Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9271

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
C/10/503938 / HA ZA 16-590
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop/verkoop woning. Begraven asbestplaten aangetroffen in tuin van de woning. Conformiteit (art. 7:17 BW). Noodzaak tot saneren. Begroting van de schade bij voorschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/503938 / HA ZA 16-590

Vonnis van 1 november 2017

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

2. [eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J. Geelhoed te Delft,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Plet te Spijkenisse.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 8 juni 2016 en de door [eisers] overgelegde producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief d.d. 14 september 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de zittingsagenda d.d. 2 november 2016;

  • -

    de brief d.d. 30 december 2016 van mr. Geelhoed, met producties;

  • -

    de brief d.d. 6 januari 2017 van mr. Plet, met productie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 13 januari 2017;

  • -

    de akte, met productie, zijdens [gedaagde] ;

  • -

    de akte, zijdens [eisers]

1.2.

De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen omdat zij niet langer bij deze rechtbank werkzaam is.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 31 maart 2015 is tussen [eisers] en [gedaagde] een koopovereenkomst tot stand gekomen tot koop/verkoop van de woning met bijbehorend perceel aan de [adres en woonplaats] (hierna: de woning). In de koopovereenkomst is onder meer bepaald:

artikel 6. Staat van de onroerende zaak. Gebruik.

(...)

6.3

De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: woonhuis.

(...)

6.4.1

Aan verkoper is niet bekend of de onroerende zaak verontreiniging bevat die ten nadele strekt van het in artikel 6.3 omschreven gebruik of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot schoning van de onroerende zaak, dan wel het nemen van andere maatregelen.

(...)

6.4.3

Aan verkoper is niet bekend of in de onroerende zaak asbest is verwerkt.”

In de vragenlijst behorende bij de koopovereenkomst is de vraag onder 9 b. “Zijn er asbesthoudende materialen in de woning aanwezig” met nee beantwoord.

2.2.

Op 18 september 2015 is deze woning door [gedaagde] aan [eisers] geleverd.

2.3.

De woning wordt door de dochter van [eisers] bewoond.

2.4.

In september 2015 hebben [eiseres 2] en haar dochter tijdens werkzaamheden in de tuin van de woning materiaal aangetroffen waarvan zij vermoedden dat het asbest was.

2.5.

Op 29 september 2015 heeft [eisers] SAM Advies B.V. de opdracht gegeven tot onderzoek van monsters van dit materiaal.

2.6.

[eisers] heeft per brief d.d. 30 september 2015 bij [gedaagde] geklaagd over de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in de bodem en hem daarvoor aansprakelijk gesteld.

2.7.

Per brief van 10 oktober 2015 heeft SAM Advies B.V. aan [eisers] onder meer bericht:

“Op 29 september 2015 heeft een medewerker van SAM-advies b.v. een materiaalmonster genomen van het aangetroffen plaatmateriaal. Analyse wijst uit dat de beplating als asbesthoudend wordt aangemerkt.

Teneinde vast te stellen of er sprake is van een bodemverontreiniging met asbesthoudend materiaal adviseren wij u een ‘asbest in grond onderzoek’ conform NEN 5707 uit te laten voeren door een daartoe erkend bedrijf.”

2.8.

Per brief van 28 december 2015 heeft de advocaat van [eisers] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de kosten van onderzoek en de sanering van de bodem en gesommeerd aansprakelijkheid te erkennen.

2.9.

Per brief van 21 mei 2016 heeft MV Ingenieursbureau B.V. aan [eisers] de opdracht tot het uitvoeren van een ‘nader asbest in de grond onderzoek’ aan de woning bevestigd .

2.10.

In het rapport van verkennend onderzoek d.d. 6 juli 2016 van MV Ingenieursbureau B.V. is onder conclusie vermeld:

“Voor deellocatie 3 is vastgesteld dat het zwaarst gewogen asbest (mg/kg/d.s.) van 223,3 mg/kg/d.s. conform de NEN 5707 de norm van 100 mg/kg d.s. overschrijdt.

Op basis van de onderzoeksgegevens kan worden geconcludeerd dat deellocatie 3 als ernstig verontreinigd met asbest kan worden beschouwd met een bodem volume van 2,94 m³.”

2.11.

[gedaagde] heeft ATKB Adviesbureau opdracht gegeven tot een ‘verificatie onderzoek asbest in bodem en puin’ aan de woning. In de rapportage van ATKB Adviesbureau d.d. 21 maart 2017 is onder meer opgenomen:

6.3 Interpretatie analyseresultaten

(...)

De omvang van de asbesthoudende laag en puinlaag is middels het gebruik van een prikstok in beeld gebracht. Uitgaande van het oppervlakte van circa 4,9 m² en een laagdikte van 0,3-0,6 m-mv is sprake van een geval van asbestverontreiniging met een omvang van circa 1,5 m³. Hierbij wordt opgemerkt dat deels (beperkte laag) sprake is van volledig asbesthoudend materiaal.

7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

7.1

Conclusie

(...)

In de Ruimtelijke Eenheid 1 (oppervlakte 4,9 m²) is een gewogen gehalte aan asbest vastgesteld van 63.777,78 mg/kg.ds. Dit gehalte is vastgesteld in een laag van 0,3 tot 0,31 m-mv, volledig bestaande uit asbesthoudend plaatmateriaal. De interventiewaarde van 100 mg/kg.ds wordt overschreden. Ter plaatse is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Onder deze laag plaatmateriaal is van 0,31 tot 0.6 m-mv een puinlaag aanwezig waarin een gewogen gehalte aan asbest is vastgesteld van 49,26 mg/kg.ds. Dit gehalte overschrijdt de interventiewaarde niet. Omdat niet uitgesloten kan worden dat binnen de beperkte omvang van de puinlaag elders sprake is van een grotere hoeveelheid asbestverdacht materiaal (fractie >20 mm) kan niet worden uitgesloten dat elders in de puinlaag wel sprake is van gehalten > 100 mg/kg.ds.

7.2

Aanbevelingen

Aangezien de interventiewaarde van 100 mg/kg.ds. voor asbest wordt overschreden is er conform de Wet bodemsanering sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Aanbevolen wordt om de aanwezige laag asbesthoudend plaatmateriaal en onderliggende puinlaag van de locatie te verwijderen. Opgemerkt wordt dat het geval van ernstige bodemverontreiniging zich in de bodem bevindt vanaf 0,3 m-mv, of er sprake is van risico’s is nu niet bekend. Saneren is noodzakelijk als sprake is van risico’s. Het uitvoeren van een risicobeoordeling wordt hiervoor noodzakelijk geacht. Hiertoe dient onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van respirabele vezels op basis van bijlage 3 uit de Circulaire Bodemsanering.”

2.12.

Per brief d.d. 21 maart 2017 heeft ATKB Adviesbureau aan [gedaagde] geschreven:

“Hieronder worden de aanvullende vragen, behorende bij het verificatie onderzoek asbest in bodem op de locatie [adres en woonplaats] , beantwoord.

(...)

3 Indien sprake is van asbesthouden materiaal en/of bodemverontreiniging leidt dit tot onaanvaardbare (gezondheids)risico’s? Met andere woorden: worden asbestnormen overschreden en die op basis van risicoanalyse noopt tot bodemsanering?

In de aanwezige laag met plaatmateriaal (van 0,3 tot 0,31 m-mv) is een gehalte aan asbest boven de norm van 100 mg/kg.ds aangetoond. Of een bodemsanering noodzakelijk is, is afhankelijk van de aanwezigheid van risico’s. De verontreiniging bevindt zich onder een grondlaag vanaf 0,3 m-mv. Of risico’s aanwezig zijn dient bepaald te worden door het uitvoeren van een risicobeoordeling bestaande uit onderzoek naar de aanwezigheid van respirabele vezels op basis van bijlage 3 uit de circulaire bodemsanering.

(...)

5. Dient over te worden gegaan tot bodemsanering?

Op basis van de resultaten van huidig onderzoek is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest, wat aanleiding kan zijn om tot bodemsanering over te gaan. Of het noodzakelijk is om een bodemsanering uit te voeren is afhankelijk van de aanwezigheid van risico’s. Hiervoor dient een risicobeoordeling te worden uitgevoerd zoals genoemd bij vraag 3. ”

3 Het geschil

3.1.

De vordering van [eisers] luidt dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

A. verklaart voor recht dat [eisers] hebben gedwaald in de zin van artikel 6:228 BW bij het aangaan van de koopovereenkomst van 31 maart 2015 voor de koop van het perceel met woning aan de [adres en woonplaats] en in de plaats van vernietiging van de Koopovereenkomst het door [eisers] geleden nadeel opheft door [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van alle schade die [eisers] hebben geleden, en nog zullen lijden ten gevolge van de verontreiniging van de bodem met asbest;

Subsidiair

B. verklaart voor recht dat het perceel met de woning aan de [adres en woonplaats] niet beantwoordt aan de koopovereenkomst van 31 maart 2015 en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eisers] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de verontreiniging van de bodem met asbest;

Zowel primair als subsidiair

C. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eisers] van een bedrag ad € 1.963,80 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van ingebrekestelling, althans de dag van de dagvaarding, althans de dag van het in dezen te wijzen vonnis;

D. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eisers] van alle door [eisers] geleden en nog te lijden schade, voor zover deze schade niet reeds is gevorderd onder sub B van het petitum, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, althans de dag van het in dezen te wijzen vonnis nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

E. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eisers] van een bedrag ad € 25.000,= althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, als voorschot op de

onder D. van dit petitum gevorderde schadevergoeding;

F. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, althans de dag van het in dezen te wijzen vonnis.

3.2.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eisers] grondt zijn vordering op de stelling dat de koopovereenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling, althans op de stelling dat de woning niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. Daartoe heeft [eisers] aangevoerd dat in de bodem (van de tuin) van de woning asbesthoudend materiaal is aangetroffen.

4.2.

De rechtbank zal eerst het beroep op non-conformiteit behandelen, nu dit de verst strekkende vordering betreft.

4.3.

Ingevolge artikel 7:17 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) moet de door een verkoper afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Uit lid 2 van dat artikel volgt dat een zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.

4.4.

Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] de bevindingen van SAM Advies B.V. betwist dat er sprake zou zijn van asbest in de bodem van de woning. Ter comparitie zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] op eigen kosten een deskundige op het gebied van bodemverontreiniging door asbest inschakelt. [gedaagde] heeft ATKB Adviesbureau B.V. ingeschakeld. Ook ATKB Adviesbureau B.V. heeft vastgesteld dat sprake is van bodemverontreiniging met asbest. [gedaagde] heeft zijn betwisting naar aanleiding van het rapport van ATKB Adviesbureau B.V. niet gemotiveerd gehandhaafd.

4.5.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de bodemverontreiniging niet in de weg staat aan normaal gebruik als woonhuis. Daartoe heeft [gedaagde] gesteld dat de bodemverontreiniging niet zodanig is dat bodemsanering noodzakelijk is. Of sprake is van onaanvaardbare risico’s kan pas worden vastgesteld na een risicoanalyse, zoals door ATKB Adviesbureau B.V. aanbevolen. Bovendien is niet aangetoond dat er een gebod is om de asbest te verwijderen.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van asbest (in de bodem) per se nog niet betekent dat een woning niet als woonhuis gebruikt zou kunnen worden. Of verwijdering noodzakelijk is hangt af van de risico’s hetgeen erop neerkomt, naar algemeen bekend is, of er een kans is dat asbestvezels vrijkomen. Immers, als er asbestvezels vrijkomen, is er een acuut gevaar voor de gezondheid. De rechtbank overweegt dat de door [gedaagde] ingeschakelde deskundige constateert dat sprake is van ernstige bodemverontreiniging en zijn aanbeveling luidt om de aanwezige laag asbesthouden plaatmateriaal en onderliggende puinlaag van de locatie te verwijderen. Weliswaar beveelt deze deskundige ook een risicoanalyse aan in de zin dat onderzoek wordt uitgevoerd naar de aanwezigheid van respirabele vezels, maar een dergelijk onderzoek acht de rechtbank in het onderhavige geval niet nodig om te kunnen beslissen op voormelde vordering. Omdat de laag asbesthoudend plaatmateriaal zich relatief dicht aan de oppervlakte (op ca. 30 cm onder het maaiveld) van de tuin van de woning bevindt, is goed voorstelbaar is dat deze laag wordt blootgelegd bij tuinierwerkzaamheden, zeker waar die werkzaamheden meer dan eenvoudig onderhoud betreffen. Alsdan bestaat er kans dat asbestvezels vrijkomen. In het onderhavige geval is de asbestlaag ook daadwerkelijk op deze wijze blootgelegd, hetgeen de aannemelijkheid van dit risico bevestigt. Derhalve dient de asbestlaag te worden verwijderd, ongeacht of er ook een wettelijk gebod is de asbest te verwijderen. Indien in de bodem van de tuin behorend bij een woning asbest dient te worden verwijderd, staat dat aan normaal gebruik als woonhuis in de weg. Derhalve beantwoordt de woning niet aan de koopovereenkomst.

4.7.

Voor een beroep op non-conformiteit vereist artikel 7:17 BW niet dat [gedaagde] wist dat er asbest in de bodem van de woning zat. In het midden kan dus blijven of, zoals [eisers] heeft gesteld, [gedaagde] tijdens een verbouwing (in 2009) asbesthoudende platen in de tuin van de woning heeft begraven.

Voor zover [gedaagde] ook in het kader van het door [eisers] gedane beroep op non-conformiteit heeft bedoeld aan te voeren dat op [eisers] een onderzoeksplicht rust, omdat Hilgers en [eiseres 2] zich beiden beroepshalve bezighouden met asbest in panden en op terreinen, geldt dat [gedaagde] onvoldoende concrete omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [eisers] aanleiding had om de aanwezigheid van asbest te onderzoeken. De enkele deskundigheid van [eisers] op het gebied van bodemzaken en bodemkwaliteit is daarvoor in dit geval onvoldoende.

4.8.

Hieruit volgt dat sprake is non-conformiteit en dat [gedaagde] is gehouden de daardoor ontstane schade te vergoeden. De daarop gerichte vorderingen tot het afgeven van een verklaring voor recht (onder B) en tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de door [eisers] geleden schade, nader op te maken bij staat (onder D) zullen als na te melden worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de schade nader op te maken bij staat zal worden afgewezen, nu het moment van het intreden van het verzuim in de schadestaatprocedure dient te worden vastgesteld.

4.9.

[eisers] vordert (onder E) veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 25.000,00 als voorschot op de gevorderde schadevergoeding.

4.10.

Toewijzing van een voorschot op schadevergoeding in deze procedure vereist dat vast staat dat [eisers] door het tekortschieten van [gedaagde] minimaal ter hoogte van het toe te wijzen bedrag schade lijdt. De omvang van de schade moet worden bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het tekortschieten niet zou hebben plaatsgevonden

4.11.

[eisers] heeft zijn schade voorlopig begroot op de kosten van MV Ingenieursbureau B.V. (€ 2.575,00 exclusief BTW), de kosten voor de bodemsanering volgens de offerte Ingenieursbureau De Mol (€ 18.273,54 inclusief BTW), de kosten voor het herinrichten van de tuin volgens de offerte van Rozima (€ 1.816,32 inclusief BTW) en de kosten van SAM Advies B.V. (€ 338,80)

4.12.

De kosten van MV Ingenieursbureau B.V. (€ 2.575,00 exclusief BTW) en de kosten van SAM Advies B.V. (€ 338,80) zijn naar oordeel van de rechtbank te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW die voor vergoeding in aanmerking komen. Dat niet is gebleken of [eisers] , zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, facturen nog niet heeft betaald, doet er niet aan af dat de daaruit voortvloeiende schuld die in causaal verband staat met de het tekortschieten dient te worden aangemerkt als schade die in beginsel door [gedaagde] dient te worden vergoed.

4.13.

[gedaagde] heeft betwist dat de kosten van de bodemsanering een bedrag van € 18.273,54 bedragen. Daartoe heeft hij gesteld dat deze kosten in de offerte van Ingenieursbureau De Mol niet gespecificeerd zijn. Voorts heeft [gedaagde] erop gewezen dat ATKB Adviesbureau B.V. in haar rapport de kosten voor bodemsanering heeft begroot op een bedrag van € 7.350,00 exclusief BTW en heeft hij een offerte van Oranje B.V. in het geding gebracht waarin de kosten voor bodemsanering zijn begroot op een bedrag van € 5.250,00.

4.14.

De rechtbank constateert met [gedaagde] dat de offerte van Ingenieursbedrijf De Mol niet is gespecificeerd. Het in die offerte genoemde bedrag komt de rechtbank ook te hoog voor, gelet op de begroting van ATKB Adviesbureau B.V. en de offerte van Oranje B.V. voor diezelfde werkzaamheden. Opgemerkt wordt dat in de kostenbegroting door ATKB Adviesbureau B.V. bij de post ‘Afvoer 1,5 m³ asbest gevaarlijk afval in bigbag’ is aangegeven ‘n.n.t.b.’, zodat die begroting uiteindelijk hoger zal uitvallen dan het bedrag van € 7.350,00.

De rechtbank begroot in het kader van het vaststellen van een voorschot op de geleden schade de kosten van de bodemsanering, gelet op voornoemde offertes en begroting, op een bedrag van € 5.000,=.

4.15.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de voor de werkzaamheden van Rozima te maken kosten de herinrichting van de tuin betreffen die niet op hem dienen te worden afgewenteld. Gelet op de door Rozima in haar offerte genoemde posten is de rechtbank van oordeel dat enkel de post ‘grondwerkzaamheden, grond leveren en aanbrengen’ (ad € 44,00) in direct verband staat met de verwijdering van de asbest, zodat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

4.16.

Op grond van het vorenstaande staat vast dat [eisers] als gevolg van het tekortschieten van [gedaagde] schade van ten minste (€ 2.575,00 + € 338,80 + € 5.000,00 + € 44,00 = ) € 7.957,80 lijdt. Dit bedrag is derhalve toewijsbaar.

4.17.

[gedaagde] heeft een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [eisers] [gedaagde] heeft echter geen concrete feiten en omstandigheden aan zijn beroep op eigen schuld ten grondslag gelegd, zodat de rechtbank aan dit beroep voorbij gaat. Hetzelfde geldt voor het door [gedaagde] gedane beroep op matiging van de schade.

4.18.

[eisers] vordert (onder C) betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 1.963,80. Ter comparitie heeft [eisers] toegelicht dat dit bedrag bestaat uit de vergoeding van de kosten voor het rapport van SAM Advies B.V. en de vergoeding van de kosten van door hun advocaat verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten van SAM Advies B.V. heeft de rechtbank reeds toewijsbaar geoordeeld in het kader van vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Voor het overige geldt dat de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.19.

Gelet op het vooroverwogene behoeft de gestelde dwaling en de daarop gerichte, onder A gevorderde, verklaring voor recht geen bespreking meer.

4.20.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden op basis van het toegewezen bedrag begroot op:

- dagvaarding € 94,08

- griffierecht 885,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452)

Totaal € 2.109,08

De wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat het perceel met de woning aan de [adres en woonplaats] , niet beantwoordt aan de tussen partijen gesloten koopovereenkomst van 31 maart 2015 en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eisers] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het tekortschieten van [gedaagde] in de nakoming van zijn verbintenis uit die koopovereenkomst doordat de bodem van (de tuin van) de woning is verontreinigd met asbest, nader op te maken bij staat,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een voorschot op de totale schadevergoeding te betalen van een bedrag van € 7.957,80 (zevenduizend negenhonderd en zevenenvijftig euro en tachtig eurocent),

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.109,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2017.

2111/106