Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9336

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
C/10/514554 / Ha Za 16-1284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Bestaan gebruiksovereenkomst niet aangenomen. Verkrijgende verjaring. In bezit name van de strook grond levert een onrechtmatige daad op. Vorm van de schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/514554 / Ha Za 16-1284

Vonnis van 19 juli 2017

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE CAPELLE AAN DEN IJSSEL,

zetelend te Capelle aan den IJssel,

eiseres,

advocaat mr. A. Bergers-Kemp,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. F. Meeusen.

Partijen zullen hierna “de gemeente” en “ [gedaagden] ” genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

- het exploot van dagvaarding van 8 november 2016;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens eisvermeerdering;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 mei 2017;

- de door partijen overgelegde producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[gedaagden] zijn sinds 29 augustus 1980 eigenaar van het perceel, kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, [kadastraal nummer1] .

2.2.

Grenzend aan de achtertuin van [gedaagden] , ligt het perceel, kadastraal bekend als [kadastraal nummer 2] . [gedaagden] hebben de strook grond in gebruik genomen en dit onderhouden.

2.3.

De gemeente heeft [gedaagden] bij brief van 24 november 1988 laten weten, dat de gemeente niet wil overgaan tot verkoop van de strook grond aan [gedaagden]

2.4.

De gemeente heeft [gedaagden] op 18 maart 2016 aangeschreven over het gebruik van de strook grond en hen uitgenodigd de situatie te komen bespreken.

2.5.

Op 6 april 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagden] en [medewerker 1] en [medewerker 2] , medewerkers van de gemeente.

2.6.

[medewerker 1] heeft [gedaagden] op 19 april 2016 een e-mail gezonden, waarin onder meer het volgende staat:

U heeft ook het recht om verjaring te claimen, echter omdat u de mondelinge toezegging heeft gehad van een medewerker van de gemeente kan van verjaring geen sprake zijn.

(…)

In verband met de mondelinge toezegging van het gebruik van de grond, bent u de afgelopen 20 jaar geen bezitter van de grond geweest, maar houder. Zodoende kan van verjaring geen sprake zijn.

Ontruimen gemeentegrond

In gesprek hebben wij aangegeven dat het in verband met het uitgiftebeleid niet mogelijk is de grond te kopen of te huren. Echter wanneer wij aan uw buren verjaring erkennen willen wij nogmaals naar onze uitgiftecriteria kijken of de grond niet toch uitgegeven kan worden in de vorm van een huur- of koopovereenkomst. Zodoende stellen wij voor dat de uitkomt van de mogelijke verjaringsclaims aan de Dorus Rijkersrede wordt afgewacht, voordat wij u vragen de grond te ontruimen.”

2.7.

De gemeente heeft aan de gemachtigde van [gedaagden] op 19 mei 2016 een brief gestuurd, waarin onder meer staat:

Met deze brief zeggen wij de mondelinge overeenkomst op.”

2.8.

De gemachtigde van de gemeente heeft door de brief van 1 september 2016 opnieuw de gebruiksovereenkomst opgezegd per 31 oktober 2016.

3 De vordering

in conventie

3.1.

De gemeente heeft, na vermeerdering van eis en na eiswijziging, gevorderd dat [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, worden veroordeeld:

I. (primair) om het deel van de gemeentegrond, kadastraal bekend als [kadastraal nummer 2] , zoals rood omlijnd aangeduid op de luchtfoto die wordt overgelegd als productie 3, met al het hunne en de hunnen uiterlijk binnen
7 dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis leeg en ontruimd aan de gemeente op te leveren, op straffe van een dwangsom van
€ 1.000,00 per dag dat aan de veroordeling geen gehoor wordt gegeven, tot een maximum € 100.000,00.

II. (subsidiair) tot vergoeding van de door de gemeente geleden schade,

a. in natura, dat wil zeggen in de vorm van overdracht van het deel van de (gemeente)grond aan de gemeente, uiterlijk binnen 30 dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, met bepaling dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats van de notariële akte zal treden, althans op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat aan de veroordeling geen gehoor zal worden gegeven tot een maximum van € 100.000,00 althans

b. in geld, te weten een bedrag van € 2.625,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.

III. (zowel primair als subsidiair) hoofdelijk, in de kosten van deze procedure, een bedrag voor nasalaris van de advocaat daaronder begrepen.

3.2.

De gemeente legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. De gemeente is eigenaar van de strook grond. [gedaagden] hadden de strook grond sinds 1985 in gebruik op grond van een mondelinge gebruiksovereenkomst. De gemeente heeft de gebruiksovereenkomst opgezegd per 31 oktober 2016 en sindsdien gebruiken [gedaagden] de grond zonder recht of titel in de zin van artikel 5:2 BW. Dit levert tevens een onrechtmatige daad op in de zin van 6:162 BW.

3.3.

De conclusie van [gedaagden] strekt tot afwijzing van de vordering. [gedaagden] voeren aan dat zij de strook grond in eigendom hebben gekregen door verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:105 BW omdat zij al meer dan 20 jaar het bezit hebben van de strook grond. Verder betwisten [gedaagden] dat de gemeente belang heeft bij de zaak.

in reconventie

3.4.

[gedaagden] vorderen dat, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht wordt verklaard dat [gedaagden] de strook grond door verjaring in eigendom hebben verkregen,

  2. de gemeente wordt veroordeeld om binnen 14 dagen na vonnis ten overstaan van een notaris medewerking te verlenen aan notariële vastlegging van de verjaring, op straffe van € 1.000,00, per dag met een maximum van € 100.000,00,

  3. de gemeente wordt veroordeeld in de kosten van het geding, hieronder begrepen een bedrag voor het salaris van advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten indien de gemeente de proceskosten niet binnen 14 dagen na het wijzen van het vonnis heeft voldaan,

  4. de gemeente de nakosten moet betalen.

3.5.

[gedaagden] leggen het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. Zij hebben zich in het najaar van 1984 het bezit verschaft over de strook grond door de strook grond bij hun tuin te voegen, te beplanten en te omheinen. Zij hebben zich gedragen als ware zij eigenaar. Na 20 jaar is de vordering van de gemeente tot beëindiging van het bezit verjaard en hebben [gedaagden] de eigendom van de strook grond verkregen.

Subsidiair stellen [gedaagden] dat de vordering van de gemeente om de grond te ontruimen is verjaard, nu er geen stuiting heeft plaatsgevonden binnen 6 maanden na de mededeling. [gedaagden] zijn daardoor door bevrijdende verjaring eigenaar geworden van de strook grond.

3.6.

De gemeente heeft geconcludeerd tot afwijzing van de eis in reconventie. De gemeente betwist dat [gedaagden] de grond door verkrijgende verjaring hebben verkregen en stelt dat [gedaagden] al die tijd houder zijn geweest. [gedaagden] kunnen vanwege het interversieverbod geen eigenaar zijn geworden. De gemeente betwist voorts dat de vordering om de grond te ontruimen is verjaard.

4 De beoordeling

4.1.

Gezien de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.

Belang bij de vordering

4.2.

De gemeente is als eigenaar bevoegd, op grond van artikel 5:2 BW, om haar eigendom van een ieder die haar zonder recht houdt op te eisen. Alleen al vanwege de mogelijke financiële gevolgen voor de gemeente, namelijk het verlies van eigendom van de strook grond, heeft de gemeente belang bij de vordering in de zin van artikel 3:303 BW.

Gebruiksovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagden]

4.3.

De gemeente stelt dat er in 1985, tijdens een gesprek tussen [gedaagden] en de gemeente, een mondelinge gebruiksovereenkomst tussen [gedaagden] en de gemeente tot stand is gekomen. De gemeente onderbouwt dit door het overleggen van een gespreksnotitie van het gesprek op 6 april 2016 (productie 5 bij de dagvaarding) en een verklaring (productie 6 bij dagvaarding), ondertekend door de gemeentemedewerkers, waarin de gemeentemedewerkers verklaren dat [gedaagden] tijdens het gesprek van 6 april 2016 hebben gezegd dat zij toestemming hadden om de strook grond te gebruiken. In de verklaring van de gemeentemedewerkers staat:

Zij hebben verklaard dat de koop lang op zich liet wachten en dat zij aan medewerkers van de gemeente hebben gevraagd of zij de gemeentegrond alvast mochten gebruiken. Deze medewerkers hebben hiermee – aldus de heer en mevrouw Doeve – ingestemd.”

4.4.

[gedaagden] hebben ter zitting betwist dat zij in het gesprek op 6 april 2016 hebben gezegd dat zij de strook grond mochten gebruiken in het kader van een gebruiksovereenkomst. Zij hebben bedoeld dat zij de strook grond in bezit hebben genomen en hebben onderhouden, aldus [gedaagden] Voorts betwisten [gedaagden] dat het gesprek in 1985 heeft plaatsgevonden en dat zij toen toestemming hebben gevraagd voor het gebruik van de strook grond en dat daarmee een gebruiksovereenkomst tot stand is gekomen.

4.5.

Voor het tot stand komen van een (gebruiks)overeenkomst zijn twee wilsverklaringen nodig, namelijk het aanbod en de aanvaarding daarvan. Nu [gedaagden] de totstandkoming van de mondelinge gebruiksovereenkomst betwisten, is het aan de gemeente om de totstandkoming te onderbouwen.

4.6.

De gemeente beroept zich daarbij op een gespreksnotitie van het gesprek op 6 april 2016. In die (ongedateerde) gespreksnotitie staat niet meer dan “ 85, toestemming gebruik. Mondelinge toezegging. Tuin in onderhoud genomen.” [gedaagden] hebben de gespreksnotitie niet ondertekend. Los van het feit dat [gedaagden] de inhoud betwisten kan uit de tekst van de gespreksnotitie niet worden afgeleid dat [gedaagden] ooit een gebruiksovereenkomst zijn overeengekomen.

Vervolgens doet de gemeente een beroep op de verklaringen van de gemeentemedewerkers. Uit de bewoordingen van de verklaring valt niet op te maken of [gedaagden] hebben bedoeld dat er in het verleden een mondelinge gebruiksovereenkomst tot stand is gekomen of dat is bedoeld dat [gedaagden] zich het bezit hebben verschaft van de grond en daarvan dagelijks gebruik hebben gemaakt. Hierbij wordt ook overwogen dat in de verklaring niet uitdrukkelijk wordt gesproken over het bestaan van een mondelinge gebruiksovereenkomst, dat [gedaagden] geen juridische bijstand hadden tijdens het gesprek van 6 april 2016 en dat er in de brief van 24 november 1988 niets vermeld staat over een gebruiksovereenkomst.

4.7.

Gezien het voorgaande heeft de gemeente onvoldoende onderbouwd gesteld dat er een mondelinge gebruiksovereenkomst bestond tussen de gemeente en [gedaagden] en wordt er niet toegekomen aan bewijslevering.

Verkrijgende verjaring

4.8.

Een rechtsvordering tot revindicatie verjaart op grond van artikel 3:105 jo. 3:306 BW na 20 jaar. Voor een geslaagd beroep op artikel 3:105 BW door [gedaagden] is voldoende om aan te tonen dat het bezitsverlies van de oorspronkelijke rechthebbende van de strook grond reeds 20 jaar heeft geduurd.

4.9.

Volgens artikel 1992 (oud) BW – de inhoud van deze bepaling geldt ook voor het huidige recht – is voor verkrijging van eigendom door verjaring onder meer vereist het niet dubbelzinnig bezit als eigenaar. ‘Niet-dubbelzinnig bezit’ is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0826), hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden.

4.10.

De gemeente betwist dat [gedaagden] de strook grond in het najaar van 1984 in bezit hebben genomen, maar erkent dat de strook grond in ieder geval in 1985 was omheind en van de achterliggende openbare ruimte was afgescheiden. Gezien de erkenning van de gemeente staat vast dat [gedaagden] een haag struiken en een hek geplaatst hadden. De strook grond werd daardoor deel van de tuin van [gedaagden] en niet meer toegankelijk voor derden. Verder is door de gemeente niet betwist, dat [gedaagden] in ieder geval sinds 1985 de strook grond onderhielden en dat de gemeente geen onderhoud of anderszins bemoeienis heeft gehad met de strook grond.

De gemeente heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat zij mocht veronderstellen dat [gedaagden] zich bij het gebruik van de omstreden strook grond niet als eigenaars beschouwden maar op andere gronden meenden dat zij deze grond van de gemeente mochten gebruiken, zodat de eigendom van de gemeente geen gevaar liep. Er is, gezien hetgeen in rechtsoverweging 4.3 tot en met 4.7 is overwogen, geen sprake van overeengekomen gebruik. [gedaagden] kunnen zich derhalve terecht beroepen op openbaar en ondubbelzinnig bezit en kunnen de door [gedaagden] verrichte handelingen op de strook grond dan ook worden gekwalificeerd als het uitoefenen van feitelijke macht met de pretentie rechthebbende te zijn.

4.11.

De vraag is of deze pretentie aan de gemeente kan worden tegengeworpen. Voor het in artikel 3:105 BW bedoelde gevolg van voltooiing van de verjaringstermijn van artikel 3:314 lid 2 BW is voldoende dat bij [gedaagden] sprake is van bezit dat voldoet aan de door de wet gestelde eisen. Voldoende is dat een en ander naar buiten toe – en dus ook voor de gemeente – kenbaar was. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagden] de strook grond heimelijk in bezit hebben genomen of dat het voor de gemeente niet mogelijk was om de strook grond te inspecteren. De strook grond is blijkens de luchtfoto’s aan de achterzijde vrij toegankelijk via het achterpad. Het handelen van [gedaagden] was openbaar en voor de gemeente zichtbaar. Het feit dat de gemeente zelf niet eerder dan in 2015 haar eigendomsgrenzen heeft geïnspecteerd kan er niet toe leiden dat het bezit van [gedaagden] niet kenbaar moest worden geacht. De pretentie van [gedaagden] om rechthebbende te zijn van de strook grond kan de gemeente dan ook worden tegengeworpen.

4.12.

De gemeente heeft op 6 april 2016 aan [gedaagden] laten weten dat zij de strook grond weer terug wilde hebben. De te beantwoorden vraag is of [gedaagden] de strook grond, terug te rekenen vanaf die datum, twintig jaar onafgebroken in bezit hebben gehad.
stellen dat zij in 1984 de strook grond middels het hek bij hun tuin hebben getrokken. De gemeente heeft dit betwist, echter heeft tegelijk gesteld dat gemeente in 1985 op de hoogte waren van het feit dat [gedaagden] de strook grond in onderhoud hadden genomen. Hieruit volgt dat vaststaat dat [gedaagden] zich in ieder geval in 1985 het bezit van de grond heeft verschaft. [gedaagden] hebben de strook grond dan ook gedurende twintig jaar onafgebroken in hun bezit gehad en daarmee zijn zij op grond van het bepaalde in
artikel 3:105 BW door verjaring verkrijger geworden van de strook grond.

5 Onrechtmatige daad

5.1.

Nu [gedaagden] eigenaar zijn geworden van de strook grond, stelt de gemeente dat [gedaagden] door de in bezit name van de strook grond een onrechtmatige daad heeft gepleegd. De gemeente verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309) waarin wordt overwogen dat wanneer een persoon een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onrechtmatig handelt. Dat brengt mee dat de gemeente, mits aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan, kan vorderen dat door [gedaagden] de schade wordt vergoed die de gemeente als gevolg van het verlies van eigendom lijdt. De gemeente vordert primair dat de schade in natura wordt voldaan door overdracht van de strook grond aan de gemeente en subsidiair vordert de gemeente een bedrag ad. € 2.625,00 aan schadevergoeding (15 m2 x
€ 175,00 = € 2.625,00).

Onrechtmatige daad

5.2.

[gedaagden] hebben de strook in bezit genomen, wetende dat een ander daarvan eigenaar is. [gedaagden] hebben daarmee een inbreuk gepleegd op het eigendomsrecht van de gemeente en dit is aan hen toe te rekenen. Vanwege deze onrechtmatige daad zijn zij in beginsel schadeplichtig jegens de gemeente.

Verjaring van de vordering tot schadevergoeding

5.3.

[gedaagden] voert aan dat de vordering tot schadevergoeding ter compensatie van het verlies van eigendom is verjaard. In artikel 3:310 lid 1 BW staat dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.

5.4.

Niet gesteld nog gebleken is dat de gemeente eerder dan het onderzoek in 2015 bekend is geworden met de in bezit name van de strook grond. De vijfjarentermijn is dan ook nog niet verstreken. Ten aanzien van de twintigjarentermijn overweegt de rechtbank dat de schadeveroorzakende gebeurtenis in dit geval niet het moment van de in bezit name van de strook grond door [gedaagden] is, maar het moment dat de bezitter de eigendom van de strook grond verkrijgt door verkrijgende verjaring. In het onderhavige geval hebben
de eigendom van de strook grond verkregen in 2005 (twintig jaar na 1985). Pas op dat moment is de twintigjaren termijn van artikel 3:310 lid 1 BW gaan lopen en de vordering tot schadevergoeding is, nu deze termijn nog niet is verstreken, dus niet verjaard.

De vorm van de schadevergoeding

5.5.

De gemeente vordert op grond van artikel 6:103 BW en het voornoemde arrest van de Hoge Raad schadevergoeding in de vorm van de teruggave van de strook grond. In artikel 6:103 BW staat dat schadevergoeding wordt voldaan in geld, tenzij de rechter de schadevergoeding in een andere vorm dan een geldsom toekent. Hieruit vloeit voort, dat schadevergoeding in geld de hoofdregel is, waarvan slechts om bijzondere redenen wordt afgeweken in verband met het feit dat ten aanzien van de uitvoering van een veroordeling tot een andere prestatie weer nieuwe problemen kunnen ontstaan (zie ook T.M., Parlementaire Geschiedenis Boek 6, 6.1.9.9).

5.6.

De gemeente heeft niet onderbouwd om welke reden de vergoeding van de schade door het leveren van de strook grond aan de gemeente de voorkeur geniet boven de vergoeding van de schade door geld. De gemeente heeft weliswaar gesteld dat zij een einde wil maken aan de onrechtvaardige situatie waarbij sommige mensen wel betalen voor de grond en anderen niet, maar deze ongelijkheid kan ook door een schadevergoeding in geld worden gecompenseerd. Verder heeft de gemeente gesteld dat zij de gemeentegrond weer kan aanwenden in het algemeen belang, te weten als gemeentelijke groenvoorziening. Nu [gedaagden] de strook grond hebben onderhouden en dit geen problemen heeft opgeleverd, valt niet zonder nadere onderbouwing (die ontbreekt) in te zien dat het belang van de gemeente zwaarder moet wegen dan de belangen van [gedaagden] Het primair gevorderde, de schadevergoeding in de vorm van de teruggave van de strook grond, zal worden afgewezen.

5.7.

[gedaagden] betwisten dat de omvang van de strook grond 13 m2 bedraagt in plaats van 15 m2. Tegenover deze ongemotiveerde betwisting staat echter de luchtfoto, waaruit blijkt dat dat de oppervlakte van de strook grond 14,9 m2 bedraagt. Hiervan zal bij de vaststelling van de schadevergoeding dan ook vanuit worden gegaan. De schadevergoeding worden toegewezen tot een bedrag ad. € 2.625,00 (15 m2 x € 175,00). [gedaagden] hebben immers niet betwist dat de grondprijs die de gemeente hanteert € 175,00 per m2 bedraagt of dat dit een redelijke vergoeding voor de strook grond is.

Kosten in conventie en in reconventie

5.8.

Voor de eis in conventie betekent het voorgaande dat het (primair) gevorderde
onder I., het (subsidiair) gevorderde onder II. a en het (primair en subsidiair) onder III. gevorderde zal worden afgewezen. De gevorderde schadevergoeding onder II. b. zal worden toegewezen.

5.9.

Voor de eis in reconventie betekent het vorenstaande dat het gevorderde onder 1., 2., 3., en 4., zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot
€ 100,00 per dag of deel van de dag dat de gemeente in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,00, nu niet is gebleken dat er aanleiding bestaat tot het toekennen van een hogere dwangsom.

5.10.

De gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de [gedaagden] in conventie worden aan de hand van het liquidatietarief begroot op:

Salaris advocaat € 452,00 (2 punten x tarief II x ad. € 452,00 per punt x 1/2)

Totaal proceskosten in conventie: € 452,00

De kosten aan de zijde van [gedaagden] in reconventie worden begroot:

Griffierecht € 288,00

Salaris advocaat € 904,00 (2 punten x tarief II x ad. € 452,00 per punt)

Totaal proceskosten in reconventie: € 1.192,00

5.11.

De door [gedaagden] apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de rechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5.12.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in reconventie zal worden toegewezen als hierna gemeld, nu deze onbetwist is gebleven.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagden] tot het betalen van een schadevergoeding aan de gemeente ter hoogte van € 2.625,00;

6.2.

veroordeelt de gemeente in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot € 452,00;

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

6.5.

verklaart voor recht dat [gedaagden] de strook grond door verjaring in eigendom hebben gekregen;

6.6.

veroordeelt de gemeente om binnen 14 dagen na dit vonnis om medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging van de verjaring op straffe van een dwangsom van
€ 100,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat de gemeente in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,00;

6.7.

veroordeelt de gemeente in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot € 1.192,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf de veertiende dag na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag van de voldoening;

6.8.

veroordeelt de gemeente in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien de gemeente niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

6.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.10.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Leeden en in het openbaar uitgesproken op
19 juli 2017.

1629/2938