Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9134

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
C/10/501711 / HA ZA 16-492
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadevaring doordat tijdens overslag giftige olie op de lading lekt vanuit de laadpijp van drijvend weegponton.

Schuld van het schip: ‘Casuele’/’De Toekomst’ onder (b), fout van een monteur die ten behoeve van schip arbeid heeft verricht.

Vorderingsgerechtigdheid kopers: de schade is in hun vermogen geleden hoewel zij nog geen eigenaar waren geworden en het risico op grond van FOB-beding nog bij hun verkoper lag.

Tijdelijke regeling verhaalsrechten staat niet aan subrogatie in de weg.

Geen derdenwerking exoneratie in algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6177
S&S 2018/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/501711 / HA ZA 16-492

(aanvankelijk C/10/443986 / HA ZA 14-141)

Vonnis van 15 november 2017

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar Belgisch recht

ALGEMENE VERVOERSVERZEKERING, ONDERLINGE VERZEKERINGSONDERNEMING,

gevestigd te Sint-Andries, België,

2. de rechtspersoon naar Belgisch recht

VANDEN AVENNE IZEGEM N.V.,

gevestigd te Izegem, België,

3. de rechtspersoon naar Belgisch recht

DUMOULIN N.V.,

gevestigd te Kortrijk, België,

4. de rechtspersoon naar Belgisch recht

TRADING FLANDERS COMPANY N.V.,

gevestigd te Meulebeke, België,

eiseressen,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROPEAN BULK SERVICES (E.B.S.) B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E. Jacobs te Rotterdam.

Partijen zullen hierna AVV c.s. en EBS worden genoemd. Eiseressen afzonderlijk zullen AVV, Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 14 mei 2014 en de daaraan ten grondslag liggende stukken, waaronder de dagvaarding en de akte overlegging producties tevens vermeerdering van eis, met producties

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties

  • -

    de brief van de rechtbank van 17 augustus 2016 waarmee partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen

  • -

    de bij brief van 16 november 2016 zijdens AVV c.s. toegezonden productie 8

  • -

    de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van beide zijden

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 1 december 2016 en de daaraan gehechte reacties daarop van mr. Bruidegom en mr. Jacobs per fax van 19 december 2016 respectievelijk 21 december 2016.

1.2.

Met het vonnis in incident van 14 mei 2014 is het EBS toegestaan om Louis Dreyfus Commodities Suisse S.A. (hierna: Louis Dreyfus) en Breston B.V. (hierna: Breston) in vrijwaring op te roepen. Deze procedure en de procedure in vrijwaring zijn op de rol van 1 april 2015 ambtshalve doorgehaald. De onderhavige (hoofd)zaak is opnieuw opgebracht, ten tijde van het vragen van vonnis was de vrijwaringsprocedure niet opnieuw opgebracht.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco handelen in grondstoffen. AVV is hun transportgoederenverzekeraar.

2.2.

EBS is een overslagbedrijf.

2.3.

Op 17 en 18 maart 2013 heeft EBS in opdracht van Louis Dreyfus sojameelpellets vanuit het zeeschip ‘Ermis’ gelost althans overgeslagen in achtereenvolgens de duwbak ‘Navin 61’ en de motorschepen ‘Vertrouwen’ en ‘Anmares’.

2.4.

Deze lossing en overslag werd verricht door middel van onder andere het aan EBS toebehorende drijvende weegponton genaamd ‘Jan 8’. De ‘Jan 8’ kwalificeert als een binnenschip en is in Nederland geregistreerd.

2.5.

Vanuit de laadpijp van de ‘Jan 8’ lekte hydraulische olie (hierna: de olie) op de inmiddels in de ‘Navin 61’, ‘Vertrouwen’ en de ‘Anmares’ aanwezige sojameelpellets. Dit werd ontdekt tijdens de belading van de ‘Anmares’.

Deze lekkage was het gevolg van het lostrillen van een onvoldoende vastgezette koppeling.

2.6.

Ten tijde van het ontdekken van de lekkage was de ‘Anmares’ beladen met 154,10 mt sojameelpellets. De belading c.q. overslag in de ‘Anmares’ werd direct stopgezet. De ‘Navin 61’, beladen met 2.690,04 mt sojameelpellets, en de ‘Vertrouwen’, beladen met 999,78 mt sojameelpellets, waren toen al weggevaren naar Gent.

2.7.

Door de aanwezigheid van de olie in de sojameelpellets is deze lading beschadigd. De olie bevat giftige bestanddelen die de olie ongeschikt maken voor dierlijke of menselijke consumptie. De sojapellets waren bestemd voor dierlijke consumptie.

2.8.

Kort voor het incident had Breston de ‘Jan 8’ voor EBS gereviseerd en in dat kader de koppeling onvoldoende vastgezet.

2.9.

Vanden Avenne had de sojameelpellets geladen in de ‘Vertrouwen’ en de ‘Navin 61’ van Louis Dreyfus gekocht. Dumoulin had de sojameelpellets in de ‘Vertrouwen’ van Vanden Avenne gekocht. Traflaco had de sojameelpellets in de ‘Anmares’ van Louis Dreyfus gekocht. AVV had de goederen gedurende het transport verzekerd.

2.10.

Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco en AVV als hun verzekeraar hebben EBS aansprakelijk gehouden voor de schade aan de sojameelpellets.

2.11.

Aan de zijde van AVV c.s. heeft Expertisebureau Lokker & Reitsma onderzoek verricht naar de oorzaak en omvang van de schade, welk onderzoek heeft geleid tot drie rapporten - ten aanzien van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco ieder afzonderlijk - van 3 oktober 2013.

Aan de zijde van EBS heeft BMT Surveys onderzoek verricht naar de oorzaak en de omvang van de schade, welk onderzoek heeft geresulteerd in een rapport van 27 november 2013 en een rapport van 31 januari 2014.

3 Het geschil

3.1.

AVV c.s. vorderen na eiswijziging samengevat - veroordeling van EBS, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van:

1. primair € 1.040.613,44 aan AVV, althans

subsidiair € 664.742,31 aan Vanden Avenne, € 310.570,45 aan Dumoulin en € 65.300,68 aan Traflaco,

alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2013 althans vanaf de dag van de dagvaarding,

2. € 31.896,28 € 31.896,28 aan AVV voor expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2013, althans de dag van de dagvaarding,

2. € 31.896,28 € 6.655,00 aan primair AVV althans subsidiair aan Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco gezamenlijk, voor buitengerechtelijke kosten,

2. € 31.896,28 de proceskosten.

3.2.

AVV c.s. leggen aan hun vorderingen het navolgende ten grondslag.

Het lekken van hydraulische olie vanuit de ‘Jan 8’ op de duwbak en schepen met sojameelpellets moet worden gekwalificeerd als een oneigenlijke aanvaring. Hierop zijn de artikelen 8:1002 e.v. BW van toepassing. EBS is ingevolge artikel 8:1005 BW als eigenaar van de ‘Jan 8’ aansprakelijk voor de gevolgen van deze oneigenlijke aanvaring.

Immers, doordat de ‘Jan 8’ niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen is giftige olie over lading bestemd voor de voedselindustrie gesproeid, is een bijzonder gevaar voor personen of zaken, in het leven geroepen en dit heeft zich ten aanzien van de lading ook verwezenlijkt. Indien dit het gevolg was van een fout van een monteur dan is EBS daarvoor evenzeer aansprakelijk, op grond van artikel 6:169-171 BW. EBS had geen giftige olie behoeven te kiezen.

Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco waren kopers en eigenaren van de sojameelpellets in de ‘Navin 61’, de ‘Vertrouwen’ en de ‘Anmares’. De schade is in hun vermogen geleden, nu deze zich voordeed aan boord van deze duwbak respectievelijk lichters en dit voor risico kwam van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco en hun verzekeraar AVV.

Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco hebben ieder schade geleden zoals gekwantificeerd in de subsidiaire vordering. AVV heeft deze schade, daartoe gehouden onder de verzekeringspolissen, vergoed en is dus gesubrogeerd in de vorderingsrechten van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco. Voor zoveel nodig heeft AVV van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco ook last en volmacht om hun vorderingen te incasseren.

Subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat AVV geen vorderingsrecht heeft, stellen Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco de vorderingen in eigen naam voor het geheel in.

Tot zover de stellingen van AVV c.s.

3.3.

EBS voert verweer en concludeert tot afwijzing daarvan met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van AVV c.s. in de proceskosten.

3.4.

EBS betwist dat zij jegens AVV c.s. aansprakelijk is voor de gestelde schade.

Ten eerste bestrijdt EBS dat AVV c.s. vorderingsgerechtigd zijn.

Zij voert daartoe aan dat de schade is opgetreden tijdens een nog niet afgeronde belading op het moment dat het risico ter zake van beschadiging nog bij de verkoper Louis Dreyfus en nog niet bij Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco lag. Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco hadden immers op basis CIF of FOB Rotterdam gekocht zodat het risico pas op ieder van hen overging bij voltooiing van de belading van de desbetreffende duwbak of lichter. Deze kopers hadden de lading kunnen en moeten weigeren toen tijdens de belading werd geconstateerd dat deze was beschadigd. Vrijwel alle lading was op dat ogenblik nog niet betaald en dat Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco ondanks de beschadiging van de lading hebben betaald komt voor hun rekening en risico. Niet Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco maar Louis Dreyfus leed de schade. Er was dus ook geen verzekerd belang van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco met als gevolg dat AVV ten onrechte heeft uitgekeerd. AVV kan niet subrogeren in rechten van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco omdat de Tijdelijke regeling verhaalsrechten van artikel 6:197 lid 3 BW daaraan in de weg staat. Van de gestelde last een volmacht is niet gebleken, aldus nog steeds EBS.

Ten tweede betwist EBS dat het incident als oneigenlijke aanvaring kan worden gekwalificeerd. Daarvan kan slechts sprake zijn indien schuld van het schip, de ‘Jan 8’, in het geding is en dat geval doet zich niet voor. EBS had geen schuld aan de montagefout die de rechtens relevante oorzaak van de schade is. De schuld daarvoor ligt niet bij EDS maar bij Breston die de revisie had uitgevoerd. Het standpunt van AVV c.s. komt neer op het aannemen van risicoaansprakelijkheid of een vermoeden van schuld en dat is geen juiste uitleg van het begrip schuld van het schip of het arrest “Casuele’/‘De Toekomst”, aldus nog steeds EBS.

Ten derde betwist EBS dat haar kan worden verweten dat zij dit type olie heeft gebruikt in plaats van een “food grade” olie. Het gebruik van de onderhavige olie was niet onjuist of slechter dan het gebruik van een andere olie. De ‘Jan 8’ beschikte ook over alle noodzakelijke certificaten.

Voor het geval de rechtbank EBS aansprakelijk zou achten, voert EBS aan dat zij aansprakelijkheid heeft uitgesloten althans gemaximeerd in haar met Louis Dreyfus voor de overslagwerkzaamheden overeengekomen algemene voorwaarden en dat aan die voorwaarden derdenwerking toekomt.

EBS betwist ook de schadeomvang en doet een beroep op eigen schuld.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Voorvragen

4.1.

AVV c.s. zijn gevestigd in België. EBS is gevestigd in Nederland, binnen het arrondissement Rotterdam.

Op grond van artikel 2 Brussel I Vo (Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken) heeft de rechtbank internationale bevoegdheid om van de vorderingen van AVV c.s. tegen EBS kennis te nemen. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

4.2.

AVV c.s. hebben hun eis gewijzigd. EBS heeft daartegen geen bezwaar gemaakt en de rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om deze buiten beschouwing te laten. Bij de beoordeling wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde eis zoals weergegeven onder 3.1.

4.3.

Vervolgens moet worden bepaald naar welk recht de vorderingen van AVV c.s. moeten worden beoordeeld. Hoewel dit onderdeel van het debat tussen partijen niet volledig is uitgekristalliseerd, kan en moet de rechtbank hierover ambtshalve oordelen.

AVV c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat door de schuld van de ‘Jan 8’ schade is veroorzaakt en dat EBS als eigenaar van de ‘Jan 8’ voor die schade aansprakelijk is op grond van artikel 8:1002 e.v. BW. Aldus gronden AVV c.s. hun vorderingen op een niet-contractuele verbintenis in burgerlijke en handelszaken als bedoeld in de Rome II Vo (Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlementen en de Raad). Het op die vordering toepasselijke recht moet daarom door toepassing van de Rome II Vo worden gevonden.

Nu partijen geen rechtskeuze hebben gedaan als bedoeld in artikel 14 Rome II Vo, volgt uit artikel 4 lid 1 Rome II Vo dat het Nederlandse recht van toepassing is aangezien de schade zich in Nederland heeft voorgedaan. Dat zich een van de lid 2 of lid 3 van artikel 4 lid 1 Rome II Vo voorziene uitzonderingen voordoet is gesteld noch gebleken.

4.4.

Mede gelet op artikel 15 Rome II Vo moet ook de vraag wie gerechtigd is om schadevergoeding te vorderen naar Nederlands recht worden beantwoord.

Ingevolge artikel 19 Rome II Vo is op de vraag of en in welke mate AVV rechten van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco jegens EBS kan uitoefenen het recht van toepassing dat de (verzekerings)relatie tussen AVV en Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco beheerst.

De vorderingsgerechtigdheid van AVV c.s.

4.5.

Toen de beschadiging van de sojameelpellets werd ontdekt, en de overslag in de ‘Anmares’ werd afgebroken, was de ‘Navin 61’ beladen met 2.690,04 mt sojameelpellets voor Vanden Avenne, de ‘Vertrouwen’ met 999,78 mt voor Dumoulin en de ‘Anmares’ met 154,10 mt voor Traflaco.

4.6.

AVV c.s. stellen dat de schade in het vermogen van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco is geleden, omdat zij kopers en eigenaren waren van deze ladingen en de schade zich voordeed op een tijdstip nadat het risico ter zake van verlies of schade op hen was overgegaan. Hun rechten worden uit hoofde van subrogatie dan wel uit hoofde van last en volmacht door AVV uitgeoefend, aldus AVV c.s.

4.7.

EBS betwist dat de schade door Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco is geleden. Zij voert aan dat Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco als CIF- dan wel FOB-kopers ten tijde van de olielekkage nog geen eigenaar waren van de partijen sojameelpellets en nog niet het risico droegen van schade daaraan of verlies daarvan. EBS betoogt dat AVV bij gebrek aan enig recht van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco niet kan zijn gesubrogeerd in enig recht op schadevergoeding jegens EBS, en dat AVV bij gebrek aan verzekerd belang niet gehouden was tot uitkering.

4.8.

Gelet op dit partijdebat zal de rechtbank eerst beoordelen of Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco schade in eigen vermogen hebben geleden omdat zij ten tijde van de beschadiging (i) eigenaar waren van de sojameelpellets, dan wel (ii) reeds het risico droegen ter zake van verlies of beschadiging van de sojameelpellets.

4.9.

Blijkens een koopovereenkomst van 26 februari 2013 met nummer SB20130226.005 heeft Vanden Avenne van Louis Dreyfus (ongeveer) 1.000 mt sojameelpellets gekocht, met de volgende bedingen:

“Commodity : (...) Material complies with all GMP+ requirements

Shipment : To be shipped per mv Ermis o.b.n., this voyage.

Price : US$ 530,00 per metric ton, c.i.f. Rotterdam, in transit;

Payment : 100% net cash against documents on presentation in Rotterdam

per full-rate cable-transfer without costs to the seller;

Contract : G.A.F.T.A. No. 100 (...)”

Blijkens een koopovereenkomst van 7 maart 2013 met nummer M - 9496 heeft Vanden Avenne van Louis Dreyfus (ongeveer) 1.500 mt sojameelpellets gekocht, met de volgende bedingen:

“Price : US $ 535,- per 1.000 kilos, net, delivered weight,

FOB ROTTERDAM EC cleared.

Position : Per M/V “ERMIS”, o.b.n., present voyage.

Payment : Net cash on receipt of fax/emailinvoice on day of delivery by

telegraphic transfer. (...)

Contract : C.N.G.D. in addition to GAFTA 100 (...)”

Tussen partijen is niet in geschil dat hetgeen in de ‘Navin 61’ is geladen is geleverd uit hoofde van deze twee koopovereenkomsten.

4.10.

Blijkens een koopovereenkomst van 29 juni 2012 met nummer M - 9374 heeft Dumoulin van Vanden Avenne (ongeveer) 8.250 mt sojameelpellets gekocht, met de volgende bedingen:

“Price : EU 391,- per 1.000 kilos, net, delivered weight,

FOB ROTTERDAM/AMSTERDAM to be declared latest on tender. EC cleared.

Position : SHIPMENT JANUARY through MARCH 2014, each 2.750

m/Ton (MIN/MAX).

Payment : Net cash on receipt of fax/emailinvoice on day of delivery by

telegraphic transfer. (...)

Contract : C.N.G.D. in addition to GAFTA 100 (...)”

Tussen partijen is niet in geschil dat hetgeen in de ‘Vertrouwen’ is geladen is geleverd uit hoofde van deze koopovereenkomst. Hoewel geen stukken zijn overgelegd over de verkoop aan Vanden Avenne, door Louis Dreyfus, van hetgeen Vanden Avenne in de ‘Vertrouwen’ heeft geleverd aan Dumoulin, is gesteld noch gebleken dat de schade ter zake van de aan Dumoulin (door)geleverde partij overlapt met de schade ter zake van de aan Vanden Avenne geleverde partij. Bij gebreke van aanwijzingen voor een ander oordeel neemt de rechtbank aan dat ook deze lading door Louis Dreyfus aan Vanden Avenne ofwel CIF Rotterdam ofwel FOB Rotterdam is verkocht.

4.11.

Blijkens een koopovereenkomst van 12 maart 2013 met nummer M - 9473 heeft Traflaco van Louis Dreyfus een partij van ongeveer 500 mt sojameelpellets gekocht, met de volgende bedingen:

“Price : US $ 525,- per 1.000 kilos, net, delivered weight,

FOB ROTTERDAM EC cleared.

Position : Per M/V “ERMIS”, o.b.n., present voyage.

Payment : Net cash on receipt of fax/emailinvoice on day of delivery by

telegraphic transfer. (...)

Contract : C.N.G.D. in addition to GAFTA 100 (...)”

Tussen partijen is niet in geschil dat hetgeen in de ‘Anmares’ is geladen is geleverd uit hoofde van deze koopovereenkomst.

4.12.

Ingevolge artikel 10:127 BW moet de vraag wie eigenaar was van de sojameelpellets toen deze gedurende de overlading in Rotterdam beschadigd raakten naar Nederlands recht worden beantwoord. Voor toepassing van artikel 10:133 BW ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding, nu geen sprake is van een vluchtige, onbekende of niet door enig recht beheerste plaats van ligging van de betrokken zaken. Het onderwerp eigendomsovergang wordt niet bestreken door het Weens Koopverdrag (Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980 (CISG)) of de Incoterms (vgl. Incoterms 2010, ICC Nederland publicatie 715 N, p. 8) zodat deze hier buiten beschouwing blijven.

Naar intern Nederlands recht is voor een geldige eigendomsoverdracht vereist ‘een levering krachtens geldige titel verricht door hem die bevoegd is om over het goed te beschikken’ (artikel 3:84 lid 1 BW).

Aan het vereiste dat levering heeft plaatsgevonden was op het moment dat de sojameelpellets beschadigd raakten nog niet voldaan. Van levering door bezitsverschaffing als bedoeld in artikel 3:90 BW was nog geen sprake, aangezien de lossing c.q. overslag door EBS in opdracht van Louis Dreyfus ten tijde van de beschadiging nog gaande was, zodat niet kan worden gezegd dat de te leveren goederen zich op dat moment reeds feitelijk (geheel) in de macht van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco bevonden. Ook indien wordt aangenomen dat de sojameelpellets in de feitelijke macht van de respectieve kopers geraakten al naar gelang deze in de door hen bevrachte ‘Navin 61’, ‘Vertrouwen’ en ‘Anmares’ waren gestort, kan dit niet tot gevolg hebben dat het reeds gestorte deel van de sojameelpellets al wel in eigendom toebehoorde aan de betreffende koper, maar het nog niet gestorte deel daarvan nog toebehoorde aan de verkoper. Het gaat er om dat ‘het gekochte’, dat wil zeggen: de gehele gekochte partij, wordt geleverd. De rechtszekerheid vereist dat bij aflevering van bulkgoederen als de onderhavige de eigendom niet steeds per afgeleverde/gestorte pellet of gewichtseenheid overgaat op de koper, maar pas zodra de gehele gekochte zaak is afgeleverd c.q. aan de koper ter beschikking is gesteld. Pas op dat moment - in dit geval dus na voltooiing van de lossing uit de ‘Ermis’ c.q. overslag in de ‘Navin 61’ respectievelijk de ‘Vertrouwen’ en voor wat betreft de ‘Anmares’ na het staken van de lossing c.q. overslag - heeft levering in juridisch opzicht plaatsgevonden.

De conclusie is dat Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco ten tijde van de beschadiging nog geen eigenaar waren van de door ieder van hen gekochte zendingen sojameelpellets.

4.13.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor of de sojameelpellets ten tijde van de beschadiging daarvan reeds voor risico van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco kwamen.

Uit de in r.o. 4.9 tot en met 4.11 aangehaalde overeenkomsten volgt dat steeds ofwel op basis CIF Rotterdam ofwel op basis FOB Rotterdam is verkocht. Partijen zijn het er over eens dat de aanduidingen CIF en FOB dienen te worden verstaan als bedoeld in de Incoterms 2010.

Aan de CISG gaat de rechtbank verder voorbij, nu door het overeenkomen van een FOB- of CIF-beding wordt afgeweken van de niet dwingendrechtelijke CISG-regeling met betrekking tot risico-overgang.

4.14.

De Incoterms 2010 gaan ervan uit dat na het beding CIF de overeengekomen haven van bestemming wordt vermeld, dat de verkoper een overeenkomst afsluit - of doet afsluiten - voor het vervoer van de goederen naar die haven van bestemming. Het risico gaat echter op de koper over in de haven van verscheping.

De tussen Louis Dreyfus en Vanden Avenne gemaakte afspraak CIF Rotterdam (zie r.o. 4.9) houdt dus naar de letter in dat Louis Dreyfus het vervoer moest organiseren naar Rotterdam - hetgeen zij gelet op de onderliggende cognossementen kennelijk heeft gedaan - en dat het risico al in de haven van verscheping op Vanden Avenne overging.

AVV c.s. en EBS zijn het er echter over eens dat het risico ter zake van de hier relevante CIF-levering te Rotterdam is overgegaan van verkoper Louis Dreyfus op koper Vanden Avenne. Partijen twisten er alleen over of dit risico is overgegaan tijdens de belading of pas na het volledig beladen zijn van de duwbak respectievelijk binnenschepen.

Nu AVV c.s. en EBS op dit punt ten aanzien van de CIF verkochte lading in wezen hetzelfde betogen als ten aanzien van de FOB verkochte lading, waarmee zij beiden afwijken van een normale uitleg en toepassing van het CIF-beding, zal de rechtbank hetgeen hierna over de FOB-leveringen zal worden overwogen en beslist ook toepassen op de CIF-levering.

4.15.

De Incoterms 2010 gaan ervan uit dat na het beding FOB de overeengekomen haven van verscheping wordt vermeld, dat de koper een overeenkomst afsluit - of, al dan niet via de verkoper, doet afsluiten - voor het vervoer van de goederen vanuit die haven naar de door de koper bepaalde bestemming. Het risico gaat op de koper over in de haven van verscheping.

Aldus houdt de tussen Louis Dreyfus met zowel Vanden Avenne als Traflaco gemaakte afspraak FOB Rotterdam (zie r.o. 4.9 respectievelijk 4.11) in dat Vanden Avenne en Traflaco het vervoer moesten organiseren vanaf Rotterdam, zoals zij kennelijk hebben gedaan, en dat het risico in Rotterdam op Vanden Avenne en Traflaco zou overgaan.

Niet in geschil is dat de Incoterms 2010 - voor zover hier relevant - voorschrijven dat bij levering FOB de verkoper het risico van schade aan of verlies van de goederen draagt tot deze zijn geleverd door deze aan boord te plaatsen van het (door de koper aangewezen) schip.

4.16.

De ICC-publicatie ‘Incoterms 2010’ vermeldt, voor zover relevant:

“Tot deze groep behoren FAS, FOB, CFR en CIF. Bij deze laatste drie Incoterms regels is iedere verwijzing naar de scheepsreling als punt van levering achterwege gelaten. In plaats hiervan worden de goederen geacht geleverd te zijn wanneer zij ‘aan boord’ van het schip zijn. Dit weerspiegelt beter de moderne economische realiteit (...).” (p. 10)

en ten aanzien van het beding FOB:

“Het risico van schade aan of verlies van de goederen gaat over wanneer de goederen zich aan boord van het schip bevinden en vanaf dat ogenblik draagt de koper alle kosten.” (p. 95)

De rechtbank leidt hieruit af dat, anders dan AVV c.s. betoogt, de scheepsreling als aanknopingspunt voor risico-overgang is losgelaten in de Incoterms 2010, zodat het passeren daarvan onvoldoende is om de overgang van het risico te bewerkstelligen. Veeleer is beoogd om aansluiting te zoeken bij het ‘aan boord’ zijn van de goederen en bij de economische realiteit.

De ICC-publicatie ‘Incoterms 201 Q&A - Questions and expert ICC guidance on the Incoterms 2010 rules’ behandelt wat onder ‘aan boord’ moet worden verstaan bij een FOB-beding en wie het risico draagt als de goederen tijdens het laden vallen en beschadigd raken (vraag 37, p. 100). Het antwoord luidt, voor zover relevant, dat ‘goods may be delivered on board the vessel when first at rest on deck’ en dat wanneer goederen vallen en beschadigd raken tijdens het laden, het risico nog bij verkoper ligt omdat ‘placing goods on board does not contemplate a process that results in damage’. Voorts wordt verduidelijkt dat als goederen verloren gaan tijdens het laden terwijl pas een deel van de goederen aan boord is gebracht, de goederen nog niet als geleverd gelden en het risico nog niet over is, omdat de verkoper verplicht is om alle goederen aan boord te plaatsen (vraag 39, p. 101).

4.17.

Uit deze door of vanwege de ICC gegeven uitleg van de Incoterms volgt dat in de kooprelatie(s) het risico ter zake van verlies of beschadiging ten tijde van de olielekkage nog niet was overgegaan op de koper(s).

Dit betekent concreet dat toen de ladingen beschadigd raakten het risico steeds in de relatie tot Louis Dreyfus nog op Louis Dreyfus rustte, en in de relatie tussen Vanden Avenne en Dumoulin op Vanden Avenne.

Door geen van partijen zijn andere bepalingen in de relevante koopovereenkomsten ingeroepen die tot een ander beoordelingskader of een ander oordeel zouden kunnen leiden.

4.18.

Met deze beslechting van het uitgebreide partijdebat op dit punt is echter nog niet het laatste woord gezegd over de vorderingsgerechtigdheid van AVV c.s. jegens EBS.

Of Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco jegens EBS een vorderingsrecht hebben wegens de gestelde schadevaring, hangt immers niet uitsluitend af van de tussen Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco en hun verkopers overeengekomen risicoverdeling.

Het gaat er bij een vordering als de onderhavige - in wezen een vordering uit onrechtmatige daad - om of Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco de partijen zijn die als gevolg van het schadebrengende voorval schade hebben geleden. Daarvoor is niet (per definitie) vereist dat Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco (reeds) eigenaar waren van de beschadigde zaken of dat het risico ter zake van beschadiging of verlies onder de koopovereenkomst reeds op hen was overgegaan (vgl. Hof Amsterdam 24 mei 2016, r.o. 2.6.2-2.6.5, ECLI:NL:GHAMS:2016:2003 en A-G Hartlief over dit oordeel in zijn conclusie onder 3.16-3.23 bij HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2622 (Liander)).

4.19.

Alle beschadigd geraakte sojameelpellets bevonden zich aan boord van de door Vanden Avenne, Dumoulin dan wel Traflaco gestelde duwbak of lichters toen daarop vanaf de laadarm van de ‘Jan 8’ olie lekte. De schade werd pas opgemerkt toen de ‘Navin 61’ en de ‘Vertrouwen’ reeds waren weggevaren en in de ‘Anmares’ reeds een grote hoeveelheid sojameelpellets was geladen.

EBS bestrijdt niet dat Vanden Avenne en Traflaco de koopprijzen aan Louis Dreyfus en Dumoulin de betreffende koopprijs aan Vanden Avenne hebben betaald (conclusie van antwoord 27 en 28). Gesteld noch gebleken is dat Louis Dreyfus, respectievelijk Vanden Avenne voor wat betreft de door deze aan Dumoulin doorverkochte partij, de schade voor haar rekening heeft genomen of de koopprijzen heeft terugbetaald. Zeker voor de in de ‘Navin 61’ en de ‘Vertrouwen’ afgevoerde partijen sojameelpellets, maar ook voor de sojameelpellets die reeds in de ‘Anmares’ aanwezig waren, lag bepaald niet voor de hand dat deze - beschadigd en wel - zouden kunnen worden ‘teruggegeven’ aan Louis Dreyfus, respectievelijk Vanden Avenne.

Gesteld noch gebleken is dat Louis Dreyfus of enig andere derde EBS heeft aangesproken tot vergoeding van de onderhavige schade, of dat EBS nog risico loopt aldus te worden aangesproken.

Het past dan ook bij de economische realiteit te concluderen dat Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco de schade in hun vermogen hebben geleden, zodat zij gerechtigd zijn vergoeding daarvan te vorderen van de aansprakelijke partij.

De vraag naar subrogatie komt in r.o. 4.26 tot en met 4.29 aan de orde.

Schadevaring

4.20.

Tussen partijen is niet in geschil dat de ‘Jan 8’ als binnenschip kwalificeert en dat daarom artikel 8:1005 BW op haar van toepassing kan zijn. Deze bepaling luidt: “Indien de schade is veroorzaakt door de schuld van één binnenschip, is de eigenaar van dit schip verplicht de schade te vergoeden.

Dat schade is geleden, doordat er giftige hydraulische olie vanuit de ‘Jan 8’ op voor dierlijke consumptie bestemde sojameelpellets is gesproeid, staat vast. Ook staat vast dat de lekkage van olie het gevolg is van een fout van een monteur van Breston, die in opdracht van EBS ten behoeve van de ‘Jan 8’ werk heeft verricht, welke fout is begaan bij het verrichten van die werkzaamheden.

4.21.

AVV c.s. en EBS twisten over de vraag of deze schade is ontstaan door ‘schuld van het schip’. EBS bestrijdt dat sprake is van schuld van het schip, dat EBS schuld treft en dat causaal verband bestaat tussen de (gehele) schade waarvan vergoeding wordt gevorderd en de vermeende schuld van het schip.

4.22.

Voor de uitleg van het begrip ‘schuld van het schip’ dient - zoals ook partijen aangeven - te worden aangeknoopt bij de maatstaf gegeven in het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AD3922, ‘Casuele’/’De Toekomst’).

Dit arrest luidt, voor zover hier relevant:

“Bij de uitlegging van het onderhavige begrip moet worden vooropgesteld dat volgens art. 8:1004 lid 1 en art. 8:546 geen wettelijk vermoeden van schuld bestaat. Daaruit valt af te leiden dat op de eigenaar van het schip niet in het algemeen risicoaansprakelijkheid rust met betrekking tot door of met het schip aan personen of zaken toegebrachte schade (in deze zin ook Kamer van beroep van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, 13 oktober 1976, Schip en Schade 1977, 49). Daar staat echter tegenover dat volgens art. 6:173 lid 1 de bezitter van een roerende zaak aansprakelijk is indien zich een bijzonder gevaar voor personen of zaken verwezenlijkt dat in het leven is geroepen doordat de zaak niet aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen voldoet. Ofschoon deze bepaling volgens het derde lid uitdrukkelijk niet op schepen van toepassing is, dient een daarmee overeenstemmende regel ook te gelden met betrekking tot de aansprakelijkheid van de eigenaar van een schip volgens de art. 8:544–8:545 en 8:1004–8:1005. Dit een en ander leidt tot de conclusie dat sprake is van schuld van een schip indien de schade het gevolg is van: (a) een fout van een persoon voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is volgens de art. 6:169–6:171; (b) een fout van een persoon of van personen die ten behoeve van het schip of van de lading arbeid verricht/verrichten of heeft/hebben verricht, begaan in de uitoefening van hun werkzaamheden; (c) de verwezenlijking van een bijzonder gevaar voor personen of zaken dat in het leven is geroepen doordat het schip niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden eraan mocht stellen.”

4.23.

EBS betoogt dat aan haar geen verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop de schade is ontstaan. Zij wijst op artikel 8:1004 BW, dat bepaalt dat schadeplichtigheid slechts bestaat indien de schade is veroorzaakt door schuld, en dat er geen wettelijk vermoeden van schuld bestaat ter zake van een aanvaring dan wel, in verbinding met artikel 8:1002 BW, schadevaring.

Voor zover EBS daarmee betoogt dat geen ‘schuld van het schip’ kan worden aangenomen zonder schuld van de eigenaar van het schip, gaat EBS uit van een te beperkte uitleg van deze wetsartikelen. Uit de hierboven aangehaalde passage uit het arrest inzake ‘Casuele’/’De Toekomst’ blijkt immers dat de Hoge Raad bij de uitlegging van ‘schuld van het schip’ uitdrukkelijk het ontbreken van een wettelijk schuldvermoeden heeft betrokken en drie categorieën van gevallen van ‘schuld van het schip’ heeft omschreven, en dat ieder van deze categorieën ook gevallen (kan) omvatten waarin de scheepseigenaar geen eigen schuld treft. Ook het beroep van EBS op overmacht, dat is gegrond op afwezigheid van schuld van EBS zelf, stuit hierop af.

Voor zover EBS betoogt dat sprake moet zijn van een fout, is dit juist voor wat betreft bovenbedoelde categorieën (a) of (b), maar te beperkt voor wat betreft categorie (c), waarin de Hoge Raad voor schepen een parallel met artikel 6:173 lid 1 BW heeft getrokken en heeft geconcludeerd dat - samengevat - de eigenaar van een gebrekkig schip schuld treft indien een door dat gebrek in het leven geroepen bijzonder gevaar zich heeft verwezenlijkt.

Of aan EBS een verwijt kan worden gemaakt is dan ook ondergeschikt aan de vraag of in dit geval is voldaan aan één of meer van de categorieën ‘schuld van het schip’ zoals omlijnd in ‘Casuele’/’De Toekomst’.

4.24.

De rechtbank beantwoordt deze laatste vraag bevestigend.

AVV c.s. hebben aan de orde gesteld of EBS, gelet op het gebruik van de ‘Jan 8’ voor de overslag van eetbare grondstoffen, niet beter food grade olie had kunnen toepassen in plaats van de feitelijk toegepaste giftige olie, zoals zij ook - in ieder geval voor bepaalde toepassingen - na het incident is gaan doen. EBS heeft daar tegenin gebracht dat het toepassen van food grade olie toentertijd niet verplicht was en het gebruik van de feitelijk toegepaste olie niet ongebruikelijk was in de branche.

Eveneens werpen AVV c.s. in dit verband de vraag op of de ‘Jan 8’ aan de eisen voldeed die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, nu in hydraulische leidingen giftige olie aanwezig was die - onder bijkomende omstandigheden, zoals in het onderhavige geval - op de eetbare lading zou kunnen gaan lekken, en aldus zou leiden tot verwezenlijking van een aan die giftige olie verbonden bijzonder gevaar voor personen of zaken.

De rechtbank acht het niet opportuun om te onderzoeken of mede gelet op inzichten en gebruiken van destijds, het gebruik van de giftige olie als een door EBS of aan EBS toe te rekenen fout moet worden gekwalificeerd als bedoeld in categorie (a) hierboven, dan wel als gebrek van het schip als bedoeld in categorie (c) hierboven. Voor de conclusie dat in dit geval sprake is van ‘schuld van het schip’ is voldoende dat zich hier in ieder geval het onder (b) bedoelde geval voordoet. De lekkage van giftige olie is immers het gevolg van een fout van een monteur van Breston, begaan bij het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de ‘Jan 8’ in opdracht van EBS. De rechtbank ziet niet in waarom deze werkzaamheden niet als ‘arbeid ten behoeve van het schip’ zouden gelden, dan wel niet zouden zijn verricht in het kader van de bedrijfsactiviteiten van EBS, zoals EBS heeft betoogd. Nu EBS dat betoog niet heeft onderbouwd of toegelicht, gaat de rechtbank er verder aan voorbij.

4.25.

De conclusie is dat EBS als eigenaar van de ‘Jan 8’ verplicht is de schade te vergoeden die door de schuld van het schip is veroorzaakt.

Het subrogatieverbod van artikel 6:197 lid 2 BW

4.26.

AVV c.s. stellen dat AVV na uitkering onder de verzekeringspolis is gesubrogeerd in de vorderingsrechten van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco. Dat de uitkering is gedaan, is niet betwist.

Uit het hiervoor gegeven oordeel volgt dat - anders dan EBS aanvoert - deze uitkering niet onverplicht is gedaan.

Dat het op de verzekeringsrelatie toepasselijke recht subrogatie als rechtsgevolg verbindt aan deze uitkering, is niet bestreden.

4.27.

EBS betoogt echter dat het subrogatieverbod dat in verband met de Tijdelijke regeling verhaalsrechten is neergelegd in artikel 6:197 lid 2 BW aan de gestelde subrogatie in de weg staat. EBS voert aan dat alle categorieën ‘schuld van het schip’ die de Hoge Raad heeft onderscheiden in ‘Casuele’/’De Toekomst’ vallen onder het subrogatieverbod van artikel 6:197 lid 2 BW en dat de vorderingen van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco dus niet vatbaar zijn voor subrogatie krachtens - samengevat - verzekering.

4.28.

Dit verweer wordt verworpen.

De Tijdelijke regeling verhaalsrechten strekt ertoe de gevolgen van de uitbreiding van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad in het huidige Burgerlijk Wetboek te neutraliseren voor zover het betreft verhaalsrechten van sociale en particuliere verzekeraars en van de overheid. Van een dergelijke uitbreiding van aansprakelijkheid is in dit geval, waarin de aansprakelijkheid van een schip volgens de artikelen 8:1004-8:1005 BW wordt beoordeeld onder toepassing van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in ‘Casuele’/‘De Toekomst’, echter geen sprake. De onderhavige nationale invulling door de Hoge Raad van het begrip ‘schuld van het schip’ brengt materieel geen verruiming van aansprakelijkheid en reeds daarom geen grond voor analoge toepassing van artikel 6:197 BW mee, nog daargelaten de grote consequenties voor de aanvaringspraktijk, waar subrogatie aan de orde van de dag is, die een andersluidende opvatting zou hebben.

De rechtbank sluit zich hiermee aan bij hetgeen het Hof Leeuwarden heeft overwogen in zijn arrest van 20 juni 2009 in de zaak over de ‘Bertiga’ (ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ1396), waarop ook AVV c.s. zich ter zitting hebben beroepen. EBS heeft verzocht zich over het beroep op deze uitspraak bij akte te mogen uitlaten. De rechtbank ziet daarvoor onvoldoende aanleiding, nu het hier niet gaat om nieuwe feitelijke stellingen van AVV c.s. maar om het door de rechtbank toepassen van de wet naar de stand van de jurisprudentie.

4.29.

De conclusie op dit punt is dat voor zover enig bedrag aan schadevergoeding zal worden toegewezen, dit aan AVV zal worden toegewezen, zoals primair gevorderd.

Aan hetgeen over en weer is gezegd over de last en volmacht aan AVV komt de rechtbank niet toe.

het beroep op derdenwerking van de exoneratie in de algemene voorwaarden van EBS

4.30.

EBS beroept zich, voor het geval zij aansprakelijk wordt geacht, op de uitsluitingen en beperkingen van aansprakelijkheid die in de artikelen 10.2, 10.3 en 10.5 van haar algemene voorwaarden zijn opgenomen. Zij stelt dat zij de toepasselijkheid van deze voorwaarden is overeengekomen met haar opdrachtgever Louis Dreyfus en dat ook AVV c.s. deze tegen zich moeten laten werken op grond van derdenwerking.

AVV c.s. bestrijden een en ander.

4.31.

Uitgangspunt is dat contractuele bedingen alleen van kracht zijn tussen partijen bij de overeenkomst. In bepaalde gevallen kan een uitzondering op dit beginsel worden aanvaard, in die zin dat een derde een contractueel beding in redelijkheid tegen zich moet laten gelden, maar daarvoor zal dan een voldoende rechtvaardiging moeten worden gevonden in de aard van het betreffende geval. Dit kan het geval zijn als sprake is van een op gedragingen van die derde terug te voeren vertrouwen van degene die zich op het beding beroept dat hij dit beding zal kunnen inroepen in relatie tot die derde. Ook de aard van de tegengeworpen overeenkomst en van het betreffende beding in verband met de bijzondere relatie waarin de derde staat tot degene die zich op het beding beroept, kan een uitzondering op het beginsel rechtvaardigen. Voorts moet rekening worden gehouden met het stelsel van de wet, in het bijzonder indien de wet aan bepaalde daarin geregelde overeenkomsten binnen zekere grenzen werking jegens derden toekent en het betreffende geval in dit stelsel moet worden ingepast. (Zie met name HR 7 maart 1969, ECLI:NL:HR:1969:AB7416 (Gegaste uien), HR 12 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC2298 (Securicor), HR 20 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD5694 (Citronas), HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4429 (Sungreen)).

4.32.

Dat Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco bij EBS het vertrouwen hebben gewekt dat EBS haar exoneratie jegens hen zou mogen inroepen is niet aannemelijk geworden. Dat Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco konden vermoeden dat EBS exoneratiebedingen in haar voorwaarden zou hanteren en deze mogelijkerwijs zou willen inroepen, is daarvoor niet genoeg. Eventuele borden op het terrein of de kranen van EBS met verwijzingen naar haar algemene voorwaarden zijn evenmin toereikend, reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat daarbij op exoneraties werd gewezen. Het argument dat Vanden Avenne of Traflaco bij EBS vertrouwen hebben gewekt door aan Louis Dreyfus de vrije hand te laten om overslag overeen te komen, treft evenmin doel, nu Louis Dreyfus al geruime tijd vóór de onderhavige verkooptransacties met EBS inzake de overslag had gecontracteerd.

Van een bijzondere relatie als bedoeld in de hiervoor aangehaalde jurisprudentie is evenmin gebleken. De aanwezigheid van supervisors van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco is daarvoor onvoldoende, al was het maar omdat dezen de levering aan deze kopers controleerden. Voorts biedt het stelsel van de wet geen aanknopingspunten om derdenwerking aan te nemen in het kader van overeenkomsten strekkend tot overslagwerkzaamheden als door EBS verricht.

4.33.

Het beroep van EBS op derdenwerking van de exoneraties in haar algemene voorwaarden faalt op deze gronden.

4.34.

EBS heeft ter zitting nog betoogd dat het onaanvaardbaar is dat AVV c.s., door de schade niet bij Louis Dreyfus te laten maar deze over de band van Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco te laten lopen, trachten de tussen EBS en Louis Dreyfus overeengekomen exoneratie buiten effect te stellen. Voor zover EBS hiermee tracht een beroep te doen op artikel 6:248 lid 2 BW faalt dit nu tussen haar en Vanden Avenne, Dumoulin en Traflaco geen contractuele band bestaat. Voor zover hierin een beroep op misbruik van bevoegdheid besloten ligt, wordt dit verworpen omdat de rechtbank daarvoor geen gronden aanwezig acht, temeer niet nu er geen aanwijzingen zijn dat AVV c.s. hun handelen op enig moment hebben laten bepalen door de tussen EBS en Louis Dreyfus geldende exoneraties.

Voor zover dit verweer in de sleutel van het beroep op eigen schuld moet worden verstaan, komt dat hieronder aan de orde.

schade

4.35.

AVV c.s. vordert vergoeding van € 1.040.613,44 als hoofdsom, als volgt:

- € 664.742,31 ter zake van de door Vanden Avenne geleden schade,

- € 310.570,45 ter zake van de door Dumoulin geleden schade,

- € 65.300,68 ter zake van de door Traflaco geleden schade.

Zij verwijzen ter toelichting en onderbouwing in de dagvaarding kortweg naar de daaromtrent opgestelde expertiserapporten.

4.36.

EBS betwist de juistheid van de schadeberekeningen neergelegd in de expertiserapporten. Zij motiveert dit echter uitsluitend ten aanzien van de schade van Vanden Avenne. De schade geleden door Dumoulin, groot € 310.570,45, en Traflaco, groot € 65.300,68, staat dan ook als niet gemotiveerd weersproken vast.

4.37.

EBS betwist de schade van Vanden Avenne op de grond dat de lading in de ‘Navin 61’ ten onrechte tot de schade is gerekend. Zij acht de wijze van bemonstering niet representatief en stelt dat de lading in de ‘Navin 61’ zonder prijsreductie had kunnen worden verhandeld.

Op dit verweer hebben AVV c.s. ter zitting inhoudelijk gereageerd. Namens EBS is - ook in bredere zin - verzocht om op de uitgebreide aantekeningen ten behoeve van comparitie van AVV c.s. te mogen reageren.

Met het oog op het vereiste van voldoende hoor en wederhoor zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen voor een akte van EBS. Deze akte dient beperkt te zijn tot de schade van Vanden Avenne, waarbij EBS desgewenst ook het causaal verband en haar beroep op eigen schuld van Vanden Avenne mag betrekken.

4.38.

Ook het beroep op eigen schuld van ten aanzien van Dumoulin en Traflaco mag in de akte aan de orde komen. Verdere aspecten van het geschil mogen niet aan de orde worden gesteld.

Op de akte van EBS zullen AVV c.s. bij antwoordakte mogen reageren.

4.39.

Over het uiteindelijk toe te wijzen bedrag zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen vanaf de dag van het incident, 18 maart 2013.

buitengerechtelijke kosten

4.40.

AVV c.s. vordert € 6.655 voor buitengerechtelijke kosten. EBS heeft deze als onvoldoende onderbouwd en gespecificeerd bestreden. Ook na dit verweer is een toelichting of onderbouwing uitgebleven. Om deze reden moet deze vordering worden afgewezen.

tot slot

4.41.

Ieder verder oordeel, ook omtrent de proceskosten, wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 december 2017 voor het nemen van een akte door EBS over hetgeen is vermeld in r.o. 4.37 en 4.38, waarna AVV c.s. op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kunnen nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan, mr. P.C. Santema en W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.

1885/32/1928