbelasting), dat er geen rekening gehouden dient te worden met een waardestijging, en dat voornoemd bedrag verminderd dient te worden met de totale hypotheekschuld en de schuld aan [eiseres] , heeft zij niet voldoende onderbouwd en is derhalve niet komen vast staan. [gedaagde 1] heeft zijn aandeel oorspronkelijk gekocht voor fl. 400.000, ofwel € 181.512,09. Niet valt in te zien dat het aandeel van [gedaagde 1] na de verbouwingen van het bankgebouw tot deels woonhuis, slechts € 170.000 of € 184.187,50 zou hebben bedragen.

Hoe een en ander financieel in relatie tot de andere deelgenoot is geregeld, is onduidelijk en in deze procedure niet aan de orde.

4.2.

Gelet op het hiervoor overwogene is er evenmin sprake van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde 1] . Immers, niet ongerechtvaardigd is een verrijking die haar grondslag vindt in een rechtshandeling. De gegeven toestemming rechtvaardigt alsdan de verrijking. Dat [eiseres] die toestemming heeft gegeven, blijkt uit de akte (zie 2.10).

4.3.

Van dwaling kan al helemaal geen sprake zijn gelet op het bepaalde in artikel 3:199 BW.

De vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 1] tot betaling van € 61.623,42

4.4.

Zoals hiervoor is overwogen, is door partijen bij de bepaling van de koopsom van € 170.000 rekening gehouden met de schuld die [gedaagde 1] had aan [eiseres] wegens de door haar tijdens de affectieve relatie betaalde hypotheekrente (zie r.o. 4.1.3). [gedaagde 1] heeft dit bedrag derhalve al betaald bij de verdeling.

Gelet op de akte van verdeling is er geen rechtsgrond voor de vordering van [eiseres] tot betaling door [gedaagde 1] van rente die zij na het verlijden van de akte heeft voldaan aan de bank. Die rente is zij immers verschuldigd daar de hypotheekschuld bij de verdeling aan haar is toegerekend.

Ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1]

4.5.

De vordering tot ontslag van de hoofdelijke aanprakelijkheid van [gedaagde 1] zal worden afgewezen. Uit de akte van levering en verdeling vloeit immers die verbintenis van [eiseres] niet voort. In tegendeel, uit de tekst “onder de verplichting voor mevrouw [eiseres] , de comparante sub 1 genoemd, de hiervoor omschreven hypothecaire schuld voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de heer [gedaagde 1] , de volmachtgever sub 2 genoemd, tegen alle mogelijke aanspraken voortvloeiende uit deze schuld te vrijwaren” volgt nu juist dat het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet is overeengekomen. Indien er ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid was overeengekomen, zou er geen aanleiding zijn om [eiseres] [gedaagde 1] te laten vrijwaren, zoals in de akte is opgenomen.

4.6.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] worden begroot op:

- griffierecht € 1.545

- salaris advocaat € 2.842 (2 punten × tarief € 1.421)

Totaal € 4.387

4.7.

[gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op ½ x (2 punten × tarief € 1.421) = € 1.421.

In de zaak tussen [eiseres] en de notaris

4.8.

Het door de notaris gevoerde niet ontvankelijkheidsverweer slaagt. Volgens vaste jurisprudentie kan de notaris niet worden aangesproken voor de verrichtingen van de notaris wier protocol zij heeft overgenomen.

4.9.

De kosten aan de zijde van de notaris worden begroot op:

- griffierecht € 1.545

- salaris advocaat € 2.842 (2 punten × tarief € 1.421)

Totaal € 4.387

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

verklaart dit vonnis wat betreft na te noemen kostenveroordelingen

uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten in conventie, aan de zijde van [gedaagde 1] tot op heden begroot op € 4.387, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis aan de zijde van [gedaagde 1] ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten in conventie, aan de zijde van de notaris tot op heden begroot op € 4.387, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis aan de zijde van de notaris ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

in reconventie

5.7.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.421.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.1

1 2294/2457