Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:9080

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
04-12-2017
Zaaknummer
C/10/497507 / HA ZA 16-278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ouderschapsplan na echtscheiding tussen moeder en stiefvader. Derdenbeding bijdrage kosten levensonderhoud meerderjarige, studerende stiefdochter. Ontbindende voorwaarde vervuld want geen overleg met stiefvader over studiekeuze.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/497507 / HA ZA 16-278

Vonnis van 22 november 2017

in de zaak van

[stiefouder] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. M.E.P. Somers te Rotterdam,

tegen

[stiefdochter] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam.

Partijen zullen hierna de stiefouder en de stiefdochter genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van de familiekamer van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2016 tot verwijzing van de zaak naar de handelskamer (toepassing wisselbepaling ex art. 69 Rv.)

  • -

    de conclusie wijziging eis, van de stiefouder

  • -

    de akte/conclusie van antwoord tegen conclusie wijziging eis, van de stiefdochter

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 8 juli 2016

- de akte uitlaten na comparitie tevens overlegging producties tevens wijziging eis, van de stiefouder

  • -

    de (antwoord) akte/ tevens bezwaar wijziging eis tevens overleggen producties, van de stiefdochter

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 26 september 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De stiefouder is stiefvader van de stiefdochter. De stiefouder is op 11 juni 2007 in het huwelijk getreden met de moeder van de stiefdochter (‘de moeder’). De stiefdochter draagt de achternaam van de stiefouder. De stiefdochter is geboren op 6 juli 1994 en is derhalve thans meerderjarig.

2.2.

De stiefdochter heeft in 2011 (toen zij circa 17 jaar oud was), aan de stiefouder kenbaar gemaakt geen behoefte te hebben aan contact met hem.

2.3.

De rechtbank Rotterdam heeft de echtscheiding tussen de stiefouder en de moeder uitgesproken op 10 april 2014. Deze beschikking is op enig moment ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

In het kader van deze echtscheiding is tussen de stiefouder en de moeder een ouderschapsplan overeengekomen. De rechtbank heeft het ouderschapsplan opgenomen in de echtscheidingsbeschikking. In het ouderschapsplan staat onder meer het volgende:

“Kosten kinderen

11. Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de (drie) kinderen stellen partijen op […]

Hiervan uitgaande spreken ouders af dat de man in de kosten van verzorging en opvoeding c.q. kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1] en [kind 2] zal bijdragen met een bedrag van € 300,-- per maand per kind en in de kosten van [kind 3] (rekening houdende met een zorgkorting) met een bedrag van € 237,- per maand, deze bedragen jaarlijks te verhogen met de wettelijke indexering.

12. Partijen verplichten zich vanaf het moment waarop een kind de leeftijd van 21 jaar bereikt te blijven bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met hen met een beroepsopleiding bezig is of studeert, doch in beginsel uiterlijk tot het tijdstip waarop het kind de leeftijd van 25 jaar bereikt. Dit beding ten behoeve van ieder van de kinderen is onherroepelijk, zodat de kinderen het recht hebben om zo nodig nakoming van dit beding te vorderen. De ondertekening van dit

convenant geldt tevens als aanvaarding van dit beding door partijen in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen.”

2.5.

Op uiterlijk 6 juli 2019 eindigt het contractuele recht van de stiefdochter op een door de stiefouder te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

2.6.

De stiefouder heeft de onderhoudsbijdrage aan de stiefdochter stopgezet in juli 2015 omdat de stiefdochter toen niet studeerde maar werkte als postbezorgster.

2.7.

De stiefdochter heeft de stiefouder per e-mailbericht van 25 juli 2015 medegedeeld dat zij in het studiejaar 2015/2016 een (voltijds) studie “Kunstzinnige Therapie” zal beginnen aan de Hogeschool Leiden. De stiefdochter is daadwerkelijk aan deze (4-jarige) studie begonnen en volgt deze ook thans nog.

2.8.

De stiefouder heeft de betalingen aan de stiefdochter hervat en tot op heden voldaan.

3 De vordering

3.1.

De stiefouder vordert na zijn laatste eiswijziging, samengevat:

1. een verklaring voor recht dat

a - de door de stiefouder aan de stiefdochter betaalde studietoelage (slechts) een natuurlijke verbintenis is

b - althans dat de stiefdochter aan artikel 12 van het ouderschapsplan geen rechten kan ontlenen omdat het geen (aanvaard) derdenbeding is

c - althans dat de stiefdochter aan artikel 12 van het ouderschapsplan geen rechten kan ontlenen omdat de stiefdochter zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden

althans

2ontbinding, vernietiging of wijziging van het ouderschapsplan voor wat betreft de plicht van de stiefouder om een studietoelage te betalen zodat de onderhoudsbijdrage op nihil wordt gesteld, of gematigd tot 1 juli 2015 of een andere, in goede justitie te bepalen datum

3veroordeling van de stiefdochter tot terugbetaling van hetgeen de stiefouder sinds 1 juli 2015 aan de stiefdochter heeft betaald omdat dit onverschuldigd was.

4 Het verweer

4.1.

Het verweer van de stiefdochter strekt tot afwijzing van het gevorderde.

4.2.

De stellingen en weren zullen waar nodig in de beoordeling worden betrokken.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank acht de laatste eiswijziging van de stiefouder niet in strijd met de goede procesorde. Het is nog steeds duidelijk wat de stiefouder vordert en de stiefdochter heeft daarop adequaat kunnen reageren.

5.2.

De stiefdochter wil geen, of weinig contact met de stiefouder. De stiefouder stelt dat hij daar erg mee kampt. De rechtbank kan met dit belang van de stiefouder moeilijk rekening houden, nu de stiefdochter, als meerderjarige, zelf mag bepalen met wie zij contact heeft. In geding is slechts de vraag of de stiefdochter (nog) rechten kan ontlenen aan een overeenkomst tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud door de stiefouder aan de stiefdochter.

deelvordering 1.a

5.3.

Deze vordering zal worden afgewezen. De wetgever heeft op dit punt reeds de keuze gemaakt dat ná echtscheiding de verlengde onderhoudsverplichting van de stiefouder naar stiefkinderen uit dat huwelijk eindigt, artikel 1:395a BW. Tegen deze achtergrond kan naar objectieve maatstaven een natuurlijke verbintenis niettemin bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van een meerderjarig (voormalig|) stiefkind niet snel worden aangenomen. De onderhoudsverplichting berust in dit geval op een overeenkomst. Tussen de stiefouder en moeder is een contract gesloten met onder meer een derdenbeding inzake een onderhoudsbijdrage van de stiefouder voor de stiefdochter. Dat de stiefouder zich onverplicht heeft verbonden tot het betalen van deze onderhoudsbijdrage is op zichzelf onvoldoende om het bestaan van een natuurlijke verbintenis aan te nemen. Bijkomende omstandigheden die daartoe wel zouden nopen, zijn gesteld noch gebleken. Van omzetting als bedoeld in artikel 6:5 BW is dan ook geen sprake.

deelvordering 1.b

5.4.

Deze vordering zal eveneens worden afgewezen. Vanzelfsprekend heeft de stiefdochter het derdenbeding wél aanvaard. Dat blijkt alleen al daaruit dat zij de betalingen van de stiefouder steeds heeft geaccepteerd. Dit is een duidelijke daad van aanvaarding. Of moeder dit beding destijds zelf niet kon aanvaarden omdat de stiefdochter op dat moment al meerderjarig was, is daarmee irrelevant.

deelvordering 1.c

5.5.

Vordering 1.c is wel toewijsbaar. Het gaat hier om een overeenkomst die volgens de stiefouder is gesloten onder een voorwaarde, hetgeen de stiefdochter niet (gemotiveerd) heeft weersproken. De stiefdochter heeft geen verklaringen of gedragingen aangevoerd die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat zij heeft mogen begrijpen dat de contractuele voorwaarde een minder vergaande strekking heeft dan uit de tekst van het ouderschapsplan valt af te leiden.

5.6.

Aldus is het toetsingskader voor de rechtbank niet of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst (die in beginsel de ontbinding rechtvaardigt, tenzij haar geringe betekenis of bijzondere aard de ontbinding niet rechtvaardigt), maar slechts of een ontbindende voorwaarde is vervuld.

5.7.

Deze contractuele voorwaarde houdt in dat de studiekeuze wordt gesloten “in overleg met hen’(hen zijnde: de stiefouder en moeder). Tussen partijen is niet in geding dat de stiefdochter haar studiekeuze heeft gemaakt zonder vooroverleg met de stiefouder, op enig moment in de periode vanaf het sluiten van het ouderschapsplan. Dit overleg wil niet zeggen dat de stiefouder een vetorecht heeft. De stiefdochter mocht redelijkerwijs begrijpen dat zij ook na dit overleg (indien dat zou zijn gehouden) mocht kiezen voor een studie die volgens de stiefouder weinig toekomstperspectief biedt. Maar aan de stiefouder kwam wél een adviserende stem toe en die is hem onthouden. Het schenden van deze voorwaarde rechtvaardigt ontbinding van de overeenkomst, voor wat betreft het recht van de stiefdochter op een bijdrage in de kosten van levensonderhoud. De stiefdochter heeft geen beroep gedaan op omstandigheden die voldoende zwaarwegend zijn om een beroep van de stiefouder op schending van de voorwaarde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te kunnen achten.

deelvordering 2

5.8.

Uit de inhoud en strekking van een overeenkomst kan voortvloeien dat, ondanks het vervullen van de voorwaarde, reeds verrichte prestaties niet ongedaan hoeven te worden gemaakt (art. 6:24 lid 1 BW). Naar het oordeel van de rechtbank brengen de inhoud en strekking van de onderhavige overeenkomst met zich dat de stiefdochter de reeds ontvangen gelden niet terug hoeft te betalen. De ontbinding zal dus pas werken vanaf de datum van dit vonnis. Een bijdrage in levensonderhoud pleegt immers een consumptief karakter te hebben. In het algemeen zal de rechter een behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging in een alimentatie te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. (o.a. HR 12 mei 2017 ECLI:NL:HR:2017:871). De rechtbank acht deze regel ook toepasselijk op alimentatie die geen wettelijke, maar een contractuele grondslag heeft. De rechtbank gaat er van uit dat de gevolgen van stopzetting voor de stiefdochter ingrijpend zijn, gelet op de hoogte van de bijdrage. En nergens blijkt uit dat de stiefdochter dit geld niet goed kan gebruiken. De stiefdochter heeft juist verklaard dat zij sinds 1 september 2015 geen inkomsten uit arbeid meer heeft genoten én dat zij geen basisbeurs geniet maar onder het leenstelsel valt.

5.9.

In zoverre is de vordering toewijsbaar. Het (meer) subsidiair gevorderde behoeft geen bespreking meer.

5.10.

De proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, als over en weer deels in het gelijk gesteld.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

verklaart voor recht dat de stiefdochter zich vanaf de datum van dit vonnis niet meer op artikel 12 van het ouderschapsplan kan beroepen, nu de stiefdochter zich niet aan een voorwaarde uit dit artikel heeft gehouden,

6.2.

ontbindt het ouderschapsplan tussen de stiefouder en de stiefdochter voor wat betreft het betalen van een redelijke studiebijdrage, in die zin dat de stiefouder vanaf de datum van dit vonnis deze bijdrage niet meer hoeft te betalen aan de stiefdochter, en met dien verstande dat de stiefdochter wel recht heeft op deze bijdrage over de periode tot aan de datum van dit vonnis,

6.3.

verklaart het vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2017.1

1 2517/2504