Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9193

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
C/10/534463 / KG ZA 17-991
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

aanbesteding. tussenkomst verliezend inschrijver afgewezen. vordering kg afgewezen. betoogde uitleg beoordelingsmatrix onjuist. niet aannemelijk dat onjuist is beoordeeld. niet aannemelijk dat beperkte uitwerking onderaannemers ten onrechte is meegewogen in beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/534463 / KG ZA 17-991

Vonnis in kort geding van 7 november 2017

in de zaak van

de stichting

STICHTING YULIUS,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres,

advocaat mr. A. Stellingwerff Beintema,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

OPENBAAR LICHAAM JEUGDHULP RIJNMOND,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. J.H.A.C. Muller en S. Groenwold,

en met als interveniërende partij

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PARNASSIAGROEP B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres in het incident tot tussenkomst,

advocaat mr. T. Raats,

Partijen zullen hierna Yulius, Jeugdhulp Rijnmond, Parnassia en Horizon genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de producties van Yulius

  • -

    de productie van Jeugdhulp Rijnmond die alleen aan de voorzieningenrechter is verstrekt,

  • -

    de producties van Horizon

  • -

    de mondelinge behandeling op 24 oktober 2017

  • -

    de pleitnota van Yulius

  • -

    de pleitnota van Jeugdhulp Rijnmond

  • -

    de pleitnota van Parnassia

  • -

    de pleitnota van Horizon

1.2.

De voorzieningenrechter heeft op 16 oktober 2017 een incidentele conclusie tot primair tussenkomst en subsidiair voeging ontvangen van de stichting Stichting Horizon Jeugdzorg En Speciaal Onderwijs, gevestigd te Rotterdam, advocaat mr. A.H. Klein Hofmeijer (hierna: Horizon). De incidentele vorderingen zijn ter zitting afgewezen op zowel procesrechtelijke als inhoudelijke gronden.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de incidentele conclusie van Horizon niet voldoet aan de procesrechtelijke eisen. De gronden voor de vorderingen die Horizon voornemens is in te stellen zijn niet in de conclusie zijn opgenomen. In haar conclusie stelt Horizon het grotendeels eens te zijn met de bezwaren van Yulius, maar zij onderbouwt niet op grond waarvan zij zelf een vordering in dit geding wenst in te stellen en waaruit haar eigen belang kan worden afgeleid.

Een dag voor de mondelinge behandeling heeft Horizon een akte met producties in het geding gebracht. In die akte kondigt zij slechts aan ter zitting haar standpunt uit een te zullen zetten. Die uiteenzetting ter zitting zou, aldus Horizon, onder meer zien op de eigen inschrijving van Horizon en de door Horizon behaalde scores. Het pas ter zitting innemen van een standpunt levert strijd met eisen van een goede procesorde op, zodat dit niet kan worden toegestaan.

Voor zover Horizon zich erop heeft beroepen dat ook Jeugdhulp Rijnmond geen akte heeft genomen om haar standpunt kenbaar te maken, miskent Horizon dat haar positie in dit geding een heel andere is. Jeugdhulp Rijnmond is gedaagde, terwijl Horizon wenst te interveniëren. Daarbij is nog van belang dat Horizon een afgewezen inschrijver is, die zelf geen kort geding aanhangig heeft gemaakt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een afgewezen inschrijver niet mag ‘meeliften’ op een door een derde tijdig ingestelde procedure.

Nu Horizon kennelijk blijkens haar akte alsnog de beoordeling van haar eigen inschrijving wenst te toetsen, en zij meent er belang bij te hebben dat de vorderingen van Yulius tot herbeoordeling of heraanbesteding worden toegewezen, is materieel sprake van een situatie waarin Horizon wenst mee te liften.

Bij deze stand van zaken kan ook voor de subsidiair gevorderde voeging niet voldoende rechtsgeldig belang worden aangenomen, nu niet valt in te zien hoe Horizon, gelet op haar positie, nadelige gevolgen kan ondervinden van afwijzing van de vorderingen van Yulius.

1.3.

Jeugdhulp Rijnmond heeft in dit geding verweer gevoerd tegen de vorderingen van Horizon en daaraan meerdere pagina’s van haar pleitaantekeningen gewijd.

Nu de incidentele vorderingen zijn afgewezen, zal Horizon in de proceskosten van Jeugdhulp Rijnmond worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige partijen is niet is gebleken dat zij als gevolg van de vorderingen van Horizon extra kosten hebben moeten maken. Daarom zal een proceskostenveroordeling ten aanzien van hen achterwege blijven.

1.4.

De vordering van Parnassia tot interventie, waartegen door Yulius en Jeugdhulp Rijnmond geen verweer is gevoerd, is ter zitting toegewezen. Het belang van Parnassia bij interventie is evident nu zij een (voorlopige) winnaar van een aanbestedingsprocedure is.

Of het om een tussenkomst of voeging gaat is aan de rechter om te beoordelen. Niet de kwalificatie die de interveniërende partij zelf aan haar processuele hoedanigheid heeft gegeven (voeging of tussenkomst), maar de beoordeling van haar processuele positie door de rechter aan de hand van haar opstelling in het geding is beslissend voor haar processuele hoedanigheid (HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9067).

Een gevoegde partij heeft overigens het recht om zelfstandig in hoger beroep te komen van de uitspraak (HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549). In zoverre behoeft een interveniënt zich niet te laten weerhouden voor de keuze voor voeging in plaats van tussenkomst. Naar het oordeel is in dit geval materieel sprake van een gewenste voeging. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat Parnassia hetzelfde verlangt als Jeugdhulp Rijnmond, namelijk gestanddoening van het oorspronkelijke gunningsvoornemen. Parnassia maakt niet duidelijk waarom zij zou mogen menen dat Jeugdhulp Rijnmond dit voornemen niet (meer) zou hebben. Parnassia wordt daarom als voegende en niet als tussenkomende partij aangemerkt en toegelaten.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken voor de kosten in het incident.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Sinds 1 mei 2014 is de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond van kracht. Aan deze regeling nemen deel de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Brielle, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Westvoorne.

2.2.

Jeugdhulp Rijnmond heeft, als aanbestedende dienst, diverse Europese aanbestedingsprocedures georganiseerd voor de inkoop van het verlenen van jeugdzorg in de zin van de Jeugdwet. Deze aanbestedingen zijn onderverdeeld in de opdrachten A tot en met F.

2.3.

De opdracht D betreft ‘Resultaatsgerichte jeugdhulp voor de samenwerkende gemeenten Jeugdhulp Rijnmond, Opdracht D: Steun, hulp of behandeling overdag’(hierna ook: Opdracht D).

2.4.

Het beschrijvend document voor opdracht D luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

2 Inhoud van de opdracht

2.1

Beschrijving van de opdracht

2.1.1.

Inleiding

(…)

De samenwerkende gemeenten realiseren zich dat de implementatie van de nieuwe inkoopsystematiek een forse opgave betekent voor de Opdrachtnemers, de Lokale Teams en de deelnemende gemeenten. Samen optrekken en co-creatie zijn hierin sleutelwoorden. Hiertoe zullen door Opdrachtgever drie initiatieven worden genomen:

• Een implementatietafel;

• Een praktijktafel;

• Een convenant met de gegunde aanbieders.

De implementatietafel is een overlegplatform waar alle geïnteresseerde Inschrijvers aan kunnen deelnemen. Dit platform zal reeds v66r de definitieve gunning actief worden. Alle Inschrijvers kunnen hieraan deelnemen en kunnen zich hiervoor aanmelden via het mailadres jeugdhulprijnmondrotterdam.nl tot uiterlijk 14 april 2017.

Deelnemers van Opdrachtgever aan deze implementatietafel zullen op geen enkele wijze betrokken zijn of worden bij de beoordeling van de Inschrijvingen en dit zal ook op geen enkele wijze onderwerp van gesprek zijn tijdens deze bijeenkomsten. Het doel van de implementatietafel is het delen van informatie over de implementatie zodat de implementatie na definitieve gunning zo efficiënt mogelijk zal verlopen. Na de definitieve gunning zal de

implementatietafel over gaan in een praktijktafel. De praktijktafel is een platform waarin met de Opdrachtnemers wordt samengewerkt bij de implementatie, het delen van kennis, het zo vroeg mogelijk detecteren en oplossen van knelpunten en het monitoren van de uitvoering.

(…)

5.6.

Gunning

5.6.1.

Gunningscriterium

In deze aanbestedingsprocedure wordt als overkoepelend gunningscriterium dat van de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) gehanteerd. Het is de Inschrijver niet toegestaan varianten voor te stellen. De Aanbestedende Dienst hanteert de navolgende subgunningscriteria:

1. Kennis, kunde en ervaring personeel

2. Behandelmethoden\

3. Implementatie resultaatgerichte jeugdhulp

4. Samenwerking

Opmerking:

I. Prijs is geen subgunningcriterium aangezien Inschrijver onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig akkoord dient te gaan met de beschrijving van de Resultaatgebieden, Ondersteuningselementen en bijbehorende tarieven zoals

geformuleerd in Bijlage 8: Beschrijving Resultaatgebieden, Ondersteuningselementen en tarieven.

(…)

De Inschrijving wordt beoordeeld aan de hand van de navolgende subgunningscritena.

Sub-gunningcriterium 1: Kennis, kunde en ervaring personeel met doelgroepen

Doel

Het doel van dit criterium is te bepalen in welke mate een Inschrijver meer dan het geëiste minimum zoals geformuleerd in paragraaf 5.5.1. aan kennis, kunde en ervaring met de doelgroepen beschikbaar heeft.

De aanbieder:

Wordt gevraagd een beschrijving aan te leveren over de wijze waarop voldoende kennis, kunde en ervaring van personeel in uw Organisatie geborgd is om maatwerk per Jeugdige te leveren die tegemoet komt aan de specifieke behoefte van de betreffende Jeugdige. In uw beschrijving dient u in ieder geval in te gaan op de volgende aspecten:

a. De mate waarin kennis en ervaring bij het personeel aanwezig is van alle doelgroepen. Indien u gebruik maakt van onderaannemers ook beschrijven hoe dit bij onderaannemers geborgd is:

b. De wijze waarop uw medewerkers zijn opgeleid/getraind/uitgerust om met Jeugdigen resultaatgericht te werken. Indien u gebruik maakt van onderaannemers ook beschrijven hoe dit bij onderaannemers geborgd is:

c. De wijze waarop in uw Organisatie geborgd is dat er gedurende de contractperiode voldoende kwalitatief personeel beschikbaar is en blijft met kennis en ervaring van de doelgroepen. Indien u gebruik maakt van onderaannemers ook beschrijven hoe dit bij onderaannemers geborgd is. Indien u gebruik maakt van onderaannemers ook beschrijven hoe dit bij onderaannemers geborgd is;

d. De wijze waarop door uw personeel de specifieke behoefte per Jeugdige bepaalt en maatwerk per Jeugdige wordt ingezet/georganiseerd rekening houdend met onder andere levensbeschouwing, religie, seksuele voorkeur en culturele identiteit. Indien u gebruik maakt van onderaannemers ook beschrijven hoe dit bij onderaannemers

geborgd is.

(…)

Subgunningcriterium 3: Implementatie resultaatgerichte jeugdhulp

Doel

Het Algemeen Bestuur van de GR-JR heeft besloten om resultaatgerichte bekostiging als uitgangspunt te nemen bij de opdrachtverstrekking aan Opdrachtnemers voor jeugdhulp. De belangrijkste redenen voor deze keuze zijn:

• Het creëren van meer samenhang bij het verlenen van jeugdhulp door één aanbieder de verantwoordelijkheid te geven voor het hulptraject:

o bij gelijktijdige hulp: meer samenhang door betere afstemming;

o bij volgtijdelijke hulp: op- en afschalen versoepelen.

• Innovatie wordt gestimuleerd;

• Professionals krijgen meer ruimte bij de manier waarop hulp verleend wordt.

De aanbieder:

Wordt gevraagd een beschrijving aan te leveren over de wijze waarop u de nieuwe methodiek van resultaatgerichte bekostiging in uw Organisatie heeft vormgegeven of gaat vormgeven, om voor uzelf, de GR-JR en Jeugdigen succesvol te kunnen zijn. In uw beschrijving dient u in ieder geval in te gaan op de volgende aspecten, tevens dient u concreet per aspect aan te geven of hetgeen u beschrijft reeds aanwezig is op het moment van Inschrijving of dat u hieraan gaat voldoen in de loop van de contractpenode (indien u niets aangeeft wordt er in de beoordeling vanuit gegaan dat u pas gedurende de contractperiode gaat voldoen aan

hetgeen u beschrijft):

a. De wijze waarop uw Organisatie is toegerust om op effectieve en efficiënte gebruik gaat maken van de vrijheid die uw organisatie krijgt in de nieuwe resultaatgerichte methodiek om doelen, prioriteiten en de benodigde acties te bepalen en de wijze waarop tijd en middelen beschikbaar worden gesteld om de resultaten voor de Jeugdige te kunnen realiseren; Beschrijf tevens in welke mate dit is ingebouwd in de standaard werkwijze (zorgprogrammering) van de instelling;

b. De mate waarin uw organisatie risico’s onderkent, beheerst en managet bij introductie van methodiek van resultaatbekostiging en het leveren van integrale zorg. U dient een beschrijving te geven van de risico’s die u onderkent en de wijze waarop u deze beheerst (of gaat beheersen) en managet (of gaat managen);

c. De wijze waarop uw organisatie het leveren van integrale zorg in de volle breedte zoals die deel uitmaakt van onderhavige opdracht heeft ingericht, beschrijf daarin ook de samenwerking en de regierol van uw Organisatie met andere 2e lijns zorgaanbieders, indien hiervan gebruik gemaakt wordt.

(…)

Subgunningcriterium 4: Samenwerking

Doel

Om de uitvoering van jeugdhulp beter, slimmer en minder duur te organiseren dient een transformatie plaats te vinden. Doel is jeugdhulp sneller en passender in te zetten tegen maatschappelijke aanvaardbare kosten, waarbij de druk op de specialistische zorg afneemt en normalisatie wordt bereikt.

In de regio is een door een gemeenten en aanbieders gezamenlijk opgestelde Transformatie Agenda GR-JR, zie Bijlage 11, opgesteld die de ontwikkelkansen in vier belangrijke actielijnen heeft verwoord:

• Actielijn 1: Lokale infrastructuur: spil van de transformatie:

• Actielijn 2: Specialistische jeugdhulp: vraaggericht, integraal, verbindend en in

samenhang:

• Actielijn 3: Veiligheid vraagt om samenwerking:

• Actielijn 4: Leren van elkaar: Lerende professionals en lerende netwerken.

De bekostigingsstructuur van de hulpverlening wordt zodanig vormgegeven dat dit een stimulerend effect heeft op de transformatiedoelstellingen

De aanbieder:

Wordt gevraagd een beschrijving aan te leveren van de wijze waarop u reeds samenwerkt of in de toekomst gaat samenwerken met andere actoren in het veld, zoals eigen netwerk Jeugdige, JBRR, gemeenten, (huis)artsen, ZVW, 0e (welzijnsaanbieders) en je lijns (Lokale teams) zorgaanbieders, WMO aanbieders, sportclubs en onderwijs.

In uw beschrijving dient u in ieder geval in te gaan op de volgende aspecten, tevens dient u concreet aan te geven per aspect of hetgeen u beschrijft reeds aanwezig is op het moment van Inschrijving of dat u hieraan gaat voldoen in de loop van de contractperiode (indien u niets aangeeft wordt er in de beoordeling vanuit gegaan dat u pas gedurende de contractperiode gaat voldoen aan hetgeen u beschrijft):

a. De actoren waarmee en de wijze waarop u met deze actoren samenwerkt of gaat samenwerken en hoe u hiermee invulling geeft aan de actielijnen van de transformatie agenda GR-JR, zie Bijlage 11. U dient hierbij duidelijk aan te geven welke samenwerking met actoren reeds bestaat voor welke zorgprogramma’s, sinds wanneer deze samenwerking bestaat en welke samenwerking in de toekomst zal worden ingericht:

b. U dient hierbij ook inzicht te geven op welke wijze de samenwerking is geïmplementeerd in de standaard werkwijze van de samenwerkingspartners en per zorgprogramma te onderbouwen welk volume t.o.v. het totale volume van het betreffende zorgprogramma daadwerkelijk middels samenwerking met andere actoren wordt gerealiseerd:

c. De GR-JR bestaat uit meerdere gemeenten die allen individueel nadere opdrachten onder de raamovereenkomst aan u gaan verstrekken. Beschrijf de (flexibele vorm van) samenwerking die u aangaat met de diverse gemeenten en ga ook in op de wijze waarop u omgaat met de diversiteit van de gemeenten.

(…)

5.6.2.

Beoordeling kwaliteit

Naarmate de kwalitatieve aspecten van de Inschrijving beter zijn, wordt de Inschrijving beter beoordeeld. De beoordeling van de in paragraaf 5.6.1. opgenomen kwalitatieve aspecten vindt plaats op een schaal van 0 t/m 5. Voor ieder kwalitatief aspect wordt een score van 0, 1, 3, 4 of 5 gegeven. Er worden alleen hele cijfers toegekend door de individuele leden van het beoordelingsteam.

Richtlijn Rapportcijfer

Uitmuntend : uit de door de Inschrijver verstrekte informatie 5

blijkt dat uitmuntend aan het in 2.1.2 van dit Beschrijvend

Document en het per subcriterium omschreven doel van de

Aanbestedende Dienst wordt beantwoord.

Goed: uit de door de Inschrijver verstrekte informatie blijkt 4

dat goedaan het in 2.1.2 van dit Beschrijvend

Document en het per subcriterium omschreven doel van de

Aanbestedende Dienst wordt beantwoord.

Voldoende: (…) 3

Onvoldoende (…) 1

Slecht (…) 0

(…)”

Het beoordelingsteam bestaat uit minimaal 5 leden. De leden van het beoordelingsteam bekleden de functie van beleidsmedewerker en/of contractmanager binnen de GR-JR. De leden van het beoordelingsteam beoordelen de Inschrijvingen ieder afzonderlijk, waarna het definitieve rapportcijfer na onderling overleg door consensus tot stand komt. Hierna wordt het aantal punten per aspect bepaald door het maximaal aantal punten te vermenigvuldigen met het definitieve rapportcijfer en te delen door 5. De totaalscore wordt afgerond op 2 decimalen.

In onderstaande tabel is per subgunningcritenum en per aspect het maximaal aantal punten weergegeven.

Opdracht

Subgunningscriterium

Maximaal aantal punten

Maximaal aantal punten per aspect

Opdracht D

1. Kennis en ervaring personeel

2. Behandelmethoden

3. Implementatie nieuwe methodiek

4. Samenwerking

20

20

45

15

alle aspecten 5

alle aspecten 5

aspect 3a. 20

2 overige aspecten 12,5

alle aspecten 5

(…)”

2.5.

Yulius heeft ingeschreven voor opdracht D.

2.6.

In het Uniform Europees Aanbestedingsdocument heeft Yulius aangegeven geen gebruik te zullen maken van onderaannemers.

2.7.

Bij ongedateerde brief, verzonden op 15 augustus 2017, heeft Jeugdhulp Rijnmond bericht dat Yulius niet voor gunning van opdracht D in aanmerking kwam, kort gezegd, omdat zij 77 punten had gescoord en drie andere inschrijvers meer punten hadden gescoord.

2.8.

Bij e-mail van 15 augustus 2017 heeft Yulius aan Jeugdhulp Rijnmond bericht het niet eens te zijn met de gunningsbeslissing. De e-mail luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Op opdracht D is Yulius niet gegund, wij zitten 2,5 punt onder de nummer 3 van de gegunde

partijen.

Op meerdere plekken hebben wij de feedback gekregen “onderaannemers worden beperkt meegenomen in uw beschrijving’. Het ziet er naar uit dat wij hierdoor zijn gekort in de puntentoekenning.

Voor opdracht D hebben wij echter geen enkele onderaannemer opgevoerd. Het is dan ook niet

nodig dat wij in onze ingediende stukken onderaannemers vermelden dan wel beschrijven. Wij zijn

zelfstandig in staat om integraal de gevraagde zorg te bieden zoals gevraagd in opdracht D. In

onze technische referentie is de onderbouwing hiervan uitgebreid te lezen.

Ons inziens lijkt er sprake van een fout. Wij verzoeken om een verhelderend gesprek op zeer korte termijn, ruimschoots binnen de termijn waarop formeel bezwaar kan worden aangetekend.(…)”

2.9.

Jeugdhulp Rijnmond heeft aan Yulius bericht geen aanleiding te zien tot het aanpassen van haar beslissingen.

3 Het geschil

3.1.

Yulius vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1.

PRIMAIR

( a) Jeugdhulp Rijnmond te gebieden om binnen 48 uur na de datum van het in deze te wijzen vonnis de voorgenomen gunningsbeslissing van Jeugdhulp Rijnmond van 15 augustus 2017 in het kader van de onderhavige aanbestedingsprocedure in te trekken;

( b) Jeugdhulp Rijnmond te gebieden om binnen 48 uur na de datum van het in deze te wijzen vonnis, de opdracht op basis van de onderhavige aanbestedingsprocedure te gunnen aan Yulius, voor zover Jeugdhulp Rijnmond de opdracht nog altijd wenst te gunnen.

SUBSIDIAIR

( a) Jeugdhulp Rijnmond te gebieden om binnen 48 uur na de datum van het in deze te wijzen vonnis de voorlopige gunningsbestissing van Jeugdhulp Rijnmond in het kader van de onderhavige aanbestedingsprocedure in te trekken;

( b) Jeugdhulp Rijnmond te gebieden om binnen 14 dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis de in het kader van de onderhavige aanbestedingsprocedure gedane inschrijving van Yulius te laten herbeoordelen, met inachtneming van het in deze te wijzen vonnis;

( c) Jeugdhulp Rijnmond te gebieden om binnen 14 dagen na de hiervoor gevorderde herbeoordeling (subsidiair onder (b)) een nieuwe voorlopige gunningsbeslissing te nemen.

MEER SUBSIDIAIR

( a) Jeugdhulp Rijnmond te gebieden om binnen 48 uur na de datum van het in deze te wijzen vonnis de voorgenomen gunningsbeslissing van Jeugdhulp Rijnmond in het kader van de onderhavige aanbestedingsprocedure in te trekken;

( b) Jeugdhulp Rijnmond te gebieden om binnen 14 dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis de onderhavige opdracht tot het leveren van Steun, hulp of behandeling overdag in overeenstemming met de kernbeginselen van het (Europese) aanbestedingsrecht, opnieuw aan te besteden, voor zover Jeugdhulp Rijnmond deze opdracht nog altijd wenst te gunnen.

MEER SUBSIDIAIR

Elke andere voorlopige voorziening te treffen die uw rechtbank in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van Yulius.

2.

Jeugdhulp Rijnmond te veroordelen tot betaling aan Yulius:

a. a) aan nakosten een bedrag van € 131 zonder betekening, verhoogd met een bedrag van
€ 68,00 in geval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd;

b) De kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd.

3.2.

Jeugdhulp Rijnmond voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen.

4.2.

Kern van het geschil betreft de beoordeling en waardering van de inschrijving van Yulius op divere subgunningscriteria.

Yulius heeft in de dagvaarding meerdere bezwaren kenbaar gemaakt die de inhoud van de beoordeling raken en lijkt daarnaast (overkoepelend) te veronderstellen dat Jeugdhulp Rijnmond is uitgegaan van een onjuiste algemene beoordelingsmaatstaf wat betreft het toekennen van rapportcijfers in de zin van de beoordelingsrichtlijn. De voorzieningenrechter zal allereerst ingaan op dat laatste.

4.3.

Jeugdhulp Rijnmond heeft als bijlage bij de gunningsbeslissing meegezonden een ‘Toelichting op de behaalde score Stichting Yulius’. In de motivering per aspect (a, b, c of d.) van ieder subgunningscriterium (1, 2, 3 of 4) heeft Jeugdhulp Rijnmond gemotiveerd waarom op dat aspect een bepaald rapportcijfer is gegeven.

In de dagvaarding en haar toelichting ter zitting heeft Yulius betoogd dat wanneer zij aannemelijk kan maken dat de motivering van Jeugdhulp Rijnmond, zoals opgenomen in voornoemde toelichting, waar het de niet-positieve punten betreft, niet juist is, dit automatisch betekent dat Yulius de hoogst haalbare score moet krijgen. Op dat moment bestaat de beoordeling immers, aldus Yulius, enkel nog uit positieve punten, zodat de hoogst haalbare score verkregen moet worden, omdat van aftrek van punten geen sprake meer is. Jeugdhulp Rijnmond heeft de juistheid van het standpunt van Yulius betwist. Zij heeft in dat kader aangevoerd dat de beoordelingsmatrix in de aanbestedingsstukken niet inhoudt dat inschrijvers in beginsel steeds een “5” scoren, tenzij sprake is van “minpunten”. Een rapportcijfer “5” wordt slechts gescoord wanneer inschrijvers “uitmuntend” aan het in 2.1.2 van het beschrijvend document en het bij het betreffende (aspect van) het subgunningscriterium omschreven doel beantwoorden.

4.4.

De juistheid van het standpunt van Yulius ten aanzien van de wijze van toekenning van rapportcijfers, in de zin dat zonder “minpunten” steeds een “5” zou moeten worden gescoord, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk, omdat de bewoordingen in de aanbestedingsstukken, objectief bezien, voor die uitleg geen aanknopingspunten bieden.

Alinea 5.6.2 begint met de zin ‘Naarmate de kwalitatieve aspecten van de Inschrijving beter zijn, wordt de Inschrijving beter beoordeeld’. Vervolgens is een beoordelingsmatrix opgenomen. Blijkens de beoordelingsmatrix diende Jeugdhulp Rijnmond te toetsen in welke mate aan het relevante doel werd beantwoord. Er is vooraf dus niet gedetailleerd duidelijk gemaakt wat nodig was voor een maximale score. Wanneer een beoordeling van kleur zou verschieten en een waardering bijvoorbeeld van “goed” in “uitmuntend” zou veranderen is vooraf niet exact uitgewerkt. De aanname van Yulius dat bij gebreke aan “minpunten” automatisch de hoogst haalbare score werd behaald, acht de voorzieningenrechter in deze situatie onjuist. Overigens komt de term “minpunt”, zoals Yulius die hanteert, in de aanbestedingsstukken ook niet voor. Jeugdhulp Rijnmond spreekt zelf over kanttekeningen in het kader van de beoordeling van de mate waarin aan de doelstellingen werd voldaan. Dat lijkt meer aan te sluiten bij de aanbestedingsstukken.

4.5.

Voor toewijzing van de vorderingen van Yulius is vereist dat sprake is van onmiskenbare onjuistheden of onduidelijkheden met betrekking tot de beoordeling van de inschrijving. Thans zal beoordeeld worden of aannemelijk is dat daarvan sprake is geweest.

4.6.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een kwalitatief gunningscriterium altijd enige mate van subjectiviteit bevat, wat op zichzelf niet in strijd is met de vereiste transparantie, die inhoudt dat de voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze in de aanbestedingsdocumenten dienen te worden vermeld (HvJ EU 29 april 2004, C-496/99 (Succhi di Frutta).

Van belang is dat het voor een kandidaat-inschrijver duidelijk is wat van hem wordt verwacht, dat de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld, en dat de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor de afgewezen inschrijvers mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Bij de rechterlijke toetsing van de beoordeling en waardering van de inschrijvingen dient enige mate van terughoudendheid te worden betracht.

4.7.

Ten aanzien van subgunningscriteria 1A, 1C, 3A, 3C ziet het bezwaar van Yulius er kort gezegd op dat zij is afgerekend op het bieden van onvoldoende inzage in hoe en wanneer onderaannemers worden ingezet, terwijl zij zelfstandig heeft ingeschreven. Zij stelt hiertoe dat zij zonder een beroep te doen op onderaannemers in staat is te bieden wat Jeugdhulp Rijnmond aan inschrijvers heeft gevraagd.

4.8.

Uit de toelichting van partijen en de onderdelen van de inschrijving waarvan de voorzieningenrechter kennis heeft kunnen nemen volgt dat in de inschrijving van Yulius onderaannemers een belangrijke rol spelen. Meerdere malen wordt het gebruik van onderaannemers genoemd. Op pagina 9 van de inschrijving ter zake subgunningscriterium 3 staat bijvoorbeeld beschreven “Daarnaast gaan wij investeren in het realiseren van goede afschalingsmogelijkheden met onze onderaannemers, dit zal positieve effecten hebben op de wachttijdduur.” Een ander voorbeeld is de afbeelding die onderdeel is van de inschrijving bij subgunningscriterium 3, waarin meerdere cirkels zichtbaar zijn die verschillen qua omvang. Deze afbeelding wekt de indruk dat de omvang van de cirkels verband houdt met het belang van de in de betreffende cirkel genoemde aspecten. Opvallend is dat de cirkel met “onderaannemers” relatief groot is ten opzichte van de cirkel waar Yulius zelf in staat. Niet onbegrijpelijk is dat Jeugdhulp Rijnmond op basis van de inschrijving met deze afbeelding en passages waar het gaat over de inzet of toevoeging van onderaannemers er vanuit is gegaan dat Yulius voornemens was onderaannemers in te zetten in het kader van de opdracht. Ook wanneer het niet de bedoeling zou zijn geweest met de omvang van de cirkel met “onderaannemers” het belang van onderaannemers ten opzichte van Yulius aan te geven, kan Yulius niet in redelijkheid zeggen dat Jeugdhulp Rijnmond had moeten begrijpen dat, ondanks die afbeelding en de verschillende tekstfragmenten waarin wordt verwezen naar onderaannemers, gelet op het Uniform Europees Aanbestedingsdocument had moeten begrijpen dat Yulius niet voornemens was onderaannemers in te zetten in het kader van de opdracht. Aangenomen moet immers worden dat wanneer geen onderaannemers zouden worden ingezet, de term ‘onderaannemers’ in het geheel niet in de inschrijving aan de orde zou komen. De inschrijving wekt, anders dan Yulius meent, de indruk dat Yulius zal samenwerken met onderaannemers en daar zelfs een beroep op moet doen om voordeel te kunnen behalen in het kader van de uitvoering van de opdracht, zoals het voornoemde verkorten van de wachttijdduur. Ook een zin als “Bij een deel van de jeugdigen zal de hulpvraag van dien aard zijn dat wij denken dat inzet van een onderaannemer het meest passend zal zijn.” duidt erop dat zij zonder onderaannemers haar aanbod niet gestand kan doen. Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat Jeugdhulp Rijnmond ten onrechte de beperkte uitwerking op het punt van onderaannemers in haar beoordeling heeft meegewogen. Dat bij de diverse aspecten van de subgunningscriteria expliciet was opgenomen dat een inschrijver diende te beschrijven hoe de aspecten bij onderaannemers geborgd was, is immers niet in geschil.

4.9.

Het bezwaar van Yulius ten aanzien van subgunningscriterium 3B is dat sprake is van een onjuiste beoordeling, omdat Jeugdhulp Rijnmond in de motivering heeft opgenomen dat het bij sommige risico’s logischer zou zijn deze aan te kaarten op een regionale tafel, terwijl dat volgens Yulius niet valt onder de eisen van het subgunningscriterium die zien op het risico’s beheersen en managen.

Ook op dit punt acht de voorzieningenrechter niet evident sprake van een onjuiste beoordeling. Zoals door Jeugdhulp Rijnmond en Parnassia is aangevoerd, bepaalde de aanbestedingsstukken op pagina 11 dat na gunning sprake zou zijn van een praktijktafel, als platform waarin zou worden samengewerkt bij, onder meer, het zo vroeg mogelijk detecteren en oplossen van knelpunten en het monitoren van de uitvoering. Gelet daarop komt het niet onredelijk voor dat Jeugdhulp Rijnmond betekenis hecht aan de omstandigheid dat er, in het licht van het subgunningscriterium dat gaat over de risico’s die de inschrijver onderkent, beheerst en managet, in de inschrijving niet wordt geschreven over risico’s die op de regionale tafel worden aangekaard. Daarbij komt dat Yulius uit het bepaalde op pagina 11 van de aanbestedingsstukken heeft moeten begrijpen dat het hier niet enkel ging om de interne beheersing en managing van risico’s.

4.10.

Dan resteert de beoordeling van subgunningscriterium 4B. Yulius heeft betoogd dat sprake is van een onjuiste beoordeling, omdat zij anders dan Jeugdhulp Rijnmond meent, in de inschrijving duidelijk de percentages waarin wordt samengewerkt heeft opgenomen.

Niet in geschil is dat uit de inschrijving de twee percentages 100% en 26,7% zijn af te leiden. Jeugdhulp Rijnmond meent echter dat gelet op de tekst van het subgunningscriterium het volume waarin wordt samengewerkt daarmee niet duidelijk is aangegeven.

De tekst van het subgunningscriterium luidt dat per zorgcriterium moet worden onderbouwd welk volume t.o.v. het totale volume van het betreffende zorgprogramma daadwerkelijk middels samenwerking met andere actoren wordt gerealiseerd. Gelet op deze tekst en met name de woorden “per zorgcriterium” is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk dat Jeugdhulp Rijnmond meent dat het volume waarin wordt samengewerkt niet duidelijk is aangegeven, nu in de inschrijving geen splitsing per zorgprogramma is opgenomen, maar enkel voornoemde percentages respectievelijk de daarbij behorende aantallen. Voor zover Yulius meent dat het noemen van voornoemde twee percentages in de gegeven situatie alle zorgprogramma’s betrof, geldt dat zij dat standpunt onvoldoende heeft onderbouwd.

4.11.

Op grond van het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding in te grijpen en enige vordering toe te wijzen.

4.12.

Yulius zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van zowel Jeugdhulp Rijnmond als Parnassia.

De kosten van zowel Jeugdhulp Rijnmond als Parnassia (afzonderlijk) worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.434,00

De door Jeugdhulp Rijnmond gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, met dien verstande dat de wettelijke rente over de in de proceskosten begrepen nakosten niet toewijsbaar is, omdat thans niet geheel bekend is vanaf welke datum de nakosten gemaakt zullen worden, zodat de verzuimdatum niet goed kan worden bepaald.

4.13.

Een proceskostenveroordeling kan in de verhouding tussen Parnassia en Jeugdhulp Rijnmond achterwege blijven, nu niet is gebleken dat Jeugdhulp Rijnmond als gevolg van de voeging van Parnassia extra kosten heeft moeten maken.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in de incidenten

5.1.

staat de tussenkomst van Parnassia toe,

5.2.

wijst de vordering tot tussenkomst danwel voeging van Horizon af,

5.3.

veroordeelt Horizon in de proceskosten van Jeugdhulp Rijnmond, tot op heden begroot op € 452,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Horizon binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

In de hoofdzaak

5.4.

wijst de vorderingen af;

5.5.

veroordeelt Yulius in de proceskosten van Jeugdhulp Rijnmond, tot op heden begroot op € 1.434,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Yulius niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.6.

veroordeelt Parnassia in de proceskosten van Jeugdhulp Rijnmond, tot op heden begroot op € 1.434,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag der algehele voldoening, ;

5.7.

bepaalt dat geen proceskostenvergoeding wordt opgelegd in de verhouding tussen Parnassia en Jeugdhulp Rijnmond.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2017.

1634/2009