Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9338

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
17/1272
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Illegaal gokken. Verweerder kon in redelijkheid besluiten tot sluiting van de openbare inrichting op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV in samenhang met artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder c, van de APV. Wegens motiveringsgebrek beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/1272

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. R.S. Wijling,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2016 (het primaire besluit), voor zover hier relevant, heeft verweerder de sluiting bevolen van de inrichting [naam] , gevestigd aan [adres] te [plaats] (de inrichting), voor de duur van drie maanden. Tevens is de inrichting voor de duur van 12 maanden niet meer vrijgesteld van de exploitatievergunningsplicht.

Bij besluit van 12 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor zover gericht tegen de duur van de sluiting, en deze voorts bepaald op één maand. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam] .

Overwegingen

1.1.

Eiser exploiteert in de inrichting een ontmoetingsruimte voor de buurtbewoners van [buurt] .

1.2.

Op 20 februari 2016 heeft de politie bij een controle geconstateerd dat in de inrichting computers in gebruik waren waarop gegokt werd via internet-goksites. Er waren ook vier printers aanwezig voor het uitprinten van gokbonnen. Dit is weergegeven in een mutatierapport van 21 februari 2016. Naar aanleiding hiervan heeft eiser op 26 februari 2016 een schriftelijke waarschuwing gekregen voor illegaal gokken.

1.3.

Op 8 juni 2016 heeft een integrale controle plaatsgevonden in de inrichting waarbij onder meer de politie en de Kansspelautoriteit (Ksa) betrokken waren. Uit de rapportage van toezichthouders van de Ksa van 14 juni 2016, die naar aanleiding daarvan is opgemaakt, volgt onder meer dat op twee computers in de inrichting diverse voetbalwedstrijden met daarbij behorende quoteringen (winstverwachtingen) waren vermeld. Op het beeldscherm van deze computers waren daarnaast onder meer de nummers 2541 en 2675 te zien. De toezichthouders hebben deze computers nader onderzocht. Hierbij zijn geen ambtshalve bekende goksoftwareprogramma’s aangetroffen. Tijdens het onderzoek schakelden de computers uit. Het stopcontact waarop de computers waren aangesloten bleek spanningsloos te zijn geworden. Daarna zijn de computers niet verder onderzocht. Door de toezichthouders zijn in de inrichting ook meerdere wedtickets aangetroffen. Dergelijke tickets worden, zo is de toezichthouders ambtshalve bekend, na afsluiting van een weddenschap uitgedeeld en vermelden de afgesloten weddenschappen en bijbehorende winstverwachtingen. Op de wedtickets waren onder meer de terminalnummers 2541 en 2675 te zien, die overeenkomen met de nummers op de beeldschermen van de onderzochte computers. Een bezoeker die zat bij de computer waarop het nummer 2541 te zien was, heeft tegenover één van de toezichthouders verklaard dat een op de tafel aangetroffen wedticket betrekking had op een weddenschap die door hem op de betreffende computer was afgesloten. Op een betonnen pilaar tussen de tafels met acht computers die stonden opgesteld in de inrichting, was een papier geplakt met daarop een tabel met acht nummers, waaronder 2541 en 2675. Verder werd door de toezichthouders een ticketprinter aangetroffen die was ingebouwd in de kassa. Op de toegangsdeur naar de ontmoetingsruimte was een huisreglement opgeplakt waarin regels omtrent het afsluiten van weddenschappen waren vermeld.

1.4.

Op 13 juni 2016 heeft de politie de inrichting (opnieuw) bezocht en zijn er twee mannen aangetroffen achter een computer, waarvan er één op een goksite zat. Bij de controle werd geconstateerd dat met een rode knop de stroom op alle computers kan worden uitgeschakeld.

1.5.

Naar aanleiding van de onder 1.2. tot en met 1.4. genoemde bevindingen heeft de politie op 13 juli 2016 een rapportage aan verweerder opgemaakt, met het verzoek een bestuurlijke maatregel te nemen. Verweerder heeft daarop het primaire besluit genomen.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie (ABC), de duur van de sluiting teruggebracht van drie maanden naar één maand en voor het overige het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uit de politierapportage van 13 juli 2016 en de daarbij behorende rapportages van de controles op 20 februari 2016, 8 juni 2016 en 13 juni 2016 blijkt dat artikel 1 van de Wet op de kansspelen (Wok) is overtreden. Als gevolg daarvan zijn de openbare orde en het leefklimaat onder druk komen te staan. De sluitingstermijn van één maand is in lijn met de termijnen uit het handhavingsreglement bij de Horecanota 2012-2016. Verweerder heeft in het bestreden besluit zich voorts, in afwijking van het advies van de ABC, op het standpunt gesteld dat de inrichting een horeca-inrichting is.

3.

De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de beroepsgrond dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de bevoegdheid op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de Nadere regels openbare inrichtingen 2012, in die zin dat gedurende 12 maanden een exploitatievergunning nodig is, ter zitting heeft ingetrokken. Deze beroepsgrond behoeft dus geen nadere bespreking.

4.1.

Op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in het geval van bijzondere omstandigheden een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet.

Op grond van artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder c, van de APV, voor zover hier van belang, kan de burgemeester, onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8, de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien naar zijn oordeel de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed.

4.2.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wok is het, behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde, verboden gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend.

5.1.

De bevoegdheid tot het gesloten verklaren van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:30, eerste lid, in samenhang met artikel 2:28, zesde lid, van de APV is een discretionaire bevoegdheid van verweerder waarvan de uitoefening door de rechter terughoudend moet worden getoetst. Verweerder heeft een ruime mate van beleidsvrijheid.

5.2.

Verweerder hanteert bij zijn bevoegdheid op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV, het handhavingsarrangement behorende bij de Horecanota 2012-2016. Op pagina 73 is bepaald dat na een tweede constatering van strafbare feiten, anders dan drugs- of wapenhandel, een sluiting van één maand volgt. Daarbij is toegelicht dat bij dergelijke strafbare feiten onder andere kan worden gedacht aan constateringen van illegaal gokken.

6.

De rechtbank stelt vast dat eiser de waarnemingen van de Ksa, zoals neergelegd in de rapportage van 14 juni 2016, en de bevindingen van de politie, zoals opgenomen in de rapportages van de controles op 20 februari 2016, 8 juni 2016 en 13 juni 2016, niet betwist, met uitzondering van de stelling dat de computers in de ontmoetingsruimte tijdens de gecombineerde controle spanningsloos zouden zijn gemaakt door het gebruik van de zogeheten ‘rode knop’.

7.

Allereerst stelt eiser zich op het standpunt dat de geconstateerde feiten geen overtreding opleveren van artikel 1 van de Wok. Eiser voert daartoe aan dat de Ksa in zijn rapportage van 14 juni 2016 vaststelt dat de computers niet voorzien zijn van een merkteken als bedoeld in artikel 30r, eerste lid, van de Wok. Voor zover er sprake zou zijn van een overtreding van de Wok, dan zou dat dus een overtreding zijn van artikel 30b van de Wok, dat verbiedt om zonder vergunning kansspelautomaten aanwezig te hebben. Een dergelijke overtreding valt niet onder het bereik van artikel 1 van de Wok. Omdat verweerder artikel 1 van de Wok aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, mist het besluit feitelijke grondslag. Volgens eiser is ook geen sprake van een overtreding, omdat er op de computers geen illegale goksoftware is aangetroffen en de sites vrij toegankelijk waren op internet.

8.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De conclusie dat er geen merktekens voor speelautomaten als bedoeld in artikel 30r van de Wok waren aangebracht op de computers, is een constatering die de Ksa in haar rapportage van 14 juni 2016 doet. Aan deze constatering kan niet de conclusie worden verbonden dat de Ksa meent dat de computers in dit geval fungeerden als kansspelautomaten in de zin van artikel 30 van de Wok. Uit de rapportage kan ook niet worden afgeleid dat de Ksa meent dat sprake was van een overtreding van artikel 30b van de Wok. De kern van de rapportage van de Ksa is dat er met de computers uit de inrichting weddenschappen zijn afgesloten over voetbalwedstrijden, waarvoor ook wedtickets zijn uitgegeven en waarvoor in de kassa’s van de inrichting ingebouwde ticketprinters aanwezig waren. Deze weddenschappen over voetbalwedstrijden betreffen sportprijsvragen als bedoeld in hoofdstuk III van de Wok, dat onder het bereik van artikel 1 van de Wok valt. Op grond van de bevindingen zoals weergegeven in overweging 1.3. concludeert de Ksa ook dat door middel van sportprijsvragen gelegenheid werd geboden om mee te dingen naar prijzen en premies, waarbij winnaars worden bepaald door enige kansbepaling waarop deelnemers geen overwegende invloed kunnen hebben. Voor het aanbod van dergelijke sportprijsvragen is volgens de Ksa, voor zover het de in de inrichting opgestelde computers betreft, geen vergunning verstrekt. In haar conclusie sluit de Ksa expliciet aan bij de tekst van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wok. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op basis van deze rapportage en de overige onder overweging 1.2. tot en met 1.5. genoemde rapportages terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van activiteiten in strijd met artikel 1 van de Wok. Het enkele feit dat er gedurende het beperkte onderzoek dat de Ksa heeft kunnen uitvoeren, geen illegale goksoftware is aangetroffen en de sites vrij toegankelijk waren via internet, doet aan deze conclusie niet af.

9.

Eiser heeft in verband met de vaststelling van verweerder, dat sprake is van strafbare feiten omdat artikel 1 van de Wok is overtreden, voorts nog gesteld dat op verweerder een separate “vergewis- en motiveringsplicht” rust. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij meent dat daaruit voortvloeit dat verweerder voor zijn conclusie niet had kunnen volstaan met een verwijzing naar de rapportage van de Ksa.

10.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft zich voor de vaststelling dat sprake was van strafbare feiten, gebaseerd op de rapportage van de politie, inclusief de daarbij behorende ambtsverslagen en mutaties, en de rapportage van de Ksa. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van deze stukken. Verweerder mocht de inhoud van deze rapportages, waarvan eiser de juistheid ook niet betwist, dan ook bij zijn besluitvorming betrekken. Daarbij geldt dat verweerder niet alleen heeft verwezen naar de rapportages, maar ook heeft gemotiveerd waarom hij meent op grond van de daarin geconstateerde feiten, handhavend te kunnen optreden.

11.

Eiser stelt vervolgens dat van een concrete aantasting van de openbare orde, zoals volgt uit artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder c, van de APV, niet is gebleken en dat hier nooit onderzoek naar is gedaan. Ten onrechte heeft verweerder volstaan met de algemene opmerking dat gokken een negatieve invloed heeft op de woon- en leefomgeving, terwijl er vanuit de leefomgeving nu juist geen klachten waren. Uit dat laatste kan volgens eiser worden afgeleid dat de openbare orde in dit concrete geval niet is aangetast. Uit het feit dat artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de APV niet aan de maatregel ten grondslag is gelegd, leidt eiser af dat verweerder ook niet daadwerkelijk meent dat de openbare orde is aangetast.

12.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Verweerder heeft toegelicht dat bij illegale gokactiviteiten geen toezicht is op consumentenbescherming, verslavingspreventie en correcte afdracht van middelen. Ook kan niet worden gewaarborgd dat minderjarigen geen toegang krijgen tot de activiteiten. Meer in het algemeen geldt dat illegale gokactiviteiten criminaliteit aantrekken. Hieruit volgt reeds, dat deze activiteiten een negatieve invloed hebben op de openbare orde. Anders dan eiser stelt, hoeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voor deze vaststelling niet afzonderlijk onderzoek te doen naar de wijze waarop de openbare orde of de woon- of leefomgeving concreet is aangetast als gevolg van de activiteiten bij eiser. Daarbij komt dat er in dit geval, anders dan eiser stelt, wel meldingen zijn geweest vanuit de omgeving. Aanleiding voor het onderzoek was een melding van een moeder uit de buurt, die wedtickets had gevonden in de jaszak van haar minderjarige zoon. In de besluitvorming is bovendien meegewogen dat de inrichting in een kwetsbaar gebied ligt waar het woon- en leefklimaat al onder druk staat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er vanuit de inrichting activiteiten zijn verricht danwel strafbare feiten zijn gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed. Het feit dat verweerder voor de handhaving niet heeft aangeknoopt bij artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a maar onder c van de APV, doet hier niet aan af. Beide grondslagen gaan immers uit van nadelige beïnvloeding van de openbare orde en verweerder heeft de keuze om de grondslag die hij het meest passend acht aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen.

13.

Eiser heeft voorts gesteld dat uit de besluitvorming niet volgt welke rol hem wordt verweten. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de besluitvorming volgt dat verweerder meent dat eiser als eigenaar van de ontmoetingsruimte gelegenheid heeft geboden tot het gokken en dat eiser dit ook actief heeft gefaciliteerd. Ter zitting is nader toegelicht dat de actieve betrokkenheid van eiser onder meer bestond uit het plaatsen van ticketprinters. Eiser wist bovendien van de activiteiten, en heeft deze dus in ieder geval toegestaan danwel gedoogd. Dit is door eiser niet weersproken.

14.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder c, van de APV. Voorts heeft verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten tot de sluiting van de inrichting op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV, voor de duur van een maand. Daarbij merkt de rechtbank op dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder voor het vaststellen van de sluitingstijd in redelijkheid aansluiting kon zoeken bij het handhavingsarrangement bij de Horecanota 2012-2016.

15.

Eiser richt zich wel tegen de vaststelling in het bestreden besluit, in afwijking van het advies van de ABC, dat de ontmoetingsruimte een horeca-inrichting is. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij meent dat dit inderdaad een fout is, en dat de motivering van het bestreden besluit in zoverre gebrekkig is.

16.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel in strijd is met het motiveringsbeginsel. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De vraag of sprake is van een horeca-inrichting, is echter niet relevant voor de bevoegdheid van verweerder om handhavend op te treden. Daarvoor is immers bepalend of de ontmoetingsruimte kwalificeert als openbare inrichting. Dat dit het geval is, is tussen partijen niet in geschil. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

17.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

18.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt tot een bedrag van € 990.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, mr. J.F. Frankruijter en mr. C.G.E. Prenger, leden, in aanwezigheid van mr. C.A. Lodders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.

de griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.