Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:913

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
ROt 16/8491
Rechtsgebieden
Mededingingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Met ingang van 18 februari 2017 voorlopig einde aan gratis parkeren op zaterdagen in gemeentelijke parkeergarages Veenendaal.

De gemeenteraad van Veenendaal heeft besloten dat het gratis parkeren op zaterdag in de gemeentelijke parkeergarages voortgezet dient te worden tot 1 juli 2017. De raad heeft het gratis parkeren aangemerkt als een activiteit van algemeen belang als bedoeld in artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, voor zover er al van een algemeen belang sprake is, de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat het noodzakelijk is dat het ‘gratis parkeren op zaterdagen in de gemeentelijke parkeergarages’ bestendigd wordt. De voorzieningenrechter acht de gegeven motivering onmiskenbaar ontoereikend. Het is voorshands niet aannemelijk dat de raad in bezwaar het bestreden besluit van een deugdelijke motivering zal kunnen voorzien, zodat het ervoor gehouden moet worden dat de raad een onmiskenbaar onjuist besluit heeft genomen. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding het bestreden besluit te schorsen. Om verweerder de gelegenheid te geven tevoren bekend te maken dat niet langer op zaterdag gratis kan worden geparkeerd in de gemeentelijke parkeergarages, gaat de schorsing in met ingang van 18 februari 2017.

Wetsverwijzingen
Mededingingswet 25h
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/8491

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 februari 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

O-Park Operations Netherlands II B.V., te Maastricht, verzoekster,

gemachtigden: mr. B.J.H. Blaisse-Verkooyen en mr. O.L. van der Pol,

en

de raad van de gemeente Veenendaal, verweerder,

gemachtigde: mr. G.J. van Midden.

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder vastgesteld dat het gratis parkeren op zaterdag in de gemeentelijke parkeergarages plaatsvindt in het algemeen belang als bedoeld in artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet (Mw).

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2017. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. Blaisse-Verkooyen en mr. M.F.A. Dankbaar, kantoorgenoot van verzoeksters gemachtigde, bijgestaan door W.C. Chung, bedrijfsjurist bij verzoekster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door J.F. Bakkenes-Minnaard.

Overwegingen

1. Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft verweerder vastgesteld dat de proef gratis parkeren op zaterdagen (van 9.30 uur - later gewijzigd in 9.00 uur - tot 24.00 uur ) in de gemeentelijke parkeergarages (de proef) voor de periode van 14 november 2015 tot 1 januari 2017 plaatsvindt in het algemeen belang als bedoeld in artikel 25h, vijfde lid, van de Mw. Het door - onder meer - verzoekster tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 juni 2016 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Dat beroep is nog aanhangig en bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer ROT 16/3891.

2. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder besloten dat de huidige situatie, het gratis parkeren op zaterdag in de gemeentelijke parkeergarages, voortgezet dient te worden tot 1 juli 2017 en heeft hij het gratis parkeren aangemerkt als een activiteit van algemeen belang als bedoeld in artikel 25h, vijfde lid, van de Mw.

3. Verzoekster stelt dat zij niet kan concurreren met het gratis parkeertarief en lijdt onder een aanzienlijke afname in haar bezoekersaantallen. De schadelijke gevolgen van het bestreden besluit zijn niet alleen zeer aanzienlijk, maar ook permanent van aard. Verzoekster stelt dat bezoekers die haar garages hebben verlaten om gebruik te maken van het gratis parkeren in de gemeentelijke parkeergarages, ook doordeweeks gebruik blijven maken van de gemeentelijke parkeergarages. Dit gebeurt ondanks dat doordeweeks in de gemeentelijke parkeergarages nagenoeg gelijke tarieven ten opzichte van verzoeksters tarieven moeten worden betaald. Hoe langer de gemeente doorgaat met het aanbieden van gratis parkeren op de zaterdagen in de gemeentelijke parkeergarages, hoe meer bezoekers van verzoeksters garages permanent naar de gemeentelijke parkeergarages zullen vertrekken. De gevolgen kunnen op den duur zelfs mogelijk onomkeerbaar zijn. De onomkeerbare verstoring van de concurrentieverhoudingen kan ook maar ten dele gecompenseerd worden.

4. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bij het door verzoekster aangevoerde belang gaat om een financieel belang dat op zichzelf geen aanleiding vormt tot het treffen van een voorlopige voorziening. Als het bestreden besluit uiteindelijk onrechtmatig zou blijken te zijn, kan verzoekster financiële compensatie van verweerder vorderen. Wat betreft het door verzoekster gestelde onomkeerbare gevolg van het bestreden besluit heeft de voorzieningenrechter - nog daargelaten de vraag of dit door verzoekster voldoende onderbouwd is - geen aanleiding te veronderstellen dat de concurrentieverhoudingen zich - ook al zou dat mogelijk langere tijd kunnen duren - niet zouden herstellen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook niet gebleken van onomkeerbare gevolgen die aanleiding zouden moeten geven een voorlopige voorziening te treffen.

6. De voorzieningenrechter ziet echter om de volgende redenen aanleiding om in dit concrete geval toch over te gaan tot schorsing van het bestreden besluit.

7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder een zeer ruime beoordelingsruimte heeft om te bepalen of er sprake is van een economische activiteit in het algemeen belang. Dit betekent dat de rechter de door het bestuur verrichte beoordeling en de in dat kader gemaakte afweging van belangen met enige terughoudendheid moet toetsen (vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 21 december 2016; ECLI:NL:CBB:2016:414, rechtsoverwegingen 5.3 en 5.4). Dit neemt niet weg dat de totstandkoming van het vaststellingsbesluit moet geschieden met inachtneming van de zorgvuldigheidseisen die de Awb daaraan stelt (uitspraak van 26 januari 2017 van de rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2017:631).

8. Aan het thans bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de huidige situatie, gratis parkeren op zaterdag in de gemeentelijke parkeergarages, voortgezet dient te worden om de mogelijkheid te hebben de eerste positieve resultaten van de proef te vertalen naar gerichte acties in het kader van het Project Veenendaal Vitaal (Actieplan Vitale Winkelstad). Mede door politieke omstandigheden kon de evaluatie van de proef nog niet worden afgerond. Met het besluit wil verweerder voorzien in een tijdelijke oplossing. Voor het Actieplan is het gewenst om meer tijd te krijgen om samen met de ondernemers in het centrum tot een alternatief voor de proef te komen. Het is nog niet gelukt om alle partijen op één lijn te krijgen. Verweerder wil de partijen stimuleren om snel met een goed en gedragen alternatief te komen. Het herinvoeren van betaald parkeren zonder alternatief plan zou de positieve tendens en het draagvlak bij de ondernemers in het stadshart mogelijk teniet doen. Met het besluit beoogt verweerder zijn doelstellingen van revitalisering, leefbaarheid en economische ontwikkeling van het stadshart - doelstellingen van algemeen belang - te waarborgen. Indien na deze overbruggingsperiode geen alternatief is gevonden, zal verweerder de situatie van voor de proef weer herstellen en het parkeren niet meer op deze manier inzetten als marketinginstrument voor het centrum.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, voor zover er al van een algemeen belang sprake is, verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat het noodzakelijk is dat ‘het gratis parkeren op zaterdagen in de gemeentelijke parkeergarages’ bestendigd wordt. Het willen bestendigen van de situatie omdat de evaluatie nog niet is afgerond en de enkele – niet concreet onderbouwde – stelling dat het draagvlak bij ondernemers zou verdwijnen om tot een alternatief plan te komen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit verband onvoldoende. Wel valt in te zien dat ondernemers en bezoekers van de binnenstad/winkelcentrum gratis parkeren op zaterdag in de gemeentelijke parkeergarages op prijs stellen, maar daarmee is in het geheel niet gezegd dat het draagvlak bij de ondernemers voor een alternatief plan zou verdwijnen als dit gratis parkeren nu niet wordt voortgezet. Aan het op zaterdag gratis parkeren in de gemeentelijke parkeergarages komt immers - zoals door verweerders gemachtigde ook uitdrukkelijk ter zitting is gesteld - op 1 juli 2017 hoe dan ook een einde.

De voorzieningenrechter ziet ook niet in op welke andere wijze de positieve effecten van de proef worden weggenomen als al nu weer op zaterdag in de gemeentelijke parkeergarages betaald geparkeerd zou moeten worden.

De voorzieningenrechter acht verweerders motivering dan ook onmiskenbaar ontoereikend.

10. Het is voorshands niet aannemelijk dat verweerder in bezwaar het bestreden besluit van een deugdelijke motivering zal kunnen voorzien, zodat het ervoor gehouden moet worden dat verweerder een onmiskenbaar onjuist besluit heeft genomen. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding het bestreden besluit te schorsen. Om verweerder de gelegenheid te geven tevoren bekend te maken dat door de schorsing van het besluit niet langer op zaterdag gratis kan worden geparkeerd in de gemeentelijke parkeergarages, gaat de schorsing van het besluit in met ingang van 18 februari 2017. Dit betekent dat met ingang van zaterdag 18 februari 2017 niet meer op zaterdag gratis in de gemeentelijke parkeergarages kan worden geparkeerd.

11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit vanaf 18 februari 2017 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekster;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 334,-, vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-, te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Traousis – van Wingaarden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.