Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9294

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
10/750070-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Moldau.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750070-09

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadslieden mrs. S.C. Dikkers en M. Jansen, advocaat te Vlaardingen respectievelijk Spijkenisse.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 februari 2017. Het onderzoek is gesloten op 14 maart 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, waarbij geldt dat de tenlastelegging betreffende de feiten 2 tot en met 4 op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de samengevoegde en (deels) gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. Oosterveld heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde, met dien verstande dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen onder 4 achter het tweede en derde aandachtsstreepje met betrekking tot Opiumwetdelicten staat vermeld;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    onttrekking aan het verkeer van de op de voet van artikel 94 Sv (en in de ter zitting overgelegde beslaglijst opgenomen) in beslag genomen voorwerpen.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2 zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring feiten 5, 6 en 7

Bij de doorzoeking op 15 april 2011 op het adres [adres 1] te Curaçao, het verblijfsadres van de verdachte en zijn partner [naam partner verdachte] , zijn een Tsjechisch paspoort met nummer [paspoortnummer] en een Tsjechisch rijbewijs met nummer [rijbewijsnummer] aangetroffen en in beslag genomen. Beide documenten staan op naam van [naam 1] , geboren [geboortedatum] te Praag, en beide bevatten een foto van de verdachte. Het Tsjechische paspoort en rijbewijs zijn in de portefeuille van de verdachte aangetroffen.

Uit het onderzoek van de Koninklijke Marcchaussee is gebleken dat de in dit paspoort aangebrachte personaliabladzijde vals is. Voor wat het rijbewijs betreft, is uit het onderzoek gebleken dat het hele onderzochte document een nabootsing is van een echt document van dit model.

[naam partner verdachte] heeft verklaard dat zij het Tsjechische paspoort een jaar eerder in de werktas van de verdachte had aangetroffen.

Bij de doorzoeking op 15 april 2011 van de woning van de verdachte aan de [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] zijn ook een vuurwapen en een doosje met 50 kogelpatronen aangetroffen en in beslag genomen.

Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat het aangetroffen vuurwapen een zowel semiautomatisch als automatisch schietend pistool van het merk Glock, model 19-c, kaliber 9 x 19mm betrof. Zowel het wapen als de munitie valt onder de Wet wapens en munitie.

[naam partner verdachte] heeft verklaard dat het wapen van de verdachte was.

De verdachte heeft ten aanzien van deze feiten geen verklaring afgelegd en evenmin is ten aanzien van deze feiten enig verweer gevoerd.

4.2.1.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onder 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten bewezen zijn.

4.3.

Bewijswaardering feit 3: Witwassen

4.3.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3 (witwassen). Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen in het dossier staat niet vast dat een geldbedrag dat is gestort op de rekening ten name van de verdachte ook daadwerkelijk door hemzelf is gestort. Hierdoor kan ook niet worden gezegd dat de verdachte er wetenschap van had dat deze stortingen werden verricht. Het is goed mogelijk dat [naam medeverdachte 1] de stortingen op de rekeningen ten name van de verdachte heeft verricht. [naam medeverdachte 1] had er voordeel bij om contante bedragen niet op zijn eigen bankrekeningen te storten maar op bijvoorbeeld die van de verdachte of om te verklaren dat delen van dergelijke geldbedragen aan de verdachte toebehoorden, omdat zo de omvang van zijn criminele handelen aan de hand van de contante stortingen beperkt kon worden. De verdachte dient van die contante stortingen van geldbedragen te worden vrijgesproken nu niet vastgesteld kan worden dat deze daadwerkelijk door hem verricht zijn.

Het dossier biedt daarnaast onvoldoende overtuigend bewijs dat sprake is geweest van medeplegen van witwassen. Weliswaar blijkt dat de verdachte en [naam medeverdachte 1] samen rekeningen hebben geopend en vennootschappen hebben opgericht, maar ten aanzien van de handelingen die zij daarna hebben verricht, kan niet worden vastgesteld dat zij deze gezamenlijk hebben verricht.

Ten aanzien van het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van ongeveer € 40.000,= kan niet worden gesteld dat enige verbergingshandeling heeft plaatsgevonden. Aangezien ook niet uit te sluiten is dat het gaat om geld dat afkomstig is van een door de verdachte zelf gepleegd delict, dient de verdachte voor dit onderdeel vrijgesproken te worden, nu niet vastgesteld kan worden dat de verdachte enige witwashandeling heeft gepleegd.

Het aantal transacties dat mogelijk aan de verdachte toegerekend kan worden, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen te komen, zodat de verdachte ook hiervan vrijgesproken dient te worden.

4.3.2.

Beoordeling

Inleiding

Naar aanleiding van het op Schiphol aantreffen van een grote som geld bij een reisgenoot van de verdachte op 25 januari 2008 is de FIOD een onderzoek gestart. Gedurende dit onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de verdachte betrokken is bij het witwassen van grote sommen geld door onder meer het doen van contante stortingen in het buitenland en het via aan hem gelieerde buitenlandse vennootschappen aanschaffen van onroerend goed.

Bestanddeel “van misdrijf afkomstig”

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, in een geval zoals het onderhavige waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit strafbare feiten aanwezig is, het voor witwassen vereiste bestanddeel dat het geld of de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn, bewezen kan worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het openbaar ministerie heeft daartoe feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan de navolgende vaststellingen kunnen worden gedaan.

De verdachte en/of [naam medeverdachte 1] zijn met enige regelmaat naar Turkije afgereisd. In de periodes dat de verdachte en/of [naam medeverdachte 1] in Turkije waren, zijn op bankrekeningen ten name van de verdachte en/of [naam medeverdachte 1] bij banken in Turkije stortingen gedaan van in totaal tenminste € 2.967.220,=. Die stortingen zijn telkens in contanten gedaan.

Daarbij is (ook) gebruik gemaakt van ‘underground banking’. [naam medeverdachte 1] heeft hieromtrent verklaard dat een contant geldbedrag in Nederland bij een tussenpersoon afgeleverd kon worden, waarna het vervolgens bij een tussenpersoon in Turkije weer opgehaald kon worden en zij het geldbedrag zelf contant bij de bank konden storten. De tussenpersonen kregen hiervoor in ruil totaal 3% van het contante geldbedrag als commissie.

Het gaat hierbij om de volgende banken en bankrekeningen.

4.3.2.1. Halkbank: bankrekeningen [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3]

Op 30 november 2007 worden drie bankrekeningen geopend bij de Halkbank te Marmaris (hierna ook aangeduid met: THB) met de bankrekeningnummers [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] ten name van de verdachte en [rekeningnummer 1] ten name van [naam medeverdachte 1] . Op 30 november 2007 wordt op [rekeningnummer 2] een bedrag van € 1.000,= gestort en op [rekeningnummer 1] wordt een bedrag van € 990.000,= gestort. Beide bedragen zijn contant gestort. Uit de in- en uitreisgegevens ten aanzien van de verdachte en [naam medeverdachte 1] is gebleken dat de verdachte op 27 november 2007 tezamen met [naam medeverdachte 1] naar Turkije is gereisd en op 1 december 2007 uit Turkije is gereisd. Uit de verklaringen van [naam 2] (medewerkster van de THB) en I. [naam medeverdachte 3] (die met de verdachte en [naam medeverdachte 1] naar Turkije is gereisd en voor hen Turks heeft getolkt) is gebleken dat bij het openen van de rekeningen door de verdachte en [naam medeverdachte 1] zij contante geldbedragen overhandigd hebben, welke bedragen op de rekeningen van de verdachte en [naam medeverdachte 1] gestort dienden te worden. [naam medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat de helft van de storting welke hij op dat moment deed op zijn eigen bankrekening aan de verdachte toebehoorde.
De rechtbank ziet, gelet op het ontbreken van een uitleg of toelichting van de verdachte op deze storting en de verklaring van [naam medeverdachte 1] , geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [naam medeverdachte 1] en is derhalve van oordeel dat de helft van het geldbedrag van € 990.000,= aan de verdachte toebehoorde.

Mede in aanmerking genomen de overige contante stortingen is in totaal € 789.500,= op de rekening [rekeningnummer 2] van de verdachte gestort, een bedrag van € 990.000,= op de rekening [rekeningnummer 1] van [naam medeverdachte 1] en TL 151.500,= op de rekening [rekeningnummer 3] van de verdachte.

4.3.2.2. Finansbank: bankrekening [rekeningnummer 4]

Bij de Finansbank te Marmaris (hierna ook aangeduid met: Finans) heeft de verdachte eveneens een bankrekening geopend op zijn naam met nummer [rekeningnummer 4] .

De getuige [naam 4] (medewerker van deze bank) heeft verklaard dat het gebruikelijk is wanneer een contante storting vanaf een bepaalde omvang wordt gedaan, dat degene die de storting verricht hiervoor tekent. In het dossier bevindt zich een aantal kwitanties met hierop geschreven [naam verdachte] en voorzien van een handtekening. De verdachte zelf heeft hieromtrent geen andersluidende verklaringen of ophelderingen gegeven, zodat de rechtbank van oordeel is dat op basis van de verklaring van [naam 4] , de verklaring van [naam medeverdachte 3] en de rekeningoverzichten buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat de verdachte in totaal € 379.720,= op de rekening [rekeningnummer 4] heeft gestort. Ook hier betroffen alle stortingen contante geldstortingen.

4.3.2.3. HSBC-bank: bankrekening [rekeningnummer 5]

Op 16 juni 2008 hebben de verdachte en [naam medeverdachte 1] een bankrekening bij de HSBC bank geopend ten name van hen beiden (een zogenaamde “en/of”-rekening). Beiden zijn gemachtigd voor deze bankrekening. In totaal is € 733.000,= op de rekening [rekeningnummer 5] ten name van de verdachte en [naam medeverdachte 1] gestort. Nu dit een zogenaamde en/of rekening betreft, waardoor zowel de verdachte als [naam medeverdachte 1] gemachtigd en gerechtigd zijn om te beschikken over de tegoeden op deze rekening en de verdachte geen verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van welk deel van het geldbedrag feitelijk aan hem zou moeten toebehoren, is de rechtbank van oordeel dat de helft van hetgeen op deze rekening is gestort, aan de verdachte toebehoort.

4.3.3.

Tussenconclusies rechthebbende, afkomstig uit enig misdrijf, wetenschap

Rechthebbende van de gestorte contante geldbedragen

De rechtbank komt, mede op grond van de verklaringen van bankmedewerkers, de boekhouder [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] , de bankrekeningoverzichten, de kwitanties en de reisgegevens van zowel de verdachte als [naam medeverdachte 1] , tot het oordeel dat de verdachte de stortingen van de contante geldbedragen op diverse rekeningen ten name van de verdachte heeft verricht. Bij een aantal stortingen was de verdachte alleen naar Turkije gereisd en is [naam medeverdachte 1] niet aanwezig geweest. Het verder niet concreet gemaakte verweer van de raadsman dat de verdachte een groot aantal van de stortingen niet zelf heeft verricht, maar dat deze door [naam medeverdachte 1] werden gedaan, kan alleen al om deze reden niet slagen. De verdachte heeft voorts op geen enkele wijze inzicht willen geven in de wijze waarop de contante geldstortingen hebben plaatsgevonden en aan wie de betreffende bedragen telkens toebehoorden. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het dossier, vaststaat dat de verdachte de volledig rechthebbende is geweest van de geldbedragen welke op de rekeningen ten name van hemzelf hebben gestaan en dat de verdachte voor 50% rechthebbende is geweest van voornoemde storting van € 990.000,= en van de bankrekening bij de HSBC, omdat deze rekening op naam van de verdachte en [naam medeverdachte 1] tezamen heeft gestaan.

Afkomstig uit enig misdrijf en wetenschap verdachte

Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte over de periode van 2007-2011 over beperkte legale inkomsten beschikte en dat er evenmin andere (legale) verklaringen zijn voor het feit dat hij over voornoemde grote sommen contant geld kon beschikken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, van dien aard zijn dat het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd is. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande zijn handelen met betrekking tot de onverklaarbare stortingen van grote sommen contant geld in Turkije.

De verdachte heeft echter geen enkele verklaring omtrent de mogelijke herkomst van de contante geldstortingen gegeven. De verdachte heeft zich telkens op zijn zwijgrecht beroepen, terwijl de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vragen om opheldering of een nadere uitleg. Hetzelfde geldt voor het geldbedrag van € 40.530,= dat in de woning van de verdachte is aangetroffen.

De rechtbank concludeert gelet op het bovenstaande dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit moet hebben geweten.

4.3.4.

Witwashandelingen

Ten aanzien van de witwashandelingen genoemd in artikel 420bis sub a en sub b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) worden, in aanvulling op de bovenstaande vaststellingen, de navolgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

4.3.5.

Geldstromen en aankopen van panden

Verdachte heeft, samen met [naam medeverdachte 1] respectievelijk [naam 6] en al dan niet door tussenkomst van anderen een aantal rechtspersonen opgericht naar Turks, Arabisch respectievelijk Nederlands recht. Via transacties met deze rechtspersonen (bedrijven) is ook onroerend goed gekocht. Op grond van de stukken gaat het in relatie tot de tenlastelegging ter zake van feit 3 om de volgende panden.

4.3.5.1. [naam bedrijf 1] (panden in Turkije)

Op 29 november 2007 hebben de verdachte en [naam medeverdachte 1] een rechtspersoon naar Turks recht opgericht, te weten [naam bedrijf 1] . Na de oprichting van [naam bedrijf 1] hebben de verdachte en [naam medeverdachte 1] van hun privérekeningen diverse geldbedragen naar [naam bedrijf 1] overgemaakt. Vervolgens heeft [naam bedrijf 1] op 29 januari 2008 de percelen kadastraal aangeduid als perceel [perceelnummer 1] te Marmaris [naam 7] (Turkije) en perceel [perceelnummer 2] te Marmaris [naam 7] (Turkije) voor £ 450.000,= aangekocht.

Ook wordt vanaf de bankrekening van [naam bedrijf 1] een huis gelegen [adres 2] in Marmaris te Turkije gekocht. Hierna wordt nog een stuk bouwgrond aangekocht gelegen [adres 3] nr. onbekend in Marmaris te Turkije.

De accountant van [naam bedrijf 1] , E. [naam medeverdachte 4] , heeft verklaard dat [naam bedrijf 1] op de aankoop van de voornoemde panden na geen bedrijfsactiviteiten heeft gehad.

Op 9 september 2009 zijn de aandelen van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 2] en I. [naam medeverdachte 3] verkocht. N.L.E. [naam medeverdachte 2] is de enig aandeelhouder van [naam bedrijf 2] . Bij de doorzoeking van de woning van [naam medeverdachte 1] is een akte van levering van de aandelen van [naam bedrijf 1] van 5 oktober 2009 aangetroffen. Hieruit blijkt dat [naam bedrijf 2] de aandelen van [naam bedrijf 1] heeft teruggeleverd aan de verdachte en [naam medeverdachte 1] .

4.3.5.2. [naam bedrijf 3] (pand in Curaçao)

Op 23 juli 2008 heeft de verdachte een rechtspersoon naar Arabisch recht opgericht, te weten [naam bedrijf 3] . De verdachte is de enige aandeelhouder van [naam bedrijf 3] . Na de oprichting van [naam bedrijf 3] heeft de verdachte van zijn privérekeningen diverse geldbedragen naar [naam bedrijf 3] overgemaakt.

Vervolgens heeft [naam bedrijf 3] een bedrag van ruim € 251.000,= overgemaakt naar een notaris op Curaçao ten behoeve van de aankoop van een perceel grond te Curaçao [perceelnaam] , bekend als kavel [kavelnummer] van het verkavelingsplan [naam kavel] derde fase. Volgens de akte van levering is dit perceel aan de verdachte als natuurlijk persoon geleverd. Er zijn geen stukken aangetroffen die een verklaring kunnen geven voor de aankoop door [naam bedrijf 3] van het perceel. De verdachte heeft hieromtrent geen opheldering verschaft.

4.3.5.3. [naam bedrijf 4]

Op 19 augustus 2008 is [naam bedrijf 4] opgericht. Van de rekening van [naam bedrijf 3] is in de periode 16 december 2008 tot en met 10 juli 2010 in totaal € 760.000,= naar de rekening van [naam bedrijf 4] overgemaakt. Een verklaring daarvoor heeft de verdachte niet gegeven.

Hoewel [naam medeverdachte 2] op papier de directeur is van [naam bedrijf 4] , blijkt uit diverse stukken dat [naam medeverdachte 2] telkens slechts handelingen verrichtte met toestemming van de verdachte en/of [naam medeverdachte 1] .

4.3.5.4. [naam bedrijf 5] (panden in Nederland)

Op 29 juni 2009 is de besloten vennootschap [naam bedrijf 5] opgericht. De bestuurders van [naam bedrijf 5] zijn de besloten vennootschappen [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 7] De verdachte heeft op 8 juli 2009 de bedrijfspanden, [adres 4] en [adres 5] te Maassluis, zijnde panden welke hij daarvoor in privébezit heeft, aan [naam bedrijf 5] verkocht. Voor de aankoop van deze panden is bij [naam bedrijf 4] een hypotheek afgesloten. Op 21 september 2009 zijn de bedrijfspanden aan de [adres 6] en [adres 7] te Maassluis en de [adres 4] te Maassluis door [naam bedrijf 5] aangekocht, gefinancierd door een door [naam bedrijf 4] verstrekte hypothecaire lening.

Op 21 september 2009 heeft [naam 6] zijn bedrijfspanden aan de [adres 8] en [adres 9] te Maassluis, welke panden hij daarvoor in privébezit heeft, aan [naam bedrijf 5] verkocht. Ook voor de aankoop van deze panden is bij [naam bedrijf 4] een hypotheek afgesloten.

Op 16 juli 2010 worden de bedrijfspanden aan de [adres 10] , [adres 11] , [adres 12] en [adres 13] te Maassluis door [naam bedrijf 5] aangekocht. De financiering van deze panden is geschied door middel van een geldlening tussen [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 5] .

4.3.6.

Tussenconclusies witwashandelingen

Op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank in de eerste plaats dat de verdachte als Ultimate Beneficial Owner van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 5] gezien kan worden. De verdachte is telkens nauw betrokken geweest bij de oprichting van de voornoemde bedrijven. Door de aandelen dan wel het bestuur van een deel van de betreffende bedrijven op de naam van een ander te zetten, heeft de verdachte kennelijk zijn betrokkenheid bij deze bedrijven willen verhullen. Op grond van diverse mailberichten en verklaringen wordt de nauwe betrokkenheid van de verdachte bij deze bedrijven echter wel vastgesteld.

In de tweede plaats stelt de rechtbank vast dat de verdachte al dan niet met [naam medeverdachte 1] door middel van deze (deels buitenlandse) rechtspersonen, en dus via een of meerdere tussenschijven, onroerend goed in Nederland heeft gekocht. Daarbij zijn ook zogenoemde loanback-constructies ingezet, waarbij het eigen (uit misdrijf afkomstige) geld van de verdachte (en [naam medeverdachte 1] ) aan hem (hen) is teruggeleend om dit onroerend goed te kopen. Onder 4.3.3. is al vastgesteld dat het geld waarmee deze transacties zijn gefinancierd uit misdrijf afkomstig moet zijn geweest. Tevens kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de aan die onroerend goed transacties ten grondslag liggende (omslachtige) financiële handelingen gericht zijn geweest op het moeilijk traceerbaar maken van de betrokken geldstromen.

4.3.7.

Conclusie ten aanzien van feit 3

Op grond van de hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden, in het bijzonder de stortingen op diverse, deels op naam van een ander staande, bankrekeningen, het doorstorten van geldbedragen naar de aan hem en/of [naam medeverdachte 1] gelieerde bedrijven en het (door middel van indirect zelf verstrekte hypotheken) aankopen van onroerend goed, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte handelingen heeft verricht die er naar hun uiterlijke verschijningsvorm (kennelijk) op gericht zijn geweest de criminele herkomst van de geldbedragen te verbergen/verhullen in de zin van artikel 420bis sub a Sr en tevens sprake is geweest van het verwerven, voorhanden hebben, omzetten en overdragen van geld en onroerende goederen in de zin van artikel 420bis sub b Sr.

Ten aanzien van het in de woning van de verdachte aangetroffen bedrag van € 40.530,= stelt de rechtbank vast dat de verdachte dit bedrag “slechts” voorhanden heeft gehad. Het was daarnaast weliswaar verstopt, maar het op deze wijze voorhanden hebben van het geldbedrag brengt nog niet mee dat de verdachte daarmee in het bijzonder ook de criminele herkomst van dat geld heeft getracht te verbergen of te verhullen in de zin van artikel 420bis sub a Sr.

Door voornoemde witwashandelingen meerdere malen te plegen, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

4.4.

Bewijswaardering feit 4: Criminele Organisatie

4.4.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van druggerelateerde delicten, nu het dossier op geen enkele wijze bewijsmiddelen hiervoor bevat.

Tot slot dient de verdachte ook vrijgesproken te worden van deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van witwassen. Enkel ten aanzien van [naam medeverdachte 1] kan gesproken worden over een relatie met de verdachte. Deze onderlinge relatie is onvoldoende om als organisatie te bestempelen. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat er (in combinatie) enerzijds voldoende duurzaamheid en anderzijds voldoende structuur aanwezig was om tot de vaststelling te komen dat sprake was van een organisatie. Er kan immers niet gesproken worden over een bepaalde hiërarchie, structuur of taakverdeling tussen [naam medeverdachte 1] en de verdachte.

4.4.2.

Beoordeling

Een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, een bepaalde gezamenlijke werkwijze, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling en een bepaalde hiërarchie.

De organisatie dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, hetgeen betekent dat het plegen van misdrijven het naaste doel van de organisatie is. Voor het bewijs van het oogmerk kan betekenis toekomen aan het meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Meer in het algemeen kan betekenis toekomen aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Er is sprake van deelnemen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr indien de verdachte behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, te weten: het plegen van misdrijven. Hij dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de deelnemer enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van witwassen. Dit volgt uit de onder 4.3 weergegeven feiten en omstandigheden. Deze criminele organisatie had tot doel het witwassen van geldbedragen en de werkzaamheden die werden verricht bestonden onder meer uit witwashandelingen zoals hiervoor onder 4.3.7. omschreven.

De organisatie bestond minimaal uit de hierna te noemen leden die elk een eigen rol vervulden en daarmee elk een aandeel hadden in dan wel ondersteuning boden aan gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het samenwerkingsverband tussen hen vertoonde in de bewezen verklaarde periode aldus een zekere structuur en duurzaamheid.

Deze criminele organisatie bestond uit onder meer: de verdachte, [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] .

De verdachte had samen met [naam medeverdachte 1] de feitelijke leiding over de criminele organisatie en was met [naam medeverdachte 1] de oprichter van de criminele organisatie. Uit de diverse verklaringen in het dossier is gebleken dat alle (rechts)handelingen verricht werden met toestemming van de verdachte en/of [naam medeverdachte 1] . De verdachte heeft diverse malen ook opdracht gegeven aan andere deelnemers van de criminele organisatie en/of andere derden om (rechts)handelingen te verrichten. Daarnaast heeft de verdachte diverse witwashandelingen in persoon uitgevoerd door contante geldbedragen op zijn bankrekeningen te storten en vervolgens over te boeken naar de bankrekeningen van [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 3] . Hij heeft zijn aandeel in [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 1] getracht te verhullen door zijn aandelen te verkopen aan [naam medeverdachte 2] dan wel zijn aandelen op naam van andere bedrijven te zetten.

[naam medeverdachte 2] had een uitvoerende taak binnen de criminele organisatie. [naam medeverdachte 2] is belast geweest met de dagelijkse praktijken van onder andere [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 3] . Van een of meerdere bedrijven is hij directeur en/of aandeelhouder geweest. Hierbij bleef [naam medeverdachte 2] verantwoording afleggen aan de verdachte en/of [naam medeverdachte 1] . [naam medeverdachte 2] is zeer nauw betrokken geweest bij de verstrekkingen van de geldleningen/hypotheken van [naam bedrijf 4] aan [naam bedrijf 5] . Ook zorgde [naam medeverdachte 2] ervoor dat de geldleningen/hypotheken door het juiste bedrijf verstrekt werden en dat er ten behoeve daarvan voldoende gelden op de betreffende bankrekeningen aanwezig waren. Zo nodig informeerde [naam medeverdachte 2] [naam medeverdachte 1] en/of de verdachte over het overboeken van gelden van het ene bedrijf via de rekening van een ander bedrijf naar de rekening van het bedrijf dat uiteindelijk een geldlening moest verstrekken. [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat de verdachte en [naam medeverdachte 1] een pot met geld op de bankrekeningen van hun bedrijven in Dubai hadden en dat hij ( [naam medeverdachte 2] ) deze gelden voor de verdachte en [naam medeverdachte 1] rendabel moest maken.

[naam medeverdachte 3] had eveneens een uitvoerende taak binnen de criminele organisatie. [naam medeverdachte 3] is belast geweest met de dagelijkse praktijken van [naam bedrijf 1] in Turkije en was veelvuldig aanwezig bij de contante geldstortingen door de verdachte en [naam medeverdachte 1] . Ook is [naam medeverdachte 3] aanwezig geweest bij de aankoop van panden en/of percelen in Turkije door de verdachte en/of [naam medeverdachte 1] . [naam medeverdachte 3] hield zich daarnaast bezig met het geven van overboekingsopdrachten van de bankrekening van [naam bedrijf 1] naar de verdachte en/of [naam medeverdachte 1] of betalingen aan derden vanaf de rekening van [naam bedrijf 1] .

[naam medeverdachte 4] is als boekhouder nauw betrokken geweest bij de activiteiten in Turkije. Hij droeg bij aan het creëren van een geldstroom waarvan de bedoeling was dat die weinig tot geen vragen deed rijzen. [naam medeverdachte 4] was op de hoogte van het feit dat diverse zaken niet helemaal leken te kloppen, maar heeft ervoor gekozen om de verdachte, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] hierin toch te ondersteunen.

[naam medeverdachte 5] heeft als partner van [naam medeverdachte 1] ook deel genomen aan de criminele organisatie. Zij is herhaaldelijk meegereisd met [naam medeverdachte 1] en/of de verdachte en diens vriendin om contante geldbedragen naar Turkije over te brengen. Op deze manier konden de verdachte en/of [naam medeverdachte 1] onopvallender reizen. [naam medeverdachte 5] heeft zelf ook meerdere malen contante geldbedragen feitelijk overgebracht naar Turkije. Daarnaast heeft [naam medeverdachte 5] geldbedragen witgewassen door deze uit te geven.

4.4.3.

Conclusie ten aanzien van feit 4

Gelet op de omstandigheden dat:

  • -

    een groepering bestaande uit diverse personen, te weten de hiervoor genoemde natuurlijke personen, zich over een langere periode bezig heeft gehouden met het plegen van witwassen,

  • -

    deze personen ter voltooiing van deze strafbare feiten zowel onderling als met derden nauw en bewust hebben samengewerkt,

  • -

    zoals hiervoor uiteen is gezet, zichtbaar wordt dat elk van de personen in de totstandkoming van de terugkerende verschillende strafbare feiten een bepaald aandeel heeft gehad,

  • -

    daaruit een bepaalde rolverdeling naar voren komt en tevens een onderscheid zichtbaar wordt tussen de leiders van de groepering en degenen die onder hen in de hiërarchie staan,

concludeert de rechtbank dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen de genoemde natuurlijke personen en de genoemde rechtspersonen.

Dit samenwerkingsverband had deelname aan een netwerk ten behoeve van het verbergen, overdragen, verhullen en omzetten van gelden alsmede het voorhanden hebben van gelden en/of (bedrijfs)panden/percelen tot doel.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het onderdeel dat ziet op het plegen van Opiumwetgerelateerde feiten, nu het dossier daarvoor geen bewijs bevat.

4.5.

Bewezenverklaring

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

3.

hij in de periode van 30 november 2007 tot en met 15 april 2011, te Vlaardingen en/of Maassluis, althans in Nederland, en/of Marmaris (Turkije) en/of Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders, voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van in totaal €2.105.720,- (zegge: twee miljoen honderdvijfduizendzevenhondertwintig euro), middels contante stortingen op de bankrekeningnummers

[rekeningnummer 1] t.n.v. [naam medeverdachte 1] en/of

[rekeningnummer 5] t.n.v. [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] en/of

[rekeningnummer 2] t.n.v. [naam verdachte] en/of

[rekeningnummer 3] t.n.v. [naam verdachte] en/of

[rekeningnummer 4] t.n.v. [naam verdachte] en

- via een loanback constructiebedrijfspanden, te weten de panden geleden aan de

[adres 4] en [adres 5] te Maassluis en

de [adres 8] en [adres 9] te Maassluis en

de [adres 3] en

de [adres 14] ongenummerd en [adres 9] te Maassluis en

de Industrieweg [adres 10] , [adres 13] , [adres 11] en [adres 12] te Maassluis, en

- panden in Turkije, te weten

perceel [perceelnummer 1] te Tepe en

perceel [perceelnummer 2] te Tepe en

[adres 2] te Marmaris en

[adres 1] nr. onbekend te Marmaris en

- een pand in Curaçao, te weten [naam kavel] kavel [kavelnummer] en

- een geldbedrag van €40.000,- op 15 april 2011 aan contant geld,

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van de zojuist benoemde voorwerpen,

- gebruik gemaakt en/of

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of

- verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemde voorwerpen was/waren of wie voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden had(den) terwijl hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

4.

hij in de periode van 27 november 2007 tot en met 13 april 2011 te Vlaardingen en/of Maassluis en/of Dongen en/of elders in Nederland en/of Curaçao, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke, naast verdachte, bestond uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 2] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van

-gewoonte witwassen van uit misdrijf verkregen vermogen

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en leider van voormelde organisatie was;

5.

hij omstreeks de periode 15 april 2010 tot en met 15 april 2011, in Nederland en/of te Curaçao, een reisdocument/ identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Tsjechisch paspoort, nummer [paspoortnummer] op naam van [naam 1] , waarvan hij wist dat dit vervalst was, voorhanden heeft gehad, bestaande die vervalsingen hieruit dat de aangebrachte personaliabladzijde in het paspoort vals is en is aangebracht na verwijdering van de originele personaliabladzijde, met daarop de persoons- en afgiftegegevens en pasfoto van de rechtmatige houder van het paspoort.

6.

hij op 15 april 2011 te Curaçao, opzettelijk een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Tsjechisch rijbewijs, voorzien van het documentnummer [nummer 1] , rijbewijsnummer [rijbewijsnummer] , op naam van [naam 1] , geboren op [geboortedatum] te Praag, voorhanden heeft gehad, bestaande die valsheid hieruit dat het rijbewijs een nabootsing van een echt document van dit model is, inclusief de toegepaste productietechnieken, ogenschijnlijk aanwezige echtheids- en beveiligingskenmerken en gebruikt basismateriaal.

7.

hij op 15 april 2011 te Maassluis, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie II onder 2° van de Wet wapens en munitie, te weten,

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van een pistool van het merk Glock, type 19c kaliber: 9x19mm, en

- munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, Categorie III, te weten 50 kogelpatronen, kaliber 9x19mm, voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Kennelijke verschrijvingen in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 3:

medeplegen van gewoontewitwassen;

Ten aanzien van feit 4:

als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van feit 5:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is;

Ten aanzien van feit 6:

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

Ten aanzien van feit 7:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.1.

Kwalificatie-uitsluitingsgrond

Zoals onder 4.3.7. reeds is overwogen, staat vast dat de verdachte het bedrag van € 40.530,= enkel voorhanden heeft gehad. Derhalve is de vraag aan de orde of de in de jurisprudentie ontstane kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is die beoogt te voorkomen dat het strafmaximum wordt verhoogd indien een verdachte gelijktijdig wordt vervolgd voor zowel het gronddelict als het witwassen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een bewijsbaar gronddelict - de verdachte wordt immers vrijgesproken van het onder feit 2 aan hem ten laste gelegde - en dat derhalve de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet opgaat.

Er zijn evenmin andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen ter hoogte van tezamen meer dan 2 miljoen euro. Dit deed hij samen met [naam medeverdachte 1] , die reeds is veroordeeld voor de handel in drugs in diezelfde periode. De rechtbank ziet dan ook tot geen andere mogelijkheid dan dat de geldbedragen die [naam medeverdachte 1] heeft ingebracht van die handel in drugs afkomstig zijn.
De verdachte had met [naam medeverdachte 1] een leidende rol in de organisatie die zich met het witwassen bezig hield. Door de bedragen contant naar het buitenland te brengen en daar via verschillende bedrijven in verschillende landen weg te sluizen en vervolgens witgewassen weer op de Nederlandse markt te brengen, heeft hij kennelijk opbrengsten uit misdrijven aan het zicht van justitie willen onttrekken. De rechtbank acht dit een ernstig strafbaar feit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Bovendien heeft de verdachte zich op deze wijze samen met zijn partner en anderen een luxe levensstijl met diverse huizen in het buitenland kunnen veroorloven hetgeen bijdraagt aan de aantrekkingskracht van het verkrijgen van illegaal inkomen.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en het voorhanden hebben van een vals reisdocument. Dit zijn feiten waarmee hij het vertrouwen dat in het algemeen moet kunnen worden gesteld in documenten en in van overheidswege verstrekte identiteitsbewijzen heeft geschonden.

Voorts heeft de verdachte zich nog schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en 50 stuks bijbehorende munitie. Dit zijn ernstige feiten. Ongecontroleerd wapenbezit brengt gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee, waardoor een toename van wapenbezit, gepaard gaande met een drempelverlaging ten aanzien van het gebruik ervan, valt te vrezen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 januari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Daarbij komt dat het handelen van de verdachte een langdurig en structureel karakter had en enkel door ingrijpen van politie en justitie is beëindigd. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank weegt in haar overwegingen ten behoeve van de op te leggen straf, naast hetgeen hiervoor reeds omtrent de ernst daarvan is opgemerkt, de volgende factoren mee.

Het gewoontewitwassen en de deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk van witwassen hebben een dusdanige nauwe verbondenheid met elkaar dat voor dat laatste feit, bezien tegen het geheel van relevante feiten en omstandigheden in dit geval, geen aparte straf opgelegd zal worden.

De verdachte heeft zich bij zijn verhoren bij de politie en bij de behandeling ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank merkt op dat het dossier een overvloed aan schriftelijk bewijs bevat, met grotendeels geobjectiveerde en nauwelijks voor betwisting vatbare (financiële) informatie. Het was voorstelbaar dat de verdachte, mede in het licht daarvan en mogelijk ook gelet op het tijdsverloop en de indruk die zijn eerdere detentie en zijn huidige gestelde moeilijke situatie op hem hebben gemaakt, iets van zijn motieven en beleving van de gebeurtenissen had prijsgegeven. Door dat niet te doen heeft hij in ieder geval het verwijtbare van zijn handelen onbenoemd gelaten. Daarmee wekt de verdachte de indruk geen inzicht te hebben in het strafwaardige van zijn handelen of in de schade die hij de maatschappij heeft berokkend.

Dat rekent de rechtbank de verdachte dan ook aan.

In het voordeel van de verdachte wordt meegewogen dat de verdachte thans zijn leven weer op orde heeft. De verdachte heeft een nieuwe relatie en, volgens eigen zeggen, goedlopend legaal werk in zijn eigen nieuwe bedrijf.

7.4.1.

Redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 15 april 2011 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak sprake van bijzondere omstandigheden, te weten de ingewikkeldheid van deze zaak en het opsporingsonderzoek dat langere tijd in beslag heeft genomen, alsmede de (niet betwiste) lange duur van de schikkingsonderhandelingen. Dit rechtvaardigt een langere termijn voor de strafvervolging. De rechtbank is derhalve van oordeel dat in dit geval een periode van drie jaar als redelijke termijn dient te worden beschouwd.

Tussen 15 april 2011 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van een kleine zes jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van drie jaar, is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van bijna drie jaar. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit naar het oordeel van de rechtbank in dit geval gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf met 25 %.

In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een gevangenisstraf hebben opgelegd voor de duur van 40 maanden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf van 30 maanden opleggen, welke straf, alles afwegend, passend en geboden wordt geacht.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het/de in beslag genomen vuurwapen en munitie, Tsjechisch rijbewijs, documentnummer [nummer 2] , rijbewijsnummer [rijbewijsnummer] ten name van [naam 1] en het Tsjechisch paspoort, nummer [paspoortnummer] ten name van [naam 1] te onttrekken aan het verkeer.

8.2.

Beoordeling

De in beslag genomen voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang. De bewezen feiten zijn met betrekking tot voornoemde voorwerpen begaan.

De voorwerpen behoren toe aan de verdachte, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en deze kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 47, 57, 140, 225, 231 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer:

- Één (1) Tsjechisch rijbewijs, documentnummer [nummer 2] , rijbewijsnummer [rijbewijsnummer] ten name van [naam 1] ;

- Ëén (1) Tsjechisch paspoort, nummer [paspoortnummer] ten name van [naam 1] ;

- Één (1) vuurwapen merk Glock, type 19c kaliber: 9x19mm;

- Vijftig (50) kogelpatronen, kaliber 9x19mm.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. K.A. Baggerman en B.E. Dijkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kegreisz, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 13 april 2011 te Rotterdam en/of Maassluis en/of Vlaardingen en/of Amsterdam en/of Vijfhuizen (Gemeente Haarlemmermeer) en/of (elders) in Nederland en/of Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en/of Londen (Groot-Brittannië) en/of Islamabad (Pakistan) en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een container (met nummer [containernummer] ) met ongeveer 55 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

-(een) reis/reizen gemaakt naar en/of ontmoetingen gehad in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en/of Londen (Groot-Brittannië) en/of Islamabad (Pakistan) en/of

-afspraken gemaakt over prijzen van verdovende middelen en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of de frequentie van zending(en) van verdovende middelen en/of

-een bestelling van 1.350, althans een hoeveelheid, tassen gedaan op naam van ' [naam 9] ', ten behoeve de deklading van de zending verdovende middelen en/of

-(totaal) EUR 118.450, althans (een) geldbedrag(en) betaald als (een) aanbetaling(en) voor (een) zending(en) verdovende middelen en/of (totaal) EUR 118.450, althans (een) geldbedrag(en) voorhanden gehad (bestemd voor (een) (aan)betaling(en) voor een zending(en) verdovende middelen) en/of -een bill of lading in ontvangst genomen en/of

-contacten onderhouden met zijn mededader(s);

(art. 10a lid 1 onder 1'', 2° & 3° Opiumwet jo art. 47 lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 30 november 2007 tot en met 15 april 2011, te Rotterdam en/of Vlaardingen en/of Maassluis, althans in Nederland, en/of Marmaris (Turkije) en/of Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en/of Curaçao, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) , (telkens) meermalen, althans eenmaal, (een) voorwerp(en), te weten

- een/of meer grote geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer €2.105.720,- (zegge: tweemiljoenhonderdvijfduizendzevenhondertwintig euro)), althans enig geldbedrag middels contante stortingen op de bankrekeningnummers [rekeningnummer 1] t.n.v. [naam medeverdachte 1] en/of [rekeningnummer 5] t.n.v. [naam 8] en [naam medeverdachte 1] en/of [rekeningnummer 2] t.n.v. [naam 8] en/of [rekeningnummer 3] t.n.v. [naam 8] en/of [rekeningnummer 4] t.n.v. [naam 8] heeft gestort en/of althans op (een) bankrekening(en) in Turkije en/of

- ( telkens via een loanback constructie) een of meer (bedrijfs)panden, te weten onder andere de panden geleden aan de [adres 4] en [adres 5] te Maassluis en/of de [adres 6] en [adres 8] te Maassluis en/of de [adres 4] en/of de [adres 14] ongenummerd en [adres 7] te Maassluis en/of de Industrieweg [adres 10] , [adres 13] , [adres 11] en [adres 12] te Maassluis,

- een of meer panden in Turkije, te weten perceel [perceelnummer 1] te Tepe en/of perceel [perceelnummer 2] te Tepe en/of [adres 1] te Marmaris en/of [adres 3] nr. onbekend en/of

- een pand in Curaçao, te weten [naam kavel] kavel [kavelnummer] /of

- een geldbedrag van €40.000,- (op of omstreeks 15 april 2011), althans een geldbedrag, aan contant geld,

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer voorwerp(en) te weten de zojuist benoemde voorwerpen,

- gebruik gemaakt en/of

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of

- verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was/waren of wie voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of voornoemde voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik van gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

artikel 420bis jo 420ter jo 420quater jo 47 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 13 april 2011 te Rotterdam en/of Vlaardingen en/of Oostvoorne (Gemeente Westvoorne) en/of Maassluis en/of Dongen en/of Spijkenisse en/of (elders) in Nederland en/of Curaçao, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke, naast verdachte, bestond uit een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten, [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 6] en/of [naam medeverdachte 7] en/of [naam medeverdachte 8] en/of [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 9] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van

-(gewoonte) witwassen van uit misdrijf verkregen vermogen en/of

-het (meermalen) binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van een of meer (grote) handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

-het (meermalen) plegen van strafbare voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen ten behoeven van het binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een of meer (grote) (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was;

(artt. 140 lid 1 & 3 Wetboek van Strafrecht en 11a lid 1 & lid 2 Opiumwet jo 47 lid 1 onder 1° Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks de periode 15 april 2010 te Maassluis tot en met 15 april 2011, te Maassluis, althans in Nederland en/of te Curaçao, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een Tsjechisch paspoort, nummer [paspoortnummer] op naam van [naam 1] , waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, bestaande die valsheid of vervalsing(en) (onder andere) hieruit dat de aangebrachte personaliabladzijde in het paspoort vals is en is aangebracht na verwijdering van de originele personaliabladzijde, met daarop de persoons- en afgiftegegevens en pasfoto van de rechtmatige houd(st)er van het paspoort.

art 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 15 april 2011 te Maassluis, althans in Nederland en/of Curaçao, opzettelijk een vals of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Tsjechisch rijbewijs, voorzien van het documentnummer [nummer 1] , rijbewijsnummer [rijbewijsnummer] , op naam van [naam 1] , geboren op [geboortedatum] te Praag, voorhanden heeft gehad, bestaande die valsheid of vervalsing(en) (onder andere) hieruit dat het rijbewijs een nabootsing van een echt documenten van dit model is, inclusief de toegepaste productietechnieken, ogenschijnlijk aanwezige echtheids- en beveiligingskenmerken en gebruikt basismateriaal.

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 15 april 2011 te Maassluis, althans in Nederland, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie II onder 2° van de Wet wapens en munitie, te weten,

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van een pistool van het merk Glock, type 19c kaliber: 9x19mm, en/of

- munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, Categorie III, te weten 50 kogelpatronen, (groot) aantal kogelpatronen, kaliber 9x19mm, voorhanden heeft gehad;

(art. 26 jo 55 Wet wapens en munitie en art. 47 Wetboek van Strafrecht)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie