Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9329

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
10/701022-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verwarde persoon: noodweer tegen hulpverlenende agenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/701022-17

Datum uitspraak: 23 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. P.H. van Akenborgh, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, waaronder de verplichting zich te melden bij de reclassering met het oog op de voortzetting van de behandeling van de verdachte bij Bavo Europoort.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij op 27 januari 2017 te Rotterdam [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] (zijnde verbalisanten van politie Eenheid Rotterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend - een mes aan die [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] getoond/voorgehouden en

- ( daarbij) zich aan die [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] opgedrongen en

- ( daarbij) met dit mes naar/in de richting van/naar die [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] gewezen en

- ( daarbij) met dit mes stekende bewegingen naar/in de richting van die [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard. De officier van justitie verwijst hierbij naar de Pro Justitia rapportages van GZ-psycholoog M.H. Keppel en psychiater J. Vreugdenhil van respectievelijk 24 april 2017 en 1 mei 2017.

6.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het ten laste gelegde niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Uit het rapport van GZ-psycholoog M.H. Keppel blijkt dat de verdachte lijdt aan diverse stoornissen en dat er een directe relatie bestaat tussen deze stoornissen en het plegen van het ten laste gelegde. De GZ-psycholoog acht de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar, omdat de verdachte voorafgaand aan het ten laste gelegde alcohol had gedronken en zich bewust was van de risicovolle situaties die dan kunnen ontstaan. Het handelen van de verdachte kan volgens de raadsman echter niet los worden gezien van haar verleden. De verdachte heeft een zeer moeilijk leven gehad: er was sprake van zware verwaarlozing, gedwongen prostitutie en verkrachting door vier mannen, enkele jaren geleden. Gezien deze achtergrond en de meervoudige persoonlijkheidsstoornis van de verdachte met als alter ego ‘ [naam alter ego] ’, verkeerde de verdachte in de onjuiste veronderstelling dat de agenten indringers in haar huis waren en haar kwaad wilden doen. De verdachte moet dan ook volledig ontoerekeningsvatbaar worden verklaard. Het gebruik van alcohol zou niet (slechts) moeten leiden tot verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De verdachte had de twee jaren voorafgaand aan het plegen van het ten laste gelegde immers niet gedronken, aldus de raadsman.

6.3.

Beoordeling

GZ-psycholoog M.H. Keppel heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 april 2017. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.

De verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een dissociatieve identiteitsstoornis, een post traumatische stress stoornis (PTSS) en een stoornis in alcoholgebruik. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van borderline met afhankelijke trekken en een licht verstandelijke beperking. De ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte zijn van invloed geweest op het ten laste gelegde. De stoornis in het alcoholgebruik heeft een belangrijke rol gespeeld in het ten laste gelegde. Doordat de verdachte alcohol is gaan drinken, zijn haar remmingen verminderd en had zij geen controle meer over het opkomen van de verschillende alters die zij vanuit haar dissociatieve identiteitsstoornis heeft. Zoals gebruikelijk als de verdachte alcohol drinkt, kwam de alter ' [naam alter ego] ' op dan wel was zij aanwezig. ‘ [naam alter ego] ’ laat over het algemeen opstandig, regelovertredend en onveilig gedrag zien. Vanuit de PTSS is het waarschijnlijk dat de verdachte zich zeer onveilig heeft gevoeld nadat zij merkte dat er vreemde mensen in haar woning waren. Vanuit dissociatie kan zij vervolgens de politieagenten hebben aangezien voor vreemde mannen in plaats van de vrouwelijke politieagenten die zij waren. Vanuit de borderline persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke trekken kan de verdachte vanuit hevige angstgevoelens impulsief een mes hebben gepakt om zichzelf te verdedigen tegen de in haar ogen aanwezige 'mannen'. Gelet op het gegeven dat er hiaten zijn in het geheugen van de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde, is het waarschijnlijk dat er sprake is geweest van dissociatie op verschillende momenten. Ook dit is passend bij de dissociatieve identiteitsstoornis van de verdachte. Verder is de licht verstandelijke beperking bij de verdachte in zoverre van invloed dat zij hierdoor wordt belemmerd om meer adequate copingstrategieën dan dissociatie te gebruiken, voor zover dit - gelet op het ernstig traumatische verleden van de verdachte - überhaupt al mogelijk zou zijn geweest.

Op basis van het voorgaande wordt geadviseerd de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de verdachte zich bewust is van het verlies aan controle op het moment dat zij alcohol gaat drinken en dat er dan gevaarlijke situaties voor haarzelf en voor anderen kunnen ontstaan: ‘ [naam alter ego] ’ neemt het dan meestal over. Hierin is ook bij het ten laste gelegde, ondanks de zucht naar alcohol, in zekere zin toch een keuzemoment geweest, waarbij de verdachte bewust voor alcohol heeft gekozen. Gelet hierop is niet gekozen voor volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Psychiater J. Vreugdenhil heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 1 mei 2017. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.

De verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een borderline persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke trekken en een licht verstandelijk beperkt niveau van cognitief functioneren. Tevens is er sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een stoornis in alcoholgebruik. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Door de persoonlijkheidsstoornis in combinatie met de gebrekkige cognitieve vermogens heeft de verdachte een tekort aan zelfregulerend vermogen, kan ze situaties niet snel overzien en wordt ze snel achterdochtig. Ten tijde van het ten laste gelegde had de verdachte bovendien, door een sterke zucht voortkomend uit de

stoornis in alcoholgebruik, fors alcohol gedronken, waardoor ze zichzelf nog minder kon reguleren, nog achterdochtiger werd en volgens haar zeggen ging dissociëren. Daarbij is aannemelijk dat haar bewustzijn omneveld was door de alcoholintoxicatie en dat dit mogelijk versterkt werd door dissociatie. Dit heeft ertoe geleid dat ze, vermoedelijk gehinderd door een door staar beperkt gezichtsvermogen, de twee vrouwelijke politieambtenaren heeft aangezien voor twee vreemde mannen. Om deze weg te krijgen is ze gaan dreigen met een mes.

Op grond van het bovenstaande adviseert de psychiater om de verdachte het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen. Hierbij neemt deze in aanmerking dat de verdachte weliswaar een beperkte, maar wel enige controle heeft op het al dan niet alcohol gaan drinken. De verdachte had deze controle bovendien kunnen versterken door het gebruik van een adequate dosering van alcoholabstinerend middel. De verdachte weet van zichzelf dat ze onder invloed van alcohol, al dan niet mede door dissociëren, tot (zelf)beschadigend ageren kan komen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de conclusies van voornoemde gedragsdeskundigen met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, kan zich daarmee, verenigen en neemt deze over. Het bewezenverklaarde feit wordt dan ook in verminderde mate aan de verdachte toegerekend. De gedragsdeskundigen hebben in hun rapportages rekening gehouden met het verleden van de verdachte (waaronder de eerder gemelde traumatische ervaringen van de verdachte) en haar stoornissen. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman hierover heeft aangevoerd geen aanleiding om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Verdachte weet dat het mis gaat als zij alcohol drinkt, zij heeft – zo geeft zij toe – desondanks op 27 januari 2017 een aantal glazen alcohol gedronken. Daarom oordeelt de rechtbank dat zij in strafrechtelijke zin verantwoordelijk is voor haar gevaarlijke gedrag, te weten het ernstig met een mes bedreigen van politieagenten.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van twee politieagenten met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling. Daarbij heeft de verdachte in haar eigen huiskamer een mes getoond, met dit mes stekende bewegingen naar de agenten gemaakt en zich bewogen in de richting van de agenten, die op dat moment geen kant op konden. Door haar handelen heeft de verdachte deze agenten, die hun werk deden en de verdachte wilden helpen in ernstig lijfelijk gevaar gebracht. Het is aan hun professionele optreden te danken dat deze bedreigingen niet ook tot ernstige gevolgen voor verdachte hebben geleid.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft.

7.3.2.

Rapportages

De rechtbank heeft kennis genomen van bovengenoemde rapportages van de gedragsdeskundigen, waaruit, voor zover van belang, het volgende blijkt.

Het recidiverisico van gewelddadig gedrag bij de verdachte wordt als matig ingeschat. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verdachte inzicht heeft in haar problematiek en weet dat stress en alcoholgebruik risico’s vormen voor onveilig gedrag, waaronder gewelddadig gedrag. Tevens is in aanmerking genomen dat de verdachte behandeltrouw is, maar wel afhankelijk van externe structurering en bescherming. Dit wordt op dit moment geboden door haar echtgenoot en behandelaars bij Bavo Europoort. Geadviseerd wordt daarom om de behandeling van de verdachte bij Bavo Europoort voort te zetten en op te leggen in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met daaraan gekoppeld reclasseringstoezicht van Bouman GGZ, afdeling reclassering.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport over de verdachte van Bouman GGZ, afdeling reclassering, gedateerd 9 juni 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

De reclassering adviseert de verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden de verplichting zich te melden bij de reclassering en om zich ambulant te laten behandelen bij Bavo Europoort. Indien de reclassering dit noodzakelijk acht, moet zij zich laten opnemen voor een klinische behandeling van maximaal 7 weken.

In het voortgangsverslag over de verdachte van Bouman GGZ, gedateerd 9 november 2017, staat, voor zover van belang, het volgende vermeld. Nadat de verdachte vanuit voorlopige hechtenis op 9 februari 2017 was geschorst, is het reclasseringstoezicht van de verdachte gestart op 14 februari 2017. Ondanks alle spanningen (ziekenhuisopnames van haar man en het overlijden van haar vader) die er in de afgelopen periode zijn geweest is de verdachte stabiel gebleven. Ze heeft een goed ziekte-inzicht en weet wat ze wel en niet moet doen om er voor te zorgen dat het goed blijft gaan. Daar houdt ze zich over het algemeen goed aan. Ze heeft zich gehouden aan de bijzondere voorwaarde en werkt mee aan het toezicht.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Rekening houdend met al het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van de periode van voorarrest passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht. Omdat de rechtbank, evenals de officier van justitie, de gedragsdeskundigen en de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Omdat uit het voorgangsverslag van Bouman GGZ van 9 november 2017 blijkt dat het sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte naar omstandigheden goed gaat met de verdachte en dat zij meewerkt aan het toezicht van de reclassering, ziet de rechtbank – anders dan geadviseerd door de reclassering – geen aanleiding de verdachte te verplichten tot een klinische opname.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) week, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Bouman GGZ, afdeling reclassering, zolang en frequent als de reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt, en zal zich houden aan de aanwijzingen en/of voorschriften die de reclassering stelt;

2. de veroordeelde zal zich onder behandeling (blijven) stellen bij Bavo Europoort voor ambulante forensische zorg, waarbij zij zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. van Dijken, voorzitter,

en mrs. J. Fransen en M. Beusmans-Verwijs, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.F. Meiland, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 27 januari 2017 te Rotterdam [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] (zijnde verbalisanten van politie Eenheid Rotterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend - een mes aan die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] getoond/voorgehouden en/of

- ( daarbij) zich aan die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] opgedrongen en/of

- ( daarbij) met dit mes naar/in de richting van/naar die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] gewezen en/of

- ( daarbij) met dit mes stekende bewegingen naar/in de richting van die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] gemaakt.