Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9354

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
10/742000-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 en 8 WVW, spookrijden en zwaar lichamelijk letsel. De verdachte was onder zodanige invloed van temazepam dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht en de verdachte wist dat temazepam zijn rijvaardigheid kon beïnvloeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/742000-16

Datum uitspraak: 23 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2017.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 120 uur te vervangen door 60 dagen hechtenis;

  • -

    ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd is geweest.

Waardering van het bewijs

Feit 1 primair en feit 2

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

  1. De verdachte reed op 30 december 2015 in zijn auto de afrit van de A15 op. Hij reed vervolgens eerst op de A15 en daarna op de A4 2,3 km tegen het verkeer in (spookrijden). Uiteindelijk botste de verdachte tegen de voorzijde van een Toyota. De Toyota roteerde linksom waarna die auto botste tegen de voorzijde van een Mercedes en tegen een Nissan.

  2. [naam slachtoffer] zat in de Toyota. Zij liep het volgende letsel op: breuken van twee ribben ter rechterzijde, een breuk van het rechter dwarsuitsteeksel van de eerste borstwervel en een breuk bestaande uit meerdere delen van het linker sleutelbeen. De volgende dag werd zij uit het ziekenhuis ontslagen en in januari werd zij geopereerd aan haar sleutelbeen.

  3. De verdachte heeft de avond voorafgaand aan het ongeluk een pil van 20 mg temazepam ingenomen.

  4. Kort voordat de verdachte tegen het verkeer in begon te rijden is door verschillende medeweggebruikers waargenomen dat de verdachte gevaarlijk rijgedrag vertoonde, daarbij versuft/glazig voor zich uitkijkend achter het stuur zat en niet reageerde op claxonsignalen van andere weggebruikers. Ongeveer twee uur na het ongeluk is door de politie waargenomen dat de verdachte suf overkwam, verkleinde pupillen had en af en toe met dubbele tong sprak.

  5. De verdachte kan zich niet herinneren dat hij is gaan spookrijden.

  6. In het NFI-rapport wordt geconcludeerd dat op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door temazepam.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat op basis van alleen het NFI-rapport niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde. Het rijgedrag van de verdachte, het niet reageren op claxonsignalen en het versuft uit zijn ogen kijken werden veroorzaakt door de zorgen over zijn terminaal zieke vriend.

Ook is aangevoerd dat de verdachte niet wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van temazepam de rijvaardigheid kon beïnvloeden. De verdachte gebruikt dit middel al 17 jaar. Het is nooit eerder misgegaan bij de verdachte, ook niet tijdens zijn werk terwijl hij werkte met machines. Hij heeft niet eerder geconstateerd dat inname van het medicijn de avond ervoor nadelige effecten had. Aangezien de tenlastelegging ook ten aanzien van feit 1 primair is toegesneden op het gebruik van temazepam dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.

Beoordelingskader

Uit de wet en de jurisprudentie volgt dat voor bewezenverklaring van een tenlastelegging als hier aan de orde - onder meer - moet worden vastgesteld of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte onder zodanige invloed van de desbetreffende stof verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Hiervoor is - kort gezegd - van belang of kan worden aangenomen dat de gemiddelde bestuurder in de vastgestelde omstandigheden van het geval niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht, en of op basis van deze omstandigheden een ernstig vermoeden bestaat dat de verdachte bestuurder niet meer in staat is zijn voertuig behoorlijk te besturen.1

Daarnaast is voor een bewezenverklaring vereist dat de verdachte weet of redelijkerwijs moet weten dat de desbetreffende stof zijn rijvaardigheid kan beïnvloeden.

Tot behoorlijk besturen in staat?

Op basis van de hiervoor in de inleiding genoemde feiten en omstandigheden mag in dit geval worden aangenomen dat een gemiddelde bestuurder niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht en tevens dat het ernstig vermoeden bestaat dat ook de verdachte in deze omstandigheden niet meer in staat was zijn voertuig behoorlijk te besturen.

De zorgen om de zieke partner zullen wellicht in het totaal van de omstandigheden enige rol hebben gespeeld, maar deze zijn niet onderbouwd en mede daardoor is niet aannemelijk geworden dat die invloed substantieel is geweest. Het verweer op dit punt zal daarom worden verworpen.

Met de voorgaande vaststellingen en de verwerping van het alternatief is het bewijs geleverd dat de verdachte onder zodanige invloed van een stof heeft verkeerd dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Wetenschap beïnvloeding rijvaardigheid door temazepam?

Tenslotte is het de vraag of de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat temazepam zijn rijvaardigheid kan beïnvloeden. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij dat wist. Daarmee is de vereiste wetenschap gegeven. De overige aangevoerde omstandigheden doen door die vaststelling niet meer ter zake. Het verweer zal ook op dit punt worden verworpen.

Conclusie

De verdachte was onder zodanige invloed van temazepam dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht en de verdachte wist dat temazepam zijn rijvaardigheid kon beïnvloeden.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 30 december 2015 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk,

onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A4,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, met dat motorrijtuig is gaan rijden en blijven rijden na het

gebruik van een geneesmiddel, te weten temazepam, en

-hij, verdachte daardoor verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, lid 1, van

de Wegenverkeerswet 1994, waardoor gevaar bestond voor het niet voortdurend

onder controle hebben van het door hem bestuurde voertuig en het gevaar

bestond dat hij, verdachte, niet voortdurend in staat was handelingen te

verrichten die van hem werden vereist,

ondanks waarschuwingen en claxonneren door hem tegemoetkomende bestuurders

-via de afrit die Rijksweg A4 is opgereden en

-op die Rijksweg over een grote afstand (ongeveer 2,3 km) (verder) tegen het

verkeer in heeft gereden ("spookrijden") en

-in botsing of aanrijding is gekomen met een

tegemoetkomende personenauto,

waardoor die tegemoetkomende personenauto roteerde en in botsing of aanrijding

is gekomen met meerdere voertuigen,

als gevolg waarvan de bestuurder van die tegemoetkomende personenauto, genaamd

[naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te weten gebroken ribben,

een borstwervelbreuk en een sleutelbeenbreuk bestaande uit meerdere delen) werd toegebracht;

2.

hij op omstreeks 30 december 2015 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij

verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten temazepam, waarvan hij

wist, dat het gebruik daarvan - al dan niet in

combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon

verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten levert op:

De eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet

en

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft onder invloed van een medicijn spookgereden waarna hij een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt. Hierbij zijn diverse auto’s betrokken geraakt met als gevolg zwaar lichamelijk letsel bij [naam slachtoffer] en daarnaast blikschade. Zonder dit letsel te willen bagatelliseren, is het een geluk bij een ongeluk geweest dat het wat betreft de gevolgen voor de betrokken personen, waaronder enkele jonge kinderen, bij dit letsel is gebleven. De aanrijding had evengoed fataal kunnen aflopen. De verdachte heeft de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer niet genomen.

Uit het reclasseringsrapport over de verdachte van 21 maart 2017 blijkt dat de verdachte zich over het ongeval erg schuldig voelt. Hiervan heeft hij ook tijdens de terechtzitting blijk gegeven, onder meer tijdens en na het voorlezen van de slachtofferverklaring, waaruit wordt afgeleid dat het de verdachte ook nu nog dagelijks aangrijpt. De rechtbank hecht er daarbij aan te benadrukken dat de verdachte het ongeval niet opzettelijk heeft veroorzaakt. Dit neemt niet weg dat het een ernstig feit betreft waarvoor de verdachte schuld draagt en waarop een strafrechtelijke sanctie dient te volgen.

Acht is geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Ook weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij inziet wat hij heeft veroorzaakt en dat hij uit eigen beweging extra rijlessen heeft gevolgd. Tevens heeft de verdachte naar eigen zeggen telefonisch contact opgenomen met [naam slachtoffer] maar klapte hij tijdens het contact volledig dicht.

Gelet op het voorgaande en de hoge leeftijd van de verdachte is een lagere straf dan de geëiste taakstraf van 120 uren op zijn plaats. De leeftijd van de verdachte zorgt er tevens voor dat er ook niet wordt meegegaan in de eis van officier van justitie wat betreft de ontzegging van de rijbevoegdheid. De verdachte is inmiddels 74 jaar oud. Voor mensen van zijn leeftijd met een geldig rijbewijs is het juist belangrijk om te blijven autorijden om sociale contacten te onderhouden. Dat geldt temeer in dit geval nu de verdachte ter zitting heeft verklaard dat zijn familie op afstand woont. Daarom zal de rechtbank deze bijkomende straf gedeeltelijk voorwaardelijk opleggen waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest.

Alles afwegend is de hierna te noemen straffen passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden waarvan 3 (drie) maanden voorwaardelijk;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van deze bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. R.H. Kroon en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. B.A.M. Elst en L. van Dam, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 november 2017.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 30 december 2015 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A4,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, met dat motorrijtuig is gaan rijden en blijven rijden na het

gebruik van een geneesmiddel, te weten temazepam, en/of

-hij, verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, lid 1, van

de Wegenverkeerswet 1994, waardoor gevaar bestond voor het niet voortdurend

onder controle hebben van het door hem bestuurde voertuig en/of het gevaar

bestond dat hij, verdachte, niet voortdurend in staat was handelingen te

verrichten die van hem werden vereist,

ondanks waarschuwingen en claxonneren door hem tegemoetkomende bestuurders

-via de afrit die Rijksweg A4 is opgereden en/of

-op die Rijksweg over een grote afstand (ongeveer 2,3 km) (verder) tegen het

verkeer in heeft gereden ("spookrijden") en/of

-(vervolgens) (in een bocht) in botsing of aanrijding is gekomen met een

tegemoetkomende personenauto,

waardoor die tegemoetkomende personenauto roteerde en in botsing of aanrijding

is gekomen met meerdere voertuigen,

als gevolg waarvan de bestuurder van die tegemoetkomende personenauto, genaamd

[naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te weten gebroken ribben,

een borstwervelbreuk en een sleutelbeenbreuk bestaande uit meerdere delen), of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 8, eerste lid, en

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 december 2015 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Rijksweg A4, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die

weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

ondanks waarschuwingen en claxonneren door hem tegemoetkomende bestuurders

-via de afrit die Rijksweg A4 is opgereden en/of

-op die Rijksweg over een grote afstand (ongeveer 2,3 km) (verder) tegen het

verkeer in heeft gereden ("spookrijden") en/of

-(vervolgens)(in een bocht) in botsing of aanrijding is gekomen met een

tegemoetkomende personenauto;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 30 december 2015 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij

verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten temazepam, waarvan hij

wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in

combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon

verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 199

1 HR 27 maart 2012, NJ 2012,475 m.nt. F.W. Bleichrodt.