Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9226

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
10/996538-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf voor meerdere fraudezaken. Het gaat om twee gevallen van oplichting in de handel in vennootschappen met een herinvesteringsreserve, valsheid in geschrift, belastingfraude en witwassen. Strafvermindering van 12 maanden wegens schending redelijke termijn en ouderdom zaken. Daarnaast is de verdachte onder meer vrijgesproken voor valsheid in geschrifte in een aangiftebiljet: een aangiftebiljet dat wordt ingediend als aanvulling op een pro forma bezwaarschrift tegen een ambtshalve aanslag, heeft te gelden als een onderdeel daarvan en geldt daarom niet als een stuk met bewijsbestemming (zoals vereist in art. 225 Sr) (vergelijk HR 3 oktober 2017:ECLI:NL:HR:2017:2542).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-11-2017
FutD 2017-3051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/996538-10

Datum uitspraak: 15 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. R.J.E. Merkus, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 en 25 oktober en 15 november 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging die is toegewezen op de terechtzitting van 1 december 2011, zoals op de terechtzitting van 24 oktober 2017 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R. Terpstra heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 1 primair, 2, 3 primair,

4 meer subsidiair, 5 primair, 6 en 7 op de wijze als opgenomen in het overgelegde schriftelijk requisitoir;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

4 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.1

Er zijn geen redenen tot schorsing van de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Feit 1

5.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij verwijst daartoe naar de bewijsmiddelen, genoemd in het requisitoir.

5.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft tot een integrale vrijspraak geconcludeerd. Voor een deel van de tenlastegelegde gedragingen is aangevoerd dat deze niet in strijd met de waarheid waren, van één in de tenlastelegging genoemde mededeling wordt betwist dat deze door de verdachte is gedaan en voor twee andere uitlatingen uit de tenlastelegging geldt dat deze mogelijk onjuist waren maar dat de verdachte dat destijds niet wist. Verder is betwist dat er verband bestaat tussen de tenlastegelegde gedragingen en de afgifte van de aandelen en de hierna te noemen ‘cash compensation’ en is aangevoerd dat de verdachte geen betrokkenheid had bij de belastingaangiften van [naam bedrijf 1] .

5.1.3.

Beoordeling

Het gaat bij feit 1 van de tenlastelegging om het volgende.

(1)
[naam bedrijf 2] was een vennootschap met een herinvesteringsreserve als bedoeld in artikel 3:54 Wet IB (hierna: de HIR). De HIR is een fiscale faciliteit waarbij boekwinsten op bedrijfsmiddelen niet worden belast, maar kunnen worden gereserveerd voor een herinvestering. Indien (kort samengevat) de herinvestering niet binnen drie jaar plaatsvindt, valt de reserve vrij en wordt deze toegevoegd aan de fiscale winst. In het geval van [naam bedrijf 2] zou de HIR in delen gaan vrijvallen vanaf 2005, tenzij [naam bedrijf 2] de HIR zou aanwenden voor een herinvestering. Bij vrijval van de HIR zou [naam bedrijf 2] € 372.909,- aan vennootschapsbelasting verschuldigd zijn.

(2)
De aandelen van [naam bedrijf 2] werden gehouden door [naam bedrijf 1] . De bestuurder van [naam bedrijf 1] is [naam 1] . [naam bedrijf 1] wilde met het oog op de latente HIR-belastingclaim de aandelen in [naam bedrijf 2] verkopen. [naam 1] is met het oog daarop in september 2006 in contact gekomen met [naam 2] en met de verdachte.

(3)
De verdachte heeft in een email van 15 september 2006 een voorstel gedaan aan [naam 1] om de aandelen over te nemen. In die email schrijft hij onder meer:

For your information and as I mentioned we are in the process of acquiring a real estate portfolio in Sweden for a value of-Euro 34,5 Million. So far, we have acquired properties of Euro 16 Million in this targeted investment.

In deze mail schrijft hij ook wat er nodig is om de transactie doorgang te laten vinden. De koper zal een volledige fiscale vrijwaring en een ‘corporate guarantee’ van de koper en diens ‘mother company’ afgeven. Er zal ook een verklaring van een accountant worden afgegeven als bevestiging dat de koper in staat is om zijn verplichtingen na te komen.

(4)
De transactie zoals door de verdachte aan [naam 1] is voorgesteld, komt er op neer dat de aandelen in [naam bedrijf 2] worden verkocht nadat [naam bedrijf 2] heeft geïnvesteerd in onroerend goed aan de [naam onroerend goed] , Zweden (hierna: [naam onroerend goed] ). De aandelenverkoop en de investering in het onroerend goed hingen onlosmakelijk met elkaar samen en gesprekken over de investering met de eigenaar van het vastgoed zijn gevoerd door de verdachte. Beoogd was dat de HIR op deze wijze niet zou vrijvallen en [naam bedrijf 2] dus geen belasting zou hoeven te betalen over de HIR. In ruil daarvoor betaalde [naam bedrijf 1] een vergoeding.2

(5)
[naam onroerend goed] was (en is ook thans nog) eigendom van [naam bedrijf 3] . [naam 3] is de directeur van [naam bedrijf 3] en [naam 4] is adviseur van [naam bedrijf 3] . De (gestelde) investering van [naam bedrijf 2] in [naam onroerend goed] is neergelegd in drie overeenkomsten tussen [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] : een Purchase Agreement (hierna: de PA), een Loan Agreement (hierna: de LA) en een Amendment to Purchase Agreement (hierna: de Sideletter). In de PA staat dat [naam bedrijf 2] 43% van [naam onroerend goed] wenst te kopen, waarbij een deel van de koopsom wordt voldaan doordat [naam bedrijf 2] een ‘aan het vastgoed verstrekte lening’ overnam, terwijl het resterende deel van de koopsom door middel van de LA wordt omgezet in een lening. Feitelijk blijft [naam bedrijf 2] de koopsom dus schuldig. De Sideletter gaf [naam bedrijf 2] het recht om tot 1 januari 2007 de PA en de LA te beëindigen.

De overeenkomsten vermelden, op wisselende wijze, dat de overeenkomsten gesloten worden ‘as per 1 November 2005’. In de LA staat expliciet dat de overeenkomst ook op die dag is getekend. De drie overeenkomsten als geheel wekken daardoor de onjuiste indruk dat ze op 1 november 2005 getekend zijn.

(6)
Op 14 december 2006 heeft [naam bedrijf 1] haar aandelen in [naam bedrijf 2] verkocht en geleverd aan [naam bedrijf 4] . [naam bedrijf 4] is onderdeel van de [naam bedrijf 5] , waarvan de verdachte de eigenaar en bestuurder is. Bij de verkoop heeft [naam bedrijf 1] . aan [naam bedrijf 4] een bedrag van € 176.376,- betaald, de vergoeding zoals hiervoor onder 4 bedoeld (ook wel aangeduid in dit dossier als de ‘cash compensation’).

(7)
In verband met de transactie is er door de verdachte namens de [naam bedrijf 5] onderhandeld met [naam 5] van [naam bedrijf 6] (hierna: [naam 5] ), de adviseur van [naam 1] . Daarbij is door de verdachte verstrekt een afschrift van de geconsolideerde jaarrekening van de [naam bedrijf 5] over het boekjaar 2005. Die jaarrekening vermeldt onder meer ‘tangible fixed assets’ van 17,8 miljoen euro per 31 december 2005, bestaande onder meer uit (afgerond) 14 miljoen euro aan gebouwen.

Het is tegen deze achtergrond dat beoordeeld moet worden of de verdachte, zoals hem in de tenlastelegging in de kern wordt verweten, ten onrechte [naam 1] en [naam 5] heeft medegedeeld dat hij, via de [naam bedrijf 5] , bezig was met de acquisitie van vastgoed in Zweden en dat de [naam bedrijf 5] al 16 miljoen euro aan onroerend goed had verworven en dat de hiervoor onder 5 bedoelde transactie geen daadwerkelijke investering betrof, terwijl dit wel is voorgespiegeld. Heeft de verdachte aldus [naam bedrijf 1] onjuist geïnformeerd? Met de officier van justitie en anders dan de verdediging beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Uit de verklaringen van [naam 3] en [naam 4] blijkt dat zij weliswaar langere tijd met de verdachte contact hebben gehad over investeringen van de [naam bedrijf 5] in Zweeds onroerend goed, waaronder [naam onroerend goed] , maar dat de transacties nooit zijn doorgegaan. Zij hebben de door de verdachte opgestelde overeenkomsten ondertekend, maar de transacties zouden alleen doorgaan als de verdachte financiering zou vinden. [naam 4] heeft verklaard dat de overeenkomsten werden meegegeven omdat de verdachte zei die nodig te hebben om financiering te verkrijgen. Als de verdachte geen financiering kon krijgen, dan zou de koop worden geannuleerd, aldus [naam 3] . [naam 4] heeft verklaard dat er geen overeenkomst met de verdachte was over welk percentage hij zou ontvangen: alles hing af van hoeveel de verdachte zou kunnen financieren. De door [naam bedrijf 2] getekende overeenkomsten hebben [naam 3] en [naam 4] nooit terug gekregen.3 De verdachte betwist dat de overeenkomsten een voorlopig/voorwaardelijk karakter hadden en dat de getekende overeenkomsten niet zijn teruggezonden aan [naam bedrijf 3] : hij zegt dat de overeenkomsten zijn aangegaan, maar later ongedaan zijn gemaakt toen hij de financiering niet rond kreeg.

Wat afbreuk doet aan de verklaring van de verdachte dat de PA een daadwerkelijke aanschaf van een deel in [naam onroerend goed] betrof en wat steun geeft aan de verklaringen van [naam 3] en [naam 4] dat het er slechts om ging dat de verdachte daarvoor financiering kon krijgen, is het volgende:

- Blijkens informatie van de Zweedse belastingdienst is [naam bedrijf 3] (en dus niet [naam bedrijf 2] ) sinds 1999 de eigenaar van [naam onroerend goed] . Als [naam bedrijf 2] inderdaad mede eigenaar is geworden, dan is niet te begrijpen waarom dit niet geregistreerd is en waarom er geen vastgoedbelasting is betaald door [naam bedrijf 2] (uit informatie van de Zweedse autoriteiten blijkt dat de eigenaar van onroerend goed in Zweden belasting moet betalen).

- De PA bepaalt niet dat [naam bedrijf 3] het aandeel van 43% in [naam onroerend goed] overdraagt. De overeenkomst vermeldt slechts dat [naam bedrijf 2] het wil kopen. Een jurist van de gemeente waarin het vastgoed is gelegen, heeft onder verwijzing naar Zweedse wetsbepalingen verklaard dat voor de daadwerkelijke levering is vereist dat de overeenkomst bepaalt dat er wordt overgedragen4. Van ondernemers in de vastgoedbranche mag aangenomen worden dat zij zich bewust zijn van het onderscheid tussen een voorovereenkomst en een levering.

- De PA bepaalt dat het grootste deel van de koopprijs wordt voldaan doordat ‘een aan het vastgoed verstrekte lening’ wordt overgenomen. De rechtbank begrijpt dat hiermee wordt bedoeld dat [naam bedrijf 2] op deze manier geld dat [naam bedrijf 3] in het vastgoed heeft gestoken, terugbetaalt. De voorwaarden van deze lening worden op geen enkele wijze nader omschreven: welke rente is verschuldigd, wanneer moet er terugbetaald worden, in welke gevallen is de lening direct opeisbaar? Dit en meer wordt wel geregeld in de LA voor het deel van de koopprijs dat in een lening is omgezet, maar is niet geregeld voor het deel van de koopprijs dat door schuldovername wordt voldaan. Ook ontbreekt een beheersregeling, wat bij een gedeeld eigendom van commercieel te exploiteren onroerend goed wel voor de hand ligt. De rechtbank realiseert zich dat commerciële contracten veelal veel zaken niet regelen, maar het niet regelen van dergelijke financiële elementen doet wel de – door de verdachte niet bevredigend beantwoorde – vraag rijzen hoe definitief de overeenkomst bedoeld is, zulks mede in het licht van het voorgaande.

- Er is op de computer van de verdachte een overzicht gevonden van investeringen door [naam bedrijf 5] -vennootschappen waaruit blijkt dat de [naam bedrijf 5] (inclusief het aandeel van [naam bedrijf 2] ) 123% van [naam onroerend goed] heeft verkregen. De uitleg dat dit slechts een vergissing betreft, is niet nader onderbouwd en overigens niet aannemelijk.

Wat verder van belang is, is het volgende. De verdachte zegt dat hij financiering voor de overeenkomsten met [naam bedrijf 3] heeft gezocht en wijst daarvoor op de verklaring van getuige [naam getuige] . Deze getuige is werkzaam bij de [naam bank 1] in Zwitserland en heeft (inderdaad) verklaard dat de verdachte gevraagd heeft om financiering voor Zweeds onroerend goed maar dat de [naam bank 1] (als Zwitserse bank) geen Zweeds onroerend goed financiert. De verdachte zegt dat hij verder ook met Zweedse banken heeft gesproken, maar heeft dat op geen enkele wijze concreet gemaakt en het blijkt ook niet uit het dossier. Al met al kan niet vastgesteld worden dat de verdachte een reële inspanning heeft verricht om financiering te krijgen.

De rechtbank komt tot een afronding. De verdachte heeft [naam 1] voorgehouden dat de [naam bedrijf 5] bezig was met de verkrijging van vastgoed ter waarde van 34,6 miljoen euro en dat er al onroerend goed voor 16 miljoen euro was verworven. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is dat een onjuiste en misleidende mededeling: de [naam bedrijf 5] had niet voor 16 miljoen euro aan onroerend goed, er waren (in het voor de verdachte gunstigste scenario) slechts overeenkomsten die nog gefinancierd moesten worden, een financiering waarvan niet gebleken is dat de verdachte daarvoor een reële inspanning heeft geleverd, zodat in de verste verte geen sprake was van daadwerkelijke financiering c.q. verwerving. Ook de [naam bedrijf 2] -transactie is, om dezelfde reden, geen daadwerkelijke aanschaf van onroerend goed. De verdachte heeft hiermee [naam 1] misleid. Daarbij komen – zie de voorgaande overwegingen hierover – het gebruik van een uiterst summier schriftelijk stuk als de PA, met 1 november 2005 als onjuiste ingangsdatum daarvan, alsmede de verstrekking van een jaarrekening van de [naam bedrijf 5] met een ongefundeerde vermelding van ‘tangible fixed assets’ van 17,8 miljoen euro per 31 december 2005. Er is sprake van een geheel van uitlatingen en mededelingen die verder gaan dan een enkele leugenachtige mededeling en die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven hebben geroepen. Dit is niet slechts een civiele kwestie over wanprestatie. Evenmin is sprake van een situatie waarin achteraf slechts kan worden geconstateerd dat de verdachte te optimistisch is geweest over de (her)financiering, zoals door de verdediging aangevoerd. Dit is oplichting.

Het verweer dat er geen causaal verband bestaat tussen de mededelingen van de verdachte (zoals hierna bewezen verklaard) en de beslissing van [naam 1] om de transactie aan te gaan, slaagt niet. Dat [naam 1] zich niet in de transactie had verdiept, de documenten niet heeft bestudeerd en alleen fiscale motieven had, doet er immers niet aan af dat de verdachte [naam 1] en zijn adviseur een transactie heeft voorgespiegeld en die heeft ingeleid op de wijze zoals hiervoor geschetst. Voldoende aannemelijk is dat [naam 1] – (tenminste) mede – onder invloed hiervan heeft besloten de transactie aan te gaan. Dat [naam 1] en [naam 5] thans naar elkaar wijzen voor de vraag wiens schuld het is dat zij dat destijds niet hebben doorzien, en dat [naam 5] heeft gewaarschuwd voor de fiscale risico’s, doet daaraan in de omstandigheden van dit geval niet af. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat [naam 1] de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.

Gelet op het voorgaande en de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II, onder het kopje feit 1, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [naam bedrijf 1] .

5.2.

Feit 2

5.2.1.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging liggen in het verlengde van hetgeen hiervoor bij feit 1 is vermeld.

5.2.2.

Beoordeling

Over feit 2 kan de rechtbank kort zijn. In het verlengde van hetgeen hiervoor over feit 1 is overwogen en op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II, onder het kopje ‘feit 2’, is ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen. In aanvulling daarop wordt nog het volgende overwogen. Het verweer dat [naam 6] door de verstrekte informatie niet is bewogen tot de transactie, slaagt niet. De verdachte heeft zich jegens [naam 6] gepresenteerd als iemand die een vastgoedportefeuille aan het opbouwen was in Zweden en al substantiële investeringen daarin had. Hij had het vertrouwen opgewekt dat hij deze transactie op de juiste manier kon vormgeven en uitvoeren. Dat op enig moment daarbij gebruik gemaakt is van de vennootschap [naam bedrijf 7] als koper, doet daaraan niet af. De betreffende handelingen worden toegerekend aan de verdachte.

5.3.

Feit 3

5.3.1.

Standpunt van de officier van justitie en van de verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde antedateren van de in feit 3 genoemde overeenkomsten kan worden bewezen. Verder hebben zij beiden tot vrijspraak geconcludeerd voor (kort gezegd) het in strijd met de waarheid vermelden in de International Licensing Agreement dat exclusieve rechten zijn verleend aan [naam bedrijf 8] .

5.3.2.

Beoordeling

Uit de in bijlage II, onder het kopje ‘feit 3’ opgenomen bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, samen met anderen, de in feit 3 bedoelde overeenkomsten tussen [naam bedrijf 9] aan [naam bedrijf 8] heeft geantedateerd. Het betreft de International Licensing Agreement (hierna: ILA), de Loan Agreement (hierna: LA) en de Amendment to the ILA (hierna: de Sideletter). Daarnaast volgt uit die bewijsmiddelen dat de verdachte in strijd met de waarheid in de ILA heeft doen vermelden dat [naam bedrijf 9] aan [naam bedrijf 8] exclusieve rechten heeft verleend als bedoeld in die overeenkomst. Dit wordt als volgt toegelicht.

Voor het antedateren geldt dat uit de emailwisseling zonder meer blijkt dat pas in de loop van november 2006 overeenstemming is ontstaan tussen [naam bedrijf 9] en [naam bedrijf 8] over het aangaan van de drie hiervoor genoemde overeenkomsten. Dat wist de verdachte en toch heeft hij op 18 november 2006 de overeenkomsten aan [naam 7] , een bestuurder/functionaris van [naam bedrijf 9] (hierna: [naam 7] ) toegezonden met het verzoek te ondertekenen. Nadien heeft hij (via [naam 2] ) de directeur van [naam bedrijf 8] gevraagd om te tekenen. De overeenkomsten waren gedateerd op 1 september 2006. Uit de emailwisseling van 18 november 2006 blijkt dat de verdachte zich er terdege van bewust was dat de overeenkomsten die datum hadden: hij had – zo schrijft hij zelf – de data net aangepast.

Voor het valselijk vermelden dat in de ILA exclusieve rechten zijn opgenomen voor [naam bedrijf 8] geldt het volgende. Het standpunt van de officier van justitie komt er op neer dat zowel [naam bedrijf 9] (in de persoon van [naam 7] ) als [naam bedrijf 8] (in de persoon van [naam 8] ) er bij ondertekening vanuit zijn gegaan dat er daadwerkelijk exclusieve rechten werden verleend door [naam bedrijf 9] aan [naam bedrijf 8] . Omdat de contractspartijen dit daadwerkelijk beoogden, is reeds daarom van valsheid in geschrifte geen sprake, aldus de officier van justitie. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit de emailcorrespondentie tussen de verdachte, zijn broer [naam broer verdachte] en [naam 7] enerzijds en de verdachte en [naam 2] anderzijds blijkt duidelijk dat het de verdachte is die deze transactie aanstuurde en in doorslaggevende mate bepaalde. Zo mailt hij op 13 september 2006 nog aan [naam 7] dat deze geen contact moet hebben met [naam bedrijf 8] (en in plaats daarvan – zo begrijpt de rechtbank: met de verdachte). [naam 7] , degene die namens [naam bedrijf 9] de ILA heeft ondertekend, begreep de transactie niet, zo blijkt uit de emailcorrespondentie en uit zijn verklaring. Medewerkers van [naam financieel adviesbedrijf] hebben namens [naam bedrijf 8] commentaar geleverd op de overeenkomsten, maar hun uiteindelijke opdrachtgever [naam 8] , de directeur en indirect eigenaar van [naam bedrijf 8] , had bij die overeenkomsten in feite geen belang. Het ging hem er slechts om dat iemand de aandelen in [naam bedrijf 8] van hem overnam en dat er een investering in [naam bedrijf 8] werd gedaan, zodat er niet over de herinvesteringsreserve afgerekend hoefde te worden. Het gaat hier materieel om een gestelde investering voor en door de koper van de aandelen in [naam bedrijf 8] , zoals ook is bevestigd door [naam 9] . De koper van die aandelen was [naam bedrijf 4] , de vennootschap waarvan de verdachte indirect eigenaar was en is.

Wat er in feite is gebeurd, is dat de verdachte heeft bewerkstelligd dat er een overeenkomst werd gesloten waarin (in ieder geval op papier) door [naam bedrijf 8] werd geïnvesteerd in exclusieve advertentierechten. Volgens de ILA kreeg [naam bedrijf 8] het exclusieve recht om gedurende acht jaar advertenties te verkopen die uitgezonden gaan worden door [naam bedrijf 9] . Daarvoor betaalde [naam bedrijf 8] een vergoeding van (afgerond) € 6 miljoen, die door middel van de LA werd omgezet in een lening met een looptijd van anderhalf jaar. De opbrengsten van de advertenties mocht [naam bedrijf 8] behouden.

Deze transactie en de wijze van uitvoering daarvan roept echter de nodige vragen op.

(1)
Het gaat om advertenties gericht op Spaanstalige Amerikanen in de Verenigde Staten. Het is onduidelijk hoe [naam bedrijf 8] die advertenties feitelijk zou gaan verkopen. Niet gebleken is dat [naam bedrijf 8] hiervoor personeel had of dat zij overeenkomsten had gesloten om te bewerkstelligen dat anderen dit voor haar zouden doen. Van enige uitvoeringshandeling gericht op de daadwerkelijke verkoop van advertenties, of zelfs maar voorbereidingen daartoe, is niet gebleken. De verdachte zegt hier zelf niets over.

Opmerkelijk is bovendien dat de koper van de aandelen in [naam bedrijf 8] , [naam bedrijf 4] , onderdeel uitmaakt van een groep van ondernemingen die zich naar eigen zeggen van de verdachte vooral bezig houdt met investeringen in vastgoed. Een investering in advertentierechten past daar niet goed in.

(2)

In de email 3-D026 spreekt de verdachte met zijn broer er over dat de transactie een sale and lease back betreft, waarvoor een vergoeding van € 126.000 betaald zou worden. Niet duidelijk is hoe deze opmerking zich verhoudt met het idee dat [naam bedrijf 8] een investering doet. In de ILA zit geen component van een sale and lease back, er is geen terug-verhuurovereenkomst gevonden in de emailcorrespondentie en niet gebleken is dat er een separate terug-verhuurovereenkomst is gesloten. Document 3-D-032 bevat wel een beschrijving van de transactie door de verdachte waarin een dergelijke overeenkomst wordt genoemd, maar in de latere emails wordt daaraan geen opvolging gegeven. Enige uitleg hiervoor ontbreekt.

(3)

De ILA heeft een looptijd van acht jaar, de LA een looptijd van anderhalf jaar. De vraag is waarom [naam bedrijf 8] een investering doet met een looptijd van acht jaar, terwijl het investeringsbedrag al veel eerder moet worden geherfinancieerd. Daar kan uiteraard een legitieme reden voor zijn. Het is echter zonder meer opvallend dat de verdachte in een email (kennelijk gericht aan [naam 10] ) een beschrijving geeft van de deal en daarbij schrijft:

‘General: All contracts will state that the Sellers loan needs to be re-financed no later than within 1,5 years after this you are free to declare default. This will able you to control the asset.’

Het is de rechtbank niet duidelijk waarom de verdachte een transactie voorstelt waarbij [naam bedrijf 9] controle kan houden over de asset door een ‘default’ te verklaren. Vanuit het standpunt van de investerende koper is het veeleer logischer om voor te stellen dat de looptijd van de lening gelijk is aan de looptijd van de ILA, eventueel met de mogelijkheid van een vervroegde aflossing door [naam bedrijf 8] . Enige uitleg van de verdachte waarom hij dit heeft voorgesteld, ontbreekt.

(4)

In het verlengde van het vorige punt: de ILA bepaalt dat deze kan worden opgezegd met inachtneming van een termijn van drie maanden. Ook dit is niet goed te begrijpen tegen de achtergrond dat [naam bedrijf 8] een legitieme investering zou doen om zo de herinvesteringsreserve te gebruiken.

(5)

Over de wijze waarop [naam bedrijf 9] met de gestelde investering is omgegaan, valt het volgende op te merken.

a. [naam bedrijf 9] was in 2006 en 2007 bezig met de voorbereiding van een beursgang. In dat kader is een zogeheten (concept) REG-A document opgesteld, naar de rechtbank begrijpt een prospectus. Die REG-A bevat een omvangrijke beschrijving van de risico’s die [naam bedrijf 9] (en daarmee de kopers van de aandelen) loopt en gaat ook in op de activa van [naam bedrijf 9] . In die prospectus wordt geen melding gemaakt van een transactie waarin [naam bedrijf 9] een deel van haar toekomstige inkomstenstromen heeft overgedragen aan [naam bedrijf 8] , terwijl in de prospectus wel staat dat de omzet op dat moment verwaarloosbaar is en [naam bedrijf 9] het moet hebben van de reclameomzet. Het ging klaarblijkelijk om een aandelenemissie van USD 1 tot 5 miljoen en dat maakt een investering door [naam bedrijf 8] van (afgerond) 6 miljoen euro tot een materieel punt. Ook in de jaarrekeningen van [naam bedrijf 9] over 2006 en 2007 wordt geen melding gemaakt van betalingen / betalingsverplichtingen die kunnen zien op de ILA en de LA. Eerst in september 2008 wordt in publieke documentatie van (de rechtsopvolger van) [naam bedrijf 9] melding gemaakt van een overeenkomst met [naam bedrijf 8] .

b. Het dossier bevat credit en debet-nota’s op naam van [naam bedrijf 9] , waarin renteverplichtingen onder de LA en opbrengsten onder de ILA zijn vermeld. Dat suggereert dat er advertenties zijn verkocht. [naam 11] , een van de bestuursleden van [naam bedrijf 9] (hierna: [naam 11] ), heeft echter verklaard dat [naam bedrijf 9] slechts enkele maanden heeft uitgezonden en dat er geen of nauwelijks reclame (anders dan voor eigen programma’s en de eigen zender) werd uitgezonden. Ook [naam 12] zegt dat er geen reclames zijn uitgezonden en [naam 7] heeft verklaard dat er alleen kosten waren en geen inkomsten. [naam bedrijf 9] heeft blijkens informatie van de Amerikaanse belastingdienst ook nooit aangifte gedaan van enige omzet.

De verdachte heeft verklaard dat hem een onjuist beeld is voorgespiegeld over [naam bedrijf 9] , maar dat verklaart niet waarom er nota’s zijn voor reclame inkomsten terwijl die inkomsten er kennelijk niet waren.

(6)

[naam 11] heeft verklaard niets te weten van de gestelde investering van [naam bedrijf 8] .

Samenvattend leidt het voorgaande tot de volgende vaststellingen.

[naam bedrijf 8] kreeg op papier voor circa zes miljoen euro het recht om in Amerika reclametijd te verkopen, maar van enige (voorbereiding op de) daadwerkelijke verkoop door of namens [naam bedrijf 8] is niet gebleken. De verkopende partij, [naam bedrijf 9] , heeft geen melding gemaakt van de gestelde transactie bij de beoogde beursgang in de Verenigde Staten, heeft niet of nauwelijks reclames uitgezonden en had geen of nauwelijks inkomen, maar stuurde wel nota’s naar [naam bedrijf 8] om dit af te rekenen. Ook de wijze waarop de transactie is vormgegeven, roept diverse vragen op. Dit alles schreeuwt om een uitleg van de zijde van de verdachte, maar die uitleg heeft hij niet gegeven.

Zonder die uitleg komt de rechtbank op basis van de hiervoor besproken stukken tot de conclusie dat de transactie tussen [naam bedrijf 8] en [naam bedrijf 9] geen reële basis had en dat het er slechts om ging dat [naam bedrijf 8] op papier investeerde in [naam bedrijf 9] om te voorkomen dat [naam bedrijf 8] moest afrekenen over de herinvesteringsreserve. [naam bedrijf 4] , het bedrijf van de verdachte, ontving hiervoor een vergoeding bij de aanschaf van de aandelen in [naam bedrijf 8] .

De rechtbank concludeert daarom dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen is.

5.4.

Feit 4

5.4.1.

Standpunt officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan het meer subsidiair tenlastegelegde bewezen worden. De factuur van de verdachte is gericht aan [naam bedrijf 10] , terwijl de werkzaamheden zijn verricht voor [naam bedrijf 11] . De verdachte werkte kennelijk als een onafhankelijk bemiddelaar voor [naam bedrijf 11] en niet als onderaannemer van [naam bedrijf 10] . Het feit dat de werkzaamheden van de verdachte mede betrekking hadden op een project dat werd uitgevoerd door [naam bedrijf 10] , maakt dit niet anders.

5.4.2.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het opzet van de verdachte niet was gericht op de onjuiste tenaamstelling van de factuur. De verdachte heeft werkzaamheden verricht in opdracht van de heer [naam 13] , directeur van [naam bedrijf 11] (hierna: [naam 13] ). Hij had met [naam 13] niet besproken voor welke vennootschap hij zijn werkzaamheden zou verrichten. [naam 13] heeft hem vervolgens verzocht om de factuur naar [naam bedrijf 10] te sturen. De verdachte was dan ook in de veronderstelling dat [naam bedrijf 10] een bedrijf was van [naam 13] en dat hij zijn werkzaamheden voor [naam bedrijf 10] had verricht.

5.4.3.

Beoordeling

Op basis van de verklaringen in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte werkzaamheden heeft verricht in opdracht van [naam 13] en dat de verdachte op verzoek van [naam 13] de factuur voor deze werkzaamheden heeft gestuurd naar [naam bedrijf 10] . De verdachte heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van de naam van de vennootschap waarvoor hij de werkzaamheden verrichtte. Nadat [naam 13] de verdachte had verzocht de factuur naar [naam bedrijf 10] te sturen, meende de verdachte dat [naam bedrijf 10] van [naam 13] was en hij zijn werkzaamheden voor deze vennootschap had verricht. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om deze verklaring onjuist of ongeloofwaardig te achten. [naam 13] was weliswaar directeur van [naam bedrijf 11] , maar uit de verklaringen en stukken in het dossier blijkt niet dat de verdachte wist of had moeten begrijpen dat hij zijn werkzaamheden voor [naam bedrijf 11] verrichtte. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dan ook niet onaannemelijk. Gelet hierop dient hij te worden vrijgesproken van feit 4.

5.5.

Feit 5

5.5.1.

Inleiding

Dit onderdeel van de tenlastelegging gaat over de verdenking van belastingfraude voor de belastingjaren 2003, 2004, 2006 en 2007 door opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangiften IB te doen of laten doen, zoals strafbaar gesteld in artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Subsidiair is het valselijk opmaken van de aangiften over die jaren tenlastegelegd als valsheid in geschrift, zoals strafbaar gesteld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Deze verdenking is voortgekomen uit een FIOD-onderzoek dat heeft plaatsgevonden nadat de verdachte voor genoemde belastingjaren op de hem toegestuurde aangifteformulieren steeds nihil als zijn inkomen had opgegeven. Het onderzoeksrapport heeft geleid tot (navorderings) aanslagen op basis van de volgende inkomstenbronnen:

- in 2003 en 2004: resultaat uit werkzaamheden (provisie voor handel in vennootschappen) en

- in 2006 en 2007: fictief loon, als houder van een aanmerkelijk belang in [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 12] (artikel 12a Wet op de Loonbelasting 1964).

Verder is in het onderzoeksrapport de conclusie getrokken dat in de onderhavige belastingjaren sprake is geweest van inkomsten wegens privégebruik van een auto van de zaak en van inkomen uit sparen en beleggen (vorderingen op derden).

5.5.2.

Standpunt officier van justitie

Volgens de officier van justitie waren de aangiften onjuist en wist de verdachte dat. Hij heeft inkomsten genoten maar steeds een verzamelinkomen van nihil aangegeven. Voor de verschillende bronnen van inkomsten en de hoogte daarvan verwijst de officier van justitie naar het FIOD-rapport. De officier van justitie concludeert tot de bewezenverklaring van het (primair tenlastegelegde) opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB door de verdachte voor de belastingjaren 2003, 2004, 2006 en 2007.

5.5.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot dit onderdeel van de tenlastelegging alleen een strafmaatverweer gevoerd. In het pleidooi is aangegeven dat de verdachte erkent dat het opgegeven bedrag aan verzamelinkomen voor de onderhavige jaren onjuist is en dat hij spijt heeft van de onjuiste aangiftes.

5.5.4.

Beoordeling

Nu namens de verdachte is erkend dat het opgegeven bedrag aan verzamelinkomen onjuist is en gelet op de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II onder het kopje ‘feit 5’, zal zonder nadere motivering bewezen worden verklaard dat verdachte voor de belastingjaren 2003, 2004, 2006 en 2007 opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangiften IB heeft laten doen, zoals strafbaar gesteld in artikel 69 lid 2 AWR.

5.6.

Feit 6

5.6.1.

Inleiding

Dit onderdeel van de tenlastelegging betreft de verdenking van valsheid in geschrift in de zin van artikel 225 lid 1 Sr, door het valselijk opmaken of doen opmaken van een, al dan niet als bezwaarschrift aan te merken, aangifte IB voor het jaar 2005.

Deze verdenking is gebaseerd op het FIOD-onderzoeksrapport dat hiervoor is genoemd bij feit 5. Voor het jaar 2005 heeft dit rapport geleid tot (navorderings)aanslagen op basis van de inkomstenbronnen ‘aanmerkelijk belang’ en ‘fictief loon als houder van een aanmerkelijk belang’. Ook voor dit belastingjaar is in het onderzoeksrapport de conclusie getrokken dat sprake is geweest van inkomsten wegens privégebruik auto van de zaak en van inkomen uit sparen en beleggen (diverse vorderingen op derden).

5.6.2.

Standpunt officier van justitie

Volgens de officier van justitie heeft de verdachte opzettelijk een vals aangiftebiljet opgemaakt en het – de facto als bezwaarschrift – gebruikt door het aan de Belastingdienst toe te zenden. De uitsluiting (in artikel 69 lid 4 AWR) voor strafvervolging op grond van artikel 225 lid 2 Sr laat onverlet dat het gebruik van het aangiftebiljet als omstandigheid kan worden meegewogen.

Voor de verschillende bronnen van inkomsten en de hoogte daarvan verwijst de officier van justitie naar het FIOD-rapport. De officier van justitie concludeert tot de bewezenverklaring van het tenlastegelegde valselijk opmaken van een aangiftebiljet IB 2005, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs te dienen, met het oogmerk om dat als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Daaraan staat niet in de weg het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542. Anders dan in die casus strekt het onderhavige aangiftebiljet ertoe informatie te verstrekken, en is het niet bedoeld als bezwaarschrift. Het is slechts om juridische redenen geduid als bezwaarschrift.

5.6.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft, er van uitgaande dat het aanslagbiljet hier als bezwaarschrift tegen de aanslag heeft te gelden, aangevoerd dat dit bezwaarschrift niet is bestemd om tot bewijs te dienen, zoals uitgemaakt in het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2017. Op grond hiervan is vrijspraak bepleit.

5.6.4.

Beoordeling

Voor het belastingjaar 2005 is een ambtshalve aanslag opgelegd op 9 december 2008. Hiertegen is op 17 december 2008 namens de verdachte een pro forma bezwaarschrift ingediend via een door hem ingeschakeld advocatenkantoor. Dit is gevolgd door de indiening van een aangiftebiljet (ingevuld en ondertekend, niet van datum voorzien). Een niet tijdig ingediend aangiftebiljet waarmee bij de aanslagoplegging geen rekening kon worden gehouden, kan niet gelden als een aangifte in de zin van de belastingwetgeving (HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR: 2016:1333). Het aangiftebiljet van de verdachte is door de Belastingdienst daarom gezien als een bezwaarschrift tegen de aanslag.

Aan een tegen een belastingaanslag gericht bezwaarschrift als zodanig, voor zover dat bezwaarschrift er toe strekt het bedrag van de aanslag tot een bepaald bedrag te verminderen, komt geen bewijsbestemming toe in de zin van artikel 225 Sr, zoals de Hoge Raad onlangs in genoemd arrest van 3 oktober 2017 heeft uitgemaakt. De vraag is of dit ook geldt voor het onderhavige aanslagbiljet van verdachte. In de door de Hoge Raad berechte zaak was sprake van een bezwaarschrift tegen een opgelegde aanslag, in welk bezwaarschrift werd verwezen naar een bijgevoegde aangifte met het verzoek die als motivering aan te merken. De Hoge Raad heeft in het desbetreffende bewijsmiddel als vaststelling van het hof besloten geacht dat het aangiftebiljet de gronden uitdrukt van het bezwaar en daarmee als onderdeel van het bezwaar heeft te gelden. Naar het oordeel van de rechtbank ligt de zaak hier in de kern niet anders. Het pro forma bezwaarschrift, waarin staat dat het zich richt tegen het hele bedrag van de aanslag en waarin uitstel van betaling voor dat bedrag wordt gevraagd, kan niet anders worden begrepen dan als bezwaarschrift dat er toe strekt het bedrag van de aanslag te verminderen. De gronden en het beoogde bedrag waren evenwel niet vermeld. Het daarna ingediende aangiftebiljet dient in dat licht te worden geduid als een aanvulling van het pro forma bezwaarschrift, waaruit kan worden afgeleid wat de gronden van bezwaar zijn en tot welk bedrag de aanslag verminderd zou moeten worden. Het aangiftebiljet heeft daarom het karakter van onderdeel van het bezwaarschrift. Of dit onder omstandigheden anders is als het biljet zou dienen ter nadere onderbouwing van een reeds kenbaar gemaakte bezwaargrond - en in die zin gericht zou zijn op de verstrekking van informatie - kan in deze zaak verder onbesproken blijven.

Dit betekent dat het aangiftebiljet niet kan worden aangemerkt als een geschrift dat was bestemd om tot bewijs te dienen. De verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 6.

5.7.

Feit 7

Als feit 7 staat witwassen op de tenlastelegging. De beschuldiging betreft de verkrijging, het voorhanden hebben en gebruiken van geld dat van misdrijf – te weten: de feiten 1 tot en met 6 – afkomstig is.

Daarover wordt het volgende overwogen.

- Gelet op de veroordelingen voor de feiten 1 en 3 staat ook vast dat de in die zaken betaalde cash compensations afkomstig zijn van een misdrijf. De verdachte heeft die bedragen door middel van zijn vennootschappen verkregen en voorhanden gehad. Deze twee onderdelen van feit 7 zijn daarmee bewezen.

- Het in de tenlastelegging genoemde bedrag van SEK 1.368.939,35 ziet blijkens die tenlastelegging op zaak 2, maar met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de relatie tussen dit bedrag en de aan [naam bedrijf 7] verschuldigde cash compensation onvoldoende is gebleken. Voor dit onderdeel volgt daarom een partiële vrijspraak.

- Gelet op de vrijspraak voor feit 4 volgt ook een partiële vrijspraak voor het witwassen van het bedrag dat op dat feit ziet.

- Het is niet in geschil dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 771.722,- (dat deels ziet op feit 5) als ontdoken belasting niet juist is, en slechts het resultaat van een berekening is en geen voorwerp. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hiervoor een partiële vrijspraak dient te volgen.

- Voor feit 6 wordt verdachte vrijgesproken. Om die reden zal hij ook worden vrijgesproken van de desbetreffende verdenking dat hij een hierop betrekking hebbend bedrag aan ontdoken belasting heeft verworven of voorhanden heeft gehad.

5.8.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5 en 7 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

(primair)

hij in de periode van 1 september 2006 tot en met

15 december 2006 in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [naam bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van euro 176.376 en 400, aandelen in het aandelenkapitaal van [naam bedrijf 2] , (1-D-027), hebbende hij, verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgespiegeld dat ten behoeve van de aanwending van de (fiscale) herinvesteringsreserve (HIR) in de rechtspersoon [naam bedrijf 2] . (Zweeds) onroerend goed, te weten (een onderdeel van (43%) van) het onroerend goed [naam onroerend goed] , [plaats onroerend goed] , provincie [naam provincie] , Zweden, was aangekocht en/of beschikbaar was, en in de onderhandelingen en/of onderhandelingsbesprekingen over de aankoop van het Zweeds vastgoed en/of over de overname van de aandelen in [naam bedrijf 2] door [naam bedrijf 4] :

- al dan niet via (een) ander(en) -

-- mondeling -al dan niet schriftelijk en/of per e-mailmedegedeeld dat hij, verdachte, namens de [naam bedrijf 5] bezig is met het verwerven van een onroerend goedportfolio in Zweden met een waarde van 34,5 miljoen euro en dat hij, verdachte, reeds voor 16 miljoen euro binnen deze beoogde investering had verkregen

(1-D-009, en/of hij, verdachte, al 16, in elk geval meerdere, van dit soort deals (verkoop van een zogenaamde HIR-vennootschap) met succes gedaan had en

-- medegedeeld dat alvorens de aandelen worden verkocht is zorggedragen door verkoper dat de HIR (herinvesteringsreserve) is ingevuld middels ander onroerend goed en/of dat alvorens de aandelenoverdracht zal plaatsvinden [naam bedrijf 2] . in Zweeds onroerend goed van [naam bedrijf 3] zou (her)investeren (waardoor de gevormde HIR (herinvesteringsreserve) in [naam bedrijf 2] als eerste afschrijving in mindering gebracht wordt op de koopsom van het onroerend goed) (1-D-009, en

-- voorgewend dat [naam bedrijf 4] een bonafide partij is door het verstrekken en/of doen en/of laten verstrekken van een (valselijk opgemaakte) jaarrekening 2005 van [naam bedrijf 4] waarin was opgenomen dat de [naam bedrijf 5] (omtrent) 14 miljoen euro aan (Zweeds) onroerend goed bezit en/of het eigen vermogen (omtrent) 7,7 miljoen bedroeg

- per e-mail gericht aan [e-mailadres 1] en/of [e-mailadres 2] aan de

heer [naam 1] en/of de heer [naam 5] informatie verschaft omtrent het onroerend goedcode [naam onroerend goed] (1-D-016) en

-- een koopovereenkomst (Purchase Agreement) tussen [naam bedrijf 3] en

[naam bedrijf 2] opgesteld en door [naam 1] laten ondertekenen

(1-D-036) en

-- een leningsovereenkomst (Loan Agreement) tussen [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] opgesteld en/of door [naam 1] laten ondertekenen

(1-D-037-1) en/of

-- medegedeeld dat [naam bedrijf 2] onroerend goed in Zweden heeft gekocht,

terwijl dit in werkelijk niet heeft plaatsgevonden en

-- overeengekomen dat [naam bedrijf 1] en/of [naam 1] aan hem, verdachte, en/of [naam bedrijf 4] een vergoeding (cash compensation) ter waarde van 14% van de gevormde HIR (herinvesteringsreserve) verschuldigd is/zijn (1-D-019

-- ten overstaan van notaris mr. [naam notaris] de akte van aandelenoverdracht

ondertekend ,

waardoor die [naam bedrijf 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgiften.

2.

hij in de periode van 17 oktober 2006 tot en met 17 juli 2007 in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [naam bedrijf 13] en [naam bedrijf 14] heeft bewogen tot de afgifte van (totaal) euro 151.938 en (totaal) 118 aandelen in het aandelenkapitaal van [naam bedrijf 15] , hebbende hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk

-zakelijk weergegeven- valselijk en listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorspiegelen en/of doen voorspiegelen dat ten behoeve van de aanwending van de (fiscale) herinvesteringsreserve (HIR) in de rechtspersoon [naam bedrijf 15] . Zweeds onroerend goed, te weten (een deel van 23%)) het onroerend goed [naam onroerend goed] , [plaats onroerend goed] , provincie [naam provincie] , Zweden, was aangekocht en/of beschikbaar was, en in de onderhandelingen en/of onderhandelingsbesprekingen over de aankoop van het Zweeds vastgoed en over de overname van de aandelen in [naam bedrijf 15] door [naam bedrijf 7] :

- al dan niet via (een) ander(en) -

-- (mondeling en/of schriftelijk en/of door het verstrekken van bescheiden en/of per e-mail)

medegedeeld en/of doen mededelen dat hij, verdachte, namens de [naam bedrijf 5] bezig is met het verwerven van een onroerend goedportefeuille in Zweden met een waarde van 34,5 miljoen euro en dat hij, verdachte, reeds voor 16 miljoen euro binnen deze beoogde investering had verkregen en/of belangstelling had om te praten over een mogelijke overname enaan (al dan niet via [naam 2] ) [naam 14] en/of [naam bedrijf 15] toegezonden en/of doen toekomen een (concept van) een “purchase agreement en/of een “amendment to property contract” (2-D-012) enonderhandeld over de hoogte van de belastinglatentie en(2-D-012)

en

per mail aan (al dan niet via [naam 2] ) [naam 14] en/of [naam bedrijf 15] gezonden en/of doen toekomen ((een) afschrift(en) van)

--(een) (eenzijdig) door en/of op naam van [naam bedrijf 3] ondertekende “purchase agreement” en “loan agreement” en/of een “amendment to property contract”

(2-D-013) en

-- ter tekening door [naam bedrijf 15] de originele purchase agreement en loan

agreement en “amendment to property contract” aan [naam bedrijf 16] en/of [naam 14]

gezonden en/of doen toekomen (2-D-013) en

-- aangegeven dat de procedure met betrekking tot de overname van de aandelen van [naam bedrijf 15] in gang gezet kan worden (2-D-034) en

-- ten overstaan van notaris mr. [naam notaris] de akte van aandelenoverdracht

inzake het aandelenkapitaal in [naam bedrijf 15] doen en/of

laten ondertekenen, (2-D-052)

waardoor die [naam bedrijf 14] en [naam bedrijf 13] werden bewogen tot bovenomschreven afgiften.

3.

(primair)

hij in de maand november 2006 en/of december 2006, in Nederland en/of in de Verenigde Staten van Amerika, tezamen en in vereniging met anderen) dan wel alleen5, geschriften,

te weten

-- een ”International Licensing Agreement by and between [naam bedrijf 8] and [naam bedrijf 9] .” gedateerd 1 september 2006 (3-D-091 1-4) en

-- een “Loan Agreement” tussen [naam bedrijf 8] en [naam bedrijf 9] gedateerd 1 september 2006 (3-D-091 7-12) en

-- een “Amendment to international Licensing Agreement” tussen [naam bedrijf 8] en [naam bedrijf 9] gedateerd 1 september 2006 (3-D-091 5-6),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt , hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededaders toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

die geschriften geantedateerd en/of indie geschriften vermeld,

--als datum van ondertekening 1 september 2006 en

--dat [naam bedrijf 9] aan [naam bedrijf 8] de exclusieve rechten als bedoeld in genoemde International Licensing Agreement (3-D-091 1-4) voor een bedrag van USD 8.136.000 verleent/toekent,

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

5.

(primair)

hij in de periode van 18 september 2008 tot en met 28 januari 2009 in Nederlandmeermalen opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiftenInkomstenbelasting premie volksverzekeringen ten name van hem, verdachte, ( [naam verdachte] ) (burgerservicenummer [BSN-nummer] ) over debelastingjaren 2003 en2004 en 2006 en2007, (bijlage(n) 5-D-011, 5-D-148) onjuist en onvolledig heeft doen of laten doen door [naam 15] van [naam bedrijf 17] , immers heefthij, verdachte, in de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland ingeleverde/gezonden aangiften/aangiftebiljetten voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen (telkens) geen verzamelinkomen en geen bedrag aan loon en/of inkomen uit werk door die ander doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl die feitener toe strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven.

7.

hij in de periode van 15 december 2006 tot en met 28 juni 2011 in Nederland en in Zweden, meermalen voorwerpen, te weten een geldbedrag ad. euro 174.608,85 (zaak 1 dossiernummer 45138 ( [naam bedrijf 2] )) (1-D-125 blz 1911);

en

een geldbedrag ad. euro 672.887,85, (zaak 3 dossiernummer 45138 ( [naam bedrijf 8] ) (3-D-075 blz 3 1074);

heeft verworven en/of voorhanden gehad terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedragen

onmiddellijk afkomstig waren uit enige misdrijven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

Kwalificatie-uitsluitingsgrond ten aanzien van feit 7

Standpunt van de officier van justitie

Aangevoerd is dat - voorzover bewezen - het enkel gaat om het verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen die afkomstig zijn uit eigen misdrijf zonder dat er sprake was van een verhullingshandeling, terwijl eenvoudig witwassen (artikel 420bis.1 Sr) ten tijde van de tenlastegelegde periode niet van toepassing is.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich, bij een bewezenverklaring, op het standpunt dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond aan de orde is, zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte handelingen heeft verricht die gericht geweest zijn op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst hiervan en dat de in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontstane kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. Het bewezenverklaarde is niet strafbaar, zodat de verdachte in zoverre ontslagen wordt van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van feiten 1, 2, 3, 5:

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de overige bewezenverklaarde feiten uitsluiten. Die feiten zijn dus strafbaar.

De bewezenverklaarde feiten leveren op:

1.

oplichting;

2.

oplichting;

3.

het medeplegen van valsheid in geschrift, alsmede

valsheid in geschrift;

5.

het doen plegen van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

De feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld

De verdachte hield zich beroepsmatig bezig met de fiscale advisering en met handel in vennootschappen met omvangrijke herinvesteringsreserves (hierna HIR). Daarbij heeft hij zich schuldig gemaakt aan oplichting. De verdachte had zich aan [naam 1] en [naam 6] en diens (belasting)adviseurs gepresenteerd als een succesvol zakenman. Hij spiegelde hen tijdens de onderhandelingen en in de communicatie geraffineerd voor dat hij bezig was met het verwerven van een Zweeds onroerend goedportfolio ter waarde van € 34.500.000,- en dat hij reeds € 16.000.000,- binnen deze beoogde investering had verworven, terwijl hij noch het economisch, noch het juridisch eigendom van dat onroerend goed had verworven. De verdachte wist met deze onware medelingen [naam 1] , [naam 6] en hun adviseurs ertoe te bewegen dat zij op voorstel van de verdachte overgingen tot de verkoop van de aandelen van hun vennootschapen ( [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 15] ) aan de verdachte. Hij ontving hiervoor van beiden een aanzienlijke vergoeding (de zogeheten cash compensation). Deze vennootschappen hebben bovendien hierdoor de financiële risico's gelopen (en ondervonden) wegens fiscale naheffingen.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het opmaken van een valse licentieovereenkomst door in strijd met de waarheid deze overeenkomst te dateren op 1 september 2006 en hierin te vermelden dat [naam bedrijf 8] reclameopbrengsten zou verkrijgen van uitgezonden reclame door [naam bedrijf 9] tegen een bedrag van $ 8.136.000,-. Deze overeenkomst diende als basis voor de aandelenoverdracht van [naam bedrijf 8] met een omvangrijke HIR met de mogelijkheid tot afboeking van de bovengenoemde investering aan licentierechten door [naam bedrijf 8] tegen betaling van een forse cash compensation aan de verdachte. De verdachte heeft met deze frauduleuze handelingen ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat men in het maatschappelijk verkeer moet kunnen stellen in de waarheidsgetrouwheid van geschriften met een bewijsfunctie.

De bovenstaande feiten zijn ernstige vermogensdelicten die de integriteit van de financiële dienstverlening in de belastingadviespraktijk en de accountancy aantasten. De verdachte heeft slechts zijn eigen financiële voordeel voor ogen gehad zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn handelen voor anderen. Door zijn handelwijze hebben niet alleen voornoemde bedrijven vermogensschade geleden als gevolg van de door de belastingdienst later opgelegde navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting, maar zijn ook bij de transacties betrokken adviseurs en accountants geschaad.

De verdachte heeft verder belastingfraude gepleegd over een periode van vier jaar door telkens

opzettelijk een verzamelinkomen van nihil op te (laten) geven. Hij verzweeg opzettelijk inkomsten, informatie en (buitenlands) vermogen in de (digitale) aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aan de belastingdienst. Ook hier heeft de verdachte alleen aan zijn eigen financiële positie gedacht. Door deze handelwijze wordt de samenleving geschaad.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

8.4.

Strafmaatverweren

8.4.1.

Strafmaatverweer specifiek voor feit 5

De verdediging heeft aangevoerd dat het nadeel dat de Belastingdienst heeft geleden kleiner is dan in de stukken is berekend. Dit geldt voor zowel de nadeelberekening van 13 oktober 2011 door de Belastingdienst (stuk 5-D-149) als voor de bedragen die zijn genoemd in de brief van de Belastingdienst van 28 juni 2017. De verdediging neemt het standpunt in dat het belastingnadeel € 170.000,- betrof, daarbij verwijzend naar een berekening door de toenmalig vertegenwoordiger van de verdachte in de fiscale bezwaarprocedures. Het belastingnadeel is niet eenvoudig en niet onomstotelijk vast te stellen, omdat deels sprake is geweest van schattingen. Volgens de verdediging is het onaannemelijk dat het compromis met de Belastingdienst, op basis waarvan verdachte € 250.000,- heeft betaald voor de aanslagen IB over de jaren 2003 tot en met 2007, alleen was ingegeven doordat bij de Belastingdienst geen verhaalsmogelijkheden bekend waren.

Volgens de officier van justitie was het ontbreken van verhaalsmogelijkheden de enige reden voor het aangaan van het compromis.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

De rechtbank stelt vast dat uitgaande van de nadeelberekening van 13 oktober 2011 (5-D-149) over de jaren 2003, 2004, 2006 en 2007 sprake zou zijn van een nadeel wegens te weinig geheven inkomstenbelasting van € 231.428,- (pv p. 53). In de brief van 28 juni 2017 worden aanzienlijk hogere bedragen genoemd. Rekening houdend met de betaling van € 250.000,- en het intrekken door de verdachte van zijn bezwaren tegen de opgelegde aanslagen, gaat het volgens die brief om de navolgende onbetaald gebleven bedragen:

- 2003: € 149.160,-

- 2004: € 16.695,-

- 2006: € 337.985,-

- 2007: € 109.929, -,

in totaal: € 613.769,-.

Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat in het compromis ook zijn betrokken aanslagen IB 2008 en 2009 en de bijdrage zorgverzekeringswet 2009. De bedragen van die aanslagen zijn niet vermeld in de brief van 28 juni 2017.

Hoe de afboeking van het bedrag van € 250.000,- op de verschillende aanslagen (en op de aanslag voor 2005) heeft plaatsgevonden, is niet in de brief en/of in de bijgevoegde vaststellingsovereenkomst aangegeven.

De rechtbank vindt het in deze situatie niet redelijk voor de bepaling van het benadelingsbedrag zonder meer uit te gaan van de vastgestelde aanslagen. Uit de stukken wordt niet duidelijk waardoor het verschil met de aanvankelijke berekening van de benadeling op een bedrag van € 231.428,- is veroorzaakt. De rechtbank kan niet vaststellen of / in hoeverre dit te maken heeft met inkomsten wegens privégebruik van een auto van de zaak en met inkomen uit sparen en beleggen. Daarom gaat de rechtbank naar redelijkheid uit van een benadelingsbedrag in de orde van grootte van € 250.000,-. Het destijds namens de verdachte ingenomen standpunt dat het belastingnadeel € 170.000,- betrof, sluit daarbij in voldoende mate aan.

Dat de verdachte uiteindelijk het bedrag van € 250.000,- alsnog heeft betaald, doet niet af aan de strafwaardigheid van de namens hem gedane onjuiste aangiften. Die betaling is immers door de belastingdienst afgedwongen.

8.4.2.

Schending van de redelijke termijn

De verdachte heeft voorts aangevoerd dat in strafverminderende zin rekening moet worden gehouden met een ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en de ouderdom van de feiten.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 28 juni 2011 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

In het onderhavige geval is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van bijzondere omstandigheden.

In de eerste plaats betreft het dossier een omvangrijk en complex fraudeonderzoek met diverse onderzoekshandelingen die mede in het buitenland hebben plaatsgevonden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval de redelijke termijn 12 maanden langer is dan de periode van 24 maanden die uitgangspunt is.

In de tweede plaats vormt de invloed van de verdediging een bijzondere omstandigheid. De FIOD heeft het dossier voor aanvang van de terechtzitting van 1 december 2011 verstrekt. De verdediging heeft op deze terechtzitting haar onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Door de rechtbank is het verzoek tot het horen van acht getuigen toegewezen, waarna de verhoren hebben plaatsgevonden in het binnen- en buitenland met een afronding van het laatste getuigenverhoor op 11 april 2014. De verdediging heeft op de terechtzitting van 16 december 2015 aanvullend verzocht om het verhoor van drie getuigen waarvan twee getuigen woonachtig waren in het buitenland. De laatste getuige is verhoord op 18 mei 2017. De rechter-commissaris heeft blijkens diens proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2017 verslag gedaan van het staken van zijn pogingen om de derde getuige, de broer van de verdachte, te horen. Deze onderzoekswensen van de verdediging hadden ook op de terechtzitting op 1 december 2011 kenbaar gemaakt kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat de vertraging daarom deels te wijten is aan de wijze van procederen van de verdediging, zodat de vertraging die opgetreden is vanaf 16 december 2015 tot en aan de inhoudelijke behandeling in oktober 2017 voor haar rekening komt, te weten 22 maanden.

Per saldo dient hier, als gevolg van bijzondere omstandigheden, te worden uitgegaan van een redelijke termijn van (24 + 12 + 22 = ) 58 maanden.

Tussen voornoemde datum van inverzekeringstelling en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim 77 maanden. Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van 19 maanden. Dit dient te worden gecompenseerd door vermindering van de op te leggen gevangenisstraf. Daarnaast is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat er, ook los van de redelijke termijn, rekening gehouden moet worden met de ouderdom van de feiten. De wijze waarop en de omvang waarin dat gebeurt, worden hierna toegelicht.

8.4.3.

Strafmaatverweer op andere factoren

De verdediging heeft voorts verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de financiële problemen van de verdachte door het ontbreken van inkomsten en de veroordeling in een civiele procedure tot betaling van bijna € 700.000,-. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding.

8.5.

Afrondende beoordeling

Gezien de ernst van de feiten en de omvang van de fraude kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in doorgaans in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en met de gepubliceerde Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken bij fraude. De rechtbank stelt in dit verband het benadelingsbedrag vast aan de hand van de cash compensatie bij de aandelenoverdrachten uit de feiten 1, 2 en 3, te weten (afgerond): € 176.000,-, € 152.000,- en € 672.000,-. Voorts dient ten aanzien van feit 5 te worden uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 250.000,-, zoals hiervoor is overwogen. De rechtbank komt derhalve op een totaal benadelingsbedrag van (afgerond) € 1.250.000,-, verspreid over meerdere strafbare feiten.

De rechtbank weegt in het nadeel van de verdachte mee de veelheid aan feiten en de lange periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden.

De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de hiervoor vastgestelde schending van de redelijke termijn en de ouderdom van de feiten. Deze twee omstandigheden hebben geleid tot een straf die 12 maanden lager is dan de rechtbank anders passend en geboden had gevonden.

De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden is.

9 Vordering benadeelde partij

9.1.

Inleiding

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ., gevestigd te Rotterdam ter zake van het onder 1 ten laste gelegde strafbare feit. De benadeelde partij vordert € 354.355,90 aan materiële schade. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende schadeposten: nagevorderde vennootschapsbelasting over 2005 en 2006 € 437.592,-, de betaalde vergoeding € 176.376,- bij de aandelenoverdracht [naam bedrijf 2] aan de verdachte, de kosten van rechtsbijstand

€ 52.887,90, minus de bij derde verhaalde schade € 312.500, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De raadsman, mr. G.A. Dorsman, heeft ter terechtzitting de vordering gewijzigd in die zin dat wordt verzocht in plaats van de voornoemde rechtsbijstandskosten een proceskostenvergoeding ter hoogte van € 1.788,- overeenkomstig tarief VII van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, te vermeerderen met een vergoeding van de nog te maken kosten van de toekomstig tenuitvoerlegging.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie concludeert dat er sprake is van zogenoemde fraus legis en dat de benadeelde partij daarom geen recht heeft op een schadevergoeding die ziet op de voornoemde nagevorderde vennootschapsbelasting, maar dat zij dit recht wel heeft met betrekking tot de aan de verdachte betaalde vergoeding van € 176.376,-. Op deze vergoeding dient echter de genoemde niet-gespecificeerde verhaalde schade pro rata (€ 613.959,-/€ 312.500,-) in mindering te worden gebracht, zodat toegewezen kan worden een bedrag van € 86.600,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2006, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 365 dagen vervangende hechtenis en met toepassing van voornoemd liquidatietarief voor proceskosten ter hoogte van € 1.788,- en de kosten van toekomstige tenuitvoerlegging.

9.3.

Standpunt verdediging

De verdediging verzoekt de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij primair wegens de door haar bepleite vrijspraak en subsidiair wegens een onevenredige belasting van het strafproces door de behandeling van deze vordering. De benadeelde partij had immers geen voornemen tot herinvesteringen, zodat zonder enig handelen van de verdachte de vennootschapsbelasting toch verschuldigd zou zijn geweest als gevolg van de vrijval van de HIR in het resultaat. De suggestie dat dit nog voorkomen had kunnen worden, zou nader onderzocht moeten worden. Daarnaast is de schade mede het gevolg van het eigen handelen van de benadeelde partij, omdat de benadeelde partij zich niet verdiept heeft in de transactie en het negatieve advies van zijn adviseur volledig genegeerd heeft.

9.4.

Beoordeling

Gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vordering niet eenvoudig van aard is en dat deze nader onderbouwd dient te worden. Dit vereist nader onderzoek. De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert daarom een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank ziet gelet op deze beslissing aanleiding om te bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

9.5.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

10 Voorlopige hechtenis

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het bevel tot voorlopige hechtenis, die al eerder was geschorst, thans dient te worden opgeheven.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 57, 225 en 326 Sr en artikel 69 AWR, zoals deze artikelen golden ten tijde van de feiten.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 4 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de 1, 2, 3, 5 en 7 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het onder 7 bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het bewezen verklaarde onder 1, 2, 3 en 5 oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. R.J.A.M. Cooijmans en S.N. Abdoelkadir, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van

1 september 2006 tot en met 15 december 2006, in elk geval in het jaar 2006,

te Rotterdam en/of 's-Graveland en/of (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels

[naam bedrijf 1] en/of [naam 1]

(telkens) heeft bewogen en/of door (een) ander(en) doen bewegen

tot de afgifte van euro 176.376 of daaromtrent, althans enig(e) geldbedrag(en), in elk geval van enig(e) goed(eren),

en/of

400, in elk geval een of meer, aandelen in het aandelenkapitaal van [naam bedrijf 2] , in elk geval van enig(e) goed(eren)

(1-D-027),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk

-zakelijk weergegeven-

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

(telkens)

voorgespiegeld en/of doen voorspiegelen

dat ten behoeve van de aanwending van de (fiscale) herinvesteringsreserve (HIR) in de rechtspersoon [naam bedrijf 2] (Zweeds) onroerend goed, te weten (een onderdeel van (43%) van) het onroerend goed [naam onroerend goed] , [plaats onroerend goed] , provincie [naam provincie] , Zweden, was aangekocht en/of beschikbaar was,

en/of

in de onderhandeling(en) en/of onderhandelingsbespreking(en) over de aankoop van het Zweeds vastgoed en/of over de overname van de aandelen in [naam bedrijf 2] door [naam bedrijf 4] :

- al dan niet via (een) derde(n) en/of (een) ander(en) -

-- (mondeling –al dan niet via een presentatie- en/of schriftelijk en/of per e-mail)

medegedeeld dat hij, verdachte, namens de [naam bedrijf 5] bezig is met het verwerven van een onroerend goedportfolio in Zweden met een waarde van 34,5 miljoen euro en dat hij, verdachte, reeds voor 16 miljoen euro binnen deze beoogde investering had verkregen (1-D-009, 1-D-010)

en/of hij, verdachte, al 16, in elk geval meerdere, van dit soort deals (verkoop van een zogenaamde HIR-vennootschap) met succes gedaan had

en/of

-- medegedeeld dat alvorens de aandelen worden verkocht is zorggedragen door verkoper dat de HIR (herinvesteringsreserve) is ingevuld middels ander onroerend goed en/of dat alvorens de aandelenoverdracht zal plaatsvinden [naam bedrijf 2] in Zweeds onroerend goed van [naam bedrijf 3] zou (her)investeren (waardoor de gevormde HIR (herinvesteringsreserve) in [naam bedrijf 2] als eerste afschrijving in mindering gebracht wordt op de koopsom van het onroerend goed)

(1-D-009, 1-D-010)

en/of

-- medegedeeld dat de hele deal erop geënt was om binnen het Zweeds recht de HIR (herinvesteringsreserve) op een legale manier te benutten en/of alles onder het Zweedse recht legaal was

en/of

-- voorgewend dat [naam bedrijf 4] een bonafide partij is en/of een (groeps- en/of bank- en/of bedrijfs)garantie en/of een volledige fiscale vrijwaring wordt verschaft (1-D-009)

en/of

-- voorgewend dat [naam bedrijf 4] een bonafide partij is door het verstrekken en/of doen en/of laten verstrekken van

een (valselijk opgemaakte) jaarrekening 2005 van [naam bedrijf 4] waarin was opgenomen dat de [naam bedrijf 5] (omtrent) 14 miljoen euro aan (Zweeds) onroerend goed bezit en/of het eigen vermogen (omtrent) 7,7 miljoen bedroeg en/of welke jaarrekening door de samensteller [naam 16] was ondertekend met de titel 'AA' en/of een accountantsverklaring gedateerd 15 november 2006 afgegeven op naam van / door [naam bedrijf 18] ( [naam 16] ) en/of een Reference & Contact List for [naam bedrijf 4] Companies en/of bankverklaring op naam van [naam bank 2] gedateerd 7 juli 2005 (1-D-121-123)

en/of

-- concept suggesties betreffende een onroerend goed overeenkomst en/of een basis leningsovereenkomst en/of een side letter en/of een afschrift van een akte per e-mail verzonden aan [e-mailadres 1] en/of [e-mailadres 2] en/of doen toekomen aan [naam 5] (1-D-011, 1-D-013)

en/of

-- in/binnen zijn, verdachtes, packagedeal aangeboden dat hij, verdachte, namens [naam bedrijf 2] de onderhandelingen over de aankoop zou voeren

en/of

-- medegedeeld dat hij, verdachte, en/of [naam bedrijf 4] het economisch eigendom van het onroerend goed reeds bezat(en) en/of “heer en meester” over het onroerend goed was/waren

en/of

-- per e-mail gericht aan [e-mailadres 1] en/of

[e-mailadres 2] aan de heer [naam 1] en/of de heer [naam 5] informatie verschaft omtrent het onroerend goedcode [naam onroerend goed] (1-D-016)

en/of

-- een koopovereenkomst (Purchase Agreement) tussen [naam bedrijf 3]

en [naam bedrijf 2] opgesteld en/of door

[naam 1] laten ondertekenen (1-D-036)

en/of

-- een leningsovereenkomst (Loan Agreement) tussen [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] opgesteld en/of door [naam 1] laten ondertekenen (1-D-037-1)

en/of

-- medegedeeld dat [naam bedrijf 2] onroerend goed in

Zweden heeft gekocht, terwijl dit in werkelijk niet heeft plaatsgevonden

en/of

-- medegedeeld en/of overeengekomen dat [naam bedrijf 1] en/of [naam 1] aan hem, verdachte, en/of [naam bedrijf 4] een vergoeding (cash compensation) ter waarde van 14% van de gevormde HIR (herinvesteringsreserve) verschuldigd is/zijn

(1-D-019, 1-D-20)

en/of

-- ten overstaan van notaris mr. [naam notaris] de akte van

aandelenoverdracht ondertekend en/of doen en/of laten ondertekenen

(1-D-027),

waardoor die [naam bedrijf 1] en/of [naam 1] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

artikel 326 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op 29 december 2006 en/of op 16 oktober 2007, in elk geval op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 16 oktober 2007,

te Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam 1] en/of (een) ander(en), meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

(een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten (een) (digitale) aangifte(n) Vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2005 en/of het belastingjaar 2006 ten name van (de fiscale eenheid) [naam bedrijf 1] (fiscaalnummer [nummer] ),

(bijlage 1-D-068, 1-D-069)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of laten doen door (een) ander(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

(telkens) opzettelijk op/in die/dat bij Belastingdienst en/of de inspecteur der belastingen te Rotterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting (telkens) een te lage belastbare winst en/of een te laag belastbaar bedrag opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl dat/die feit(en) er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

meer subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op 29 december 2006 en/of op 16 oktober 2007, in elk geval op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 16 oktober 2007,

te Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

(een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten (een) (digitale) aangifte(n) Vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2005 en/of het belastingjaar 2006 ten name van (de fiscale eenheid) [naam bedrijf 1] (fiscaalnummer [nummer] )

(bijlage 1-D-068, 1-D-069),

onjuist en/of onvolledig heeft doen doen of laten doen door [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam 1] en/of ((een) medewerk(st)er(s) van) [naam bedrijf 6] en/of (een) ander(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

(telkens) opzettelijk op/in die/dat bij Belastingdienst en/of de inspecteur der belastingen te Rotterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting (telkens) een te lage belastbare winst en/of een te laag belastbaar bedrag door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl dat/die feit(en) er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

hij

op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van

17 oktober 2006 tot en met 17 juli 2007,

te Rotterdam en/of 's-Graveland en/of Veenendaal en/of Epe en/of Emst en/of (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels

[naam bedrijf 13] en/of [naam bedrijf 14] en/of [naam 17] en/of [naam 18]

(telkens) heeft bewogen en/of door (een) ander(en) doen bewegen

tot de afgifte van (totaal) euro 151.938 of daaromtrent, althans enig(e) geldbedrag(en), in elk geval van enig(e) goed(eren),

en/of

(totaal) 118, in elk geval een of meer, aandelen in het aandelenkapitaal van [naam bedrijf 15] , in elk geval van enig(e) goed(eren),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk

-zakelijk weergegeven-

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

(telkens)

voorspiegelen en/of doen voorspiegelen

dat ten behoeve van de aanwending van de (fiscale) herinvesteringsreserve (HIR) in de rechtspersoon [naam bedrijf 15] (Zweeds) onroerend goed, te weten (een deel van 23%)) het onroerend goed [naam onroerend goed] , [plaats onroerend goed] , provincie [naam provincie] , Zweden, was aangekocht en/of beschikbaar was,

en/of

in de onderhandeling(en) en/of onderhandelingsbespreking(en) over de aankoop van het Zweeds vastgoed en/of over de overname van de aandelen in [naam bedrijf 15] door [naam bedrijf 7] :

- al dan niet via (een) derde(n) en/of (een) ander(en) -

-- (mondeling en/of schriftelijk en/of door het verstrekken van bescheiden en/of per e-mail)

medegedeeld en/of doen mededelen dat hij, verdachte, namens de [naam bedrijf 5] bezig is met het verwerven van een onroerend goedportefeuille in Zweden met een waarde van 34,5 miljoen euro en dat hij, verdachte, reeds voor 16 miljoen euro binnen deze beoogde investering had verkregen en/of belangstelling had om te praten over een mogelijke overname

en/of

aan (al dan niet via [naam 2] ) [naam 14] en/of [naam bedrijf 15] toegezonden en/of doen toekomen (een informatieset onder meer bevattende) een “Reference & Contact List for [naam bedrijf 4] ” Group of Companies en/of een organisatiestructuur van de [naam bedrijf 4] en/of

een (valselijk opgemaakt) annual report 2005 betreffende [naam bedrijf 4] (d.d. 27 april 2006 opgesteld door [naam bedrijf 18] mr. [naam 16] ) en/of

(een) (concept(en) van) een “purchase agreement en/of een “amendment to property contract” (2-D-012)

en/of

onderhandeld en/of doen onderhandelen over de hoogte van de belastinglatentie

en/of

mededeling gedaan en/of doen doen omtrent de voorwaarden voor de koper en de verkoper voor het aangaan van de transactie met de [naam bedrijf 4] ,

waaronder (door koper)

--volledige fiscale vrijwaring en/of

--accountantsverklaring en/of

--bedrijfsgarantie van de Koper en/of

--volledige algemene vrijwaring voor de Zweedse activa en/of

(door verkoper)

--Saldogarantie en/of

--HIR garantie

(2-D-012)

en/of

per mail aan (al dan niet via [naam 2] ) [naam 14] en/of [naam bedrijf 15] gezonden en/of doen toekomen ((een) afschrift(en) van)

--(een) (eenzijdig) door en/of op naam van [naam bedrijf 3]

ondertekende “purchase agreement” en/of “loan agreement” en/of een “amendment to property contract” (2-D-013)

en/of

--(een) document(en) “income and costs for the period of 2006-12-18 to 2006-12-31 regarding the estate [naam onroerend goed] ” (2-D-013)

en/of

-- ter tekening door [naam bedrijf 15] de originele purchase

agreement en/of loan agreement en/of “amendment to property

contract” aan [naam bedrijf 16] en/of [naam 14] gezonden en/of doen toekomen (2-D-013)

en/of

-- aangegeven dat de procedure met betrekking tot de overname van de aandelen van [naam bedrijf 15] in gang gezet kan worden (2-D-034)

en/of

-- overleg gevoerd en/of advies gegeven en/of aanpassingen aangegeven betreffende het opstellen van de overnamebalans onder meer met betrekking tot het vermogen en/of de opname van het Zweeds vastgoed en/of de latente belastingschuld/verplichtingen en/of onderhandse lening in de overname balans

en/of

-- ten overstaan van notaris mr. [naam notaris] de akte van

aandelenoverdracht inzake het aandelenkapitaal in [naam bedrijf 15]

ondertekend en/of doen en/of laten ondertekenen,

(2-D-052)

waardoor die [naam bedrijf 14] en/of [naam bedrijf 13] en/of [naam bedrijf 15] en/of [naam 18] en/of [naam 17] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

artikel 326 Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op (een) of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 17 november 2006 tot en met 19 december 2006, in elk geval in of omstreeks de maand november 2006 en/of december 2006, te 's-Graveland en/of Rotterdam en/of elders in Nederland en/of in de Verenigde Staten van Amerika,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

een of meer geschrift(en),

te weten

-- een ”International Licensing Agreement by and between [naam bedrijf 8]

. and [naam bedrijf 9] .” gedateerd 1

september 2006 (3-D-091 1-4)

en/of

-- een “Loan Agreement” tussen [naam bedrijf 8] en [naam bedrijf 9] . gedateerd 1 september 2006 (3-D-091 7-12)

en/of

-- een “Amendment to international Licensing Agreement” tussen [naam bedrijf 8] en [naam bedrijf 9] gedateerd 1 september 2006 (3-D-091 5-6),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen,

valselijk heeft opgemaakt of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of

laten opmaken en/of vervalsen door [naam 8] en/of [naam 7] en/of

(een) ander(en),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

dat/die geschrift(en) geantedateerd en/althans doen antedateren

en/of

in/op dat/die geschrift(en) vermeld, en/althans doen vermelden

--als datum van ondertekening 1 september 2006

en/of

--dat [naam bedrijf 9] aan [naam bedrijf 8] de

Exclusieve rechten als bedoeld in genoemde International Licensing Agreement (3-D-091 1-4) voor een bedrag van USD 8.136.000 verleent/toekent,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 24 november 2006,

in elk geval in of omstreeks de periode van 17 november 2006 tot en met

19 december 2006,

te 's-Graveland en/of Rotterdam en/of Sliedrecht en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

een of meer valse of vervalste geschrift(en),

te weten

-- een valse of vervalste ”International Licensing Agreement by and

between [naam bedrijf 8] . and [naam bedrijf 9] .”

gedateerd 1 september 2006 (3-D-110 9-11 en/of 3-D-091 1-4)

en/of

-- een valse of vervalste “Loan Agreement” tussen [naam bedrijf 8] en [naam bedrijf 9] gedateerd 1 september 2006 (3-D-110 2-53 en/of D-091 7-12)

en/of

-- een valse of vervalste “Amendment to international Licensing

Agreement” tussen [naam bedrijf 8] en [naam bedrijf 9]

gedateerd 1 september 2006

(3-D-110 13 en/of 3-D-091 5-6),

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

heeft voorhanden gehad en/of heeft afgeleverd, althans doen afleveren,

bij [naam 9] (en/of [naam financieel adviesbedrijf] ) en/of [naam 8] (en/of [naam bedrijf 8] ),

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

dat/die geschrift(en) was/waren geantedateerd

en/of

in/op dat/die geschrift(en) was vermeld

--als datum van ondertekening 1 september 2006

en/of

--dat [naam bedrijf 9] . aan [naam bedrijf 8] de exclusieve rechten als bedoeld in genoemde International Licensing Agreement (3-D-091 1-4, 3-D-110 9-11) voor een bedrag van USD 8.136.000 was verleend/toegekend,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het/deze echt en onvervalst;

artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

4.

hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

16 december 2005 tot en met 25 november 2008,

te Rotterdam en/of Sliedrecht en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) geschriften (bedrijfsadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen door [naam 16] en/of [naam 15] en/of ((een) medewerk(st)er(s) van) [naam bedrijf 17] , in elk geval (een) ander(en),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

toen daar

(telkens) opzettelijk

in de bedrijfsadministratie van [naam bedrijf 4] ,

zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen,

(telkens) opzettelijk een valse of vervalste factuur ten name van

[naam bedrijf 4]

gericht aan [naam bedrijf 10] d.d. 16 december 2005

(bijlage 4-D-072),

opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen boeken en/of doen verwerken door die/(een) ander(en),

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op/in die factuur is vermeld

als specificatie

Aanbrengfee en bemiddelingscommissie

1) Project [naam project]

2) Rijksgebouwendienst: analyse en voorstudie

Belastinggebouw [straatnaam] te [plaats] ,

terwijl in werkelijkheid [naam bedrijf 4] en/of hij, verdachte, geen goed(eren) had geleverd aan en/of geen dienst(en) had verricht voor [naam bedrijf 10] geen betrokkenheid heeft gehad bij het projekt Rijksgebouwendienst Belastinggebouw [straatnaam] te [plaats] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door ander(en) te doen gebruiken;

artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een

Bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[naam bedrijf 4] ,

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

16 december 2005 tot en met 25 november 2008, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2008 tot en met 25 november 2008,

te Rotterdam en/of Sliedrecht en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) geschriften (bedrijfsadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen door [naam 16] en/of [naam 15] en/of ((een) medewerk(st)er(s) van) [naam bedrijf 17] , in elk geval (een) ander(en),

hebbende genoemde rechtspersoon [naam bedrijf 4] en/of

haar mededader(s)

toen daar

(telkens) opzettelijk

in de bedrijfsadministratie van [naam bedrijf 4] ,

zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen,

(telkens) opzettelijk een valse of vervalste factuur ten name van

[naam bedrijf 4]

gericht aan [naam bedrijf 10] d.d. 16 december 2005

(bijlage 4-D-072),

opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen boeken en/of doen verwerken door die/(een) ander(en),

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op/in die factuur is vermeld

als specificatie

Aanbrengfee en bemiddelingscommissie

1) Project [naam project]

2) Rijksgebouwendienst: analyse en voorstudie

Belastinggebouw [straatnaam] te [plaats] ,

terwijl in werkelijkheid [naam bedrijf 4] en/of hij, verdachte, geen goed(eren) had geleverd aan en/of geen dienst(en) had verricht voor [naam bedrijf 10] geen betrokkenheid heeft gehad bij het projekt Rijksgebouwendienst Belastinggebouw [straatnaam] te [plaats] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door ander(en) te doen gebruiken,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

artikel 51 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een

bewezenverklaring en/of een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 16 december 2005,

in elk geval in of omstreeks de maand december 2005,

te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een factuur

ten name van [naam bedrijf 4]

gericht aan [naam bedrijf 10]

specification:

Aanbrengfee en bemiddelingscommissie

1) Project [naam project]

2) Rijksgebouwendienst: analyse en voorstudie

Belastinggebouw [straatnaam] te [plaats]

Totaal: euro 110.670

(bijlage 4-D-009),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen

en/of laten opmaken en/of vervalsen door (een) ander(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op/in die factuur als specificatie vermeld en/of door die ander(en) doen en/of laten vermelden Aanbrengfee en bemiddelingscommissie

1) Project [naam project]

2) Rijksgebouwendienst: analyse en voorstudie

Belastinggebouw [straatnaam] te [plaats] ,

en/of

een factuur van op naam van [naam bedrijf 4] aan [naam bedrijf 10] gesteld en/of doen stellen voor op/in die factuur vermelde dienst(en),

terwijl in werkelijkheid [naam bedrijf 4] en/of hij, verdachte, geen goed(eren) had geleverd aan en/of geen dienst(en) had verricht voor [naam bedrijf 10]

geen betrokkenheid heeft gehad bij het projekt Rijksgebouwendienst Belastinggebouw [straatnaam] te [plaats] ,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

nog meer subsidiair, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een

bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 16 december 2005, in elk geval in of omstreeks de maand december 2005,

te Rotterdam en/of [naam project] en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een valse of vervalste factuur ten name van

[naam bedrijf 4]

gericht aan [naam bedrijf 10]

d.d. 16 december 2005

(bijlage 4-D-009),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen,

heeft voorhanden gehad en/of heeft afgeleverd, althans doen afleveren,

bij [naam bedrijf 10] ,

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op/in die factuur is vermeld als specificatie

Aanbrengfee en bemiddelingscommissie

1) Project [naam project]

2) Rijksgebouwendienst: analyse en voorstudie

Belastinggebouw [straatnaam] te [plaats] ,

terwijl in werkelijkheid [naam bedrijf 4] en/of hij, verdachte, geen goed(eren) had geleverd aan en/of geen dienst(en) had verricht voor [naam bedrijf 10]

geen betrokkenheid heeft gehad bij het projekt Rijksgebouwendienst Belastinggebouw [straatnaam] te [plaats] ,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

5.

hij

op of omstreeks 18 september 2008 en/of 28 januari 2009,

in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 18 september 2008 tot en met 28 januari 2009,

te Rotterdam en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of ‘s-Graveland, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

(een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten (een) (digitale) aangifte(n) Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen

ten name van hem, verdachte, ( [naam verdachte] )

(burgerservicenummer [BSN-nummer] )

over de/het (belasting)ja(a)r(en) 2003 en/of 2004 en/of 2006 en/of 2007,

(bijlage(n) 5-D-011, 5-D-148)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of laten doen door [naam 15] en/of ((een) medewerk(st)er(s) van) [naam bedrijf 17] , in elk geval (een) ander(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Rotterdam en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of elders in Nederland

ingeleverde / gezonden aangifte(n) / aangiftebiljet(ten) voor de

Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen

(telkens) geen, in elk geval een te laag, verzamelinkomen en/of een te laag belastbaar bedrag

en/of

geen bedrag aan loon en/of inkomen uit werk

en/of

--met betrekking tot de (digitale) aangifte(n) Inkomstenbelasting premie

volksverzekeringen over het (belasting)jaar 2004 en/of 2006 en/of 2007

geen (“inkom(st)en uit) aanmerkelijk belang” en/of “geen reguliere

voordelen uit aanmerkelijk belang”

opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl dat/die feit(en) er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een

bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 18 september 2008 en/of 28 januari 2009,

in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 18 september 2008 tot en met 28 januari 2009,

te Rotterdam en/of ‘s-Graveland, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) (een) (digitale) aangifte voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen over de/het ja(a)r(en) 2003 en/of 2004 en/of 2006 en/of 2007 ten name van hem, verdachte, ( [naam verdachte] ) (burgerservicenummer [BSN-nummer] )

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door [naam 15] en/of ((een) medewerk(st)er(s) van) [naam bedrijf 17] , in elk geval (een) ander(en),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op/in dat/die (digitale) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen

(telkens) geen, in elk geval een te laag, verzamelinkomen en/of een te laag belastbaar bedrag

en/of

geen bedrag aan loon en/of inkomen uit werk

en/of

--met betrekking tot de (digitale) aangifte(n) Inkomstenbelasting premie

volksverzekeringen over het (belasting)jaar 2004 en/of 2006 en/of 2007

geen (“inkom(st)en uit) aanmerkelijk belang” en/of “geen reguliere

voordelen uit aanmerkelijk belang”

geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij

op of omstreeks 11 februari 2009,

in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 17 september 2008 tot en met 11 februari 2009,

te Rotterdam en/of ’s-Graveland en/of Heerlen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een (al dan niet als bezwaarschrift aan te merken) aangifte voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen over het jaar 2005 ten name van hem, verdachte, ( [naam verdachte] ) (burgerservicenummer [BSN-nummer] )

(bijlage 5-D-020),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door [naam 15] en/of ((een) medewerk(st)er(s) van) [naam bedrijf 17] , in elk geval (een) ander(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op/in die aangifte voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen

geen, in elk geval een te laag, verzamelinkomen en/of een te laag belastbaar bedrag

en/of

geen bedrag aan loon en/of inkomen uit werk

en/of

geen (inkomen uit) aanmerkelijk belang en/of geen reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang

geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij

op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 15 december 2006 tot en met 28 juni 2011 te Rotterdam en/of ’s-Graveland en/of elders in Nederland en/of in Zweden,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

een of meer voorwerpen,

te weten

--een geldbedrag ad. euro 174.608,85, in elk geval een of meer

geldbedrag(en), (zaak 1 dossiernummer 45138 ( [naam bedrijf 2] )) (1-D-125 blz 1 911);

en/of

--een geldbedrag ad. SEK 1.368.939,35, in elk geval een of meer geldbedrag(en), (zaak 2 dossiernummer 45138 ( [naam bedrijf 15] )) (2-D-024 blz 2 0733);

en/of

--een geldbedrag ad. euro 672.887,85, in elk geval een of meer geldbedrag(en), (zaak 3 dossiernummer 45138 ( [naam bedrijf 8] )) (3-D-075 blz 3 1074);

en/of

--een geldbedrag ad. euro 110.670,00, in elk geval een of meer geldbedrag(en), (zaak 4 dossiernummer 45138 ( [naam bedrijf 8] )) (4-D-005 blz 4 419);

en/of

--een geldbedrag ad. euro 771.722, in elk geval een of meer geldbedrag(en) aan ontdoken belasting (zaak 5 dossiernummer 45138 (inkomstenbelasting [naam verdachte] )) (5-D-149 blz 5 1351);

in elk geval een of meer geldbedrag(en),

heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

en/althans

van een of meer voorwerpen,

te weten

--een geldbedrag ad. euro 174.608,85, in elk geval een of meer geldbedrag(en), (zaak 1 dossiernummer 45138 ( [naam bedrijf 2] )) (1-D-125 blz 1 911);

en/of

--een geldbedrag ad. SEK 1.368.939,35, in elk geval een of meer geldbedrag(en), (zaak 2 dossiernummer 45138 ( [naam bedrijf 15] )) (2-D-024 blz 2 0733);

en/of

--een geldbedrag ad. euro 672.887,85, in elk geval een of meer geldbedrag(en), (zaak 3 dossiernummer 45138 ( [naam bedrijf 8] )) (3-D-075 blz 3 1074);

en/of

--een geldbedrag ad. euro 110.670,00, in elk geval een of meer geldbedrag(en), (zaak 4 dossiernummer 45138 ( [naam bedrijf 10] )) (4-D-005 blz 4 419);

en/of

--een geldbedrag ad. euro 771.722, in elk geval een of meer geldbedrag(en) aan ontdoken belasting, (zaak 5 dossiernummer 45138 (inkomstenbelasting [naam verdachte] )) (5-D-149 blz 5 1351);

in elk geval een of meer geldbedrag(en),

heeft gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en)

dat bovenomschreven voorwerp(en)/geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk

- onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt;

artikel 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

artikel 420ter Wetboek van Strafrecht

1 Verwezen wordt naar de beslissing op de terechtzitting van 24 oktober 2017 over het niet-ontvankelijkheidsverweer.

2 Uit de emailcorrespondentie blijkt dat door de partijen bij de transactie is besproken hoe deze zich verhoudt tot art. 15E Wet VPB (oud). De rechtbank zal daar niet op ingaan, nu dit geen onderdeel vormt van het strafrechtelijk verwijt dat de verdachte gemaakt wordt.

3 [naam 4] ontkent van de LA dat deze door hem is getekend. Nu dit een kwestie is van de verklaring van [naam 4] tegenover die van de verdachte gaat de rechtbank in het voordeel van de verdachte ervan uit dat de LA wel door [naam 4] is getekend. Dat past ook binnen de overige inhoud van de verklaringen van [naam 3] en [naam 4] .

4 Deze verklaring ziet op de overeenkomst [naam 6] – [naam bedrijf 3] (feit 2), maar nu het dezelfde overeenkomst betreft, kan dit ook bij de zaak [naam 1] (feit 1) worden betrokken.

5 Opmerking rechtbank: medeplegen is bewezen voor het deel van feit 3 dat ziet op het antedateren van de hier genoemde overeenkomsten. Medeplegen wordt niet bewezen verklaard voor het deel van feit 3 dat ziet op het valselijk in die overeenkomsten vermelden van exclusieve rechten voor [naam bedrijf 8] . Voor de leesbaarheid van de bewezenverklaring wordt dit niet verder uitgesplitst.