Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8992

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
10/996500-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bitcoins. Dark web. (gewoonte)witwassen. Geen brondelict. 420bis en 420ter Sr. Gevangenisstraf van 6 maanden (waarvan 3 voorwaardelijk)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996500-16

Datum uitspraak: 8 november 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 en 25 oktober 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

4 Waardering van het bewijs en bewezenverklaring

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Inleiding

Onder de naam IJsberg is door de fiscale inlichtingen en opsporingsdienst (FIOD) onderzoek gedaan naar een aantal handelaren in bitcoins. Daarbij is de verdenking gerezen dat de bitcoins die door de verdachte aan een van de hiervoor bedoelde handelaren zijn geleverd, van misdrijf afkomstig waren.

Bitcoins zijn een vorm van elektronisch geld die worden bewaard in een digitaal bestand dat een wallet of portemonnee wordt genoemd. Bitcoinwallets zijn alfanumeriek, ze staan niet op naam en er is geen centrale autoriteit die de wallets beheert. De houder van een bitcoinwallet is dan ook in zoverre anoniem. Maar als men bitcoins koopt en daarvoor betaalt met giraal geld - of bitcoins te gelde maakt en de waarde laat bijschrijven op de eigen bankrekening - dan is er een koppeling tussen een bitcoinwallet en een bankrekening en is er van anonimiteit geen sprake meer. Bij de bitcoin-handelaren die in de zaak- IJsberg voorwerp van onderzoek zijn, kon men bitcoins inwisselen tegen contant geld zodat de anonimiteit van de verkoper gewaarborgd bleef.

De technologie achter de bitcoin is de blockchain of blokketen, een soort openbaar archief of kasboek van alle bitcoin-transacties. De blockchain maakt van iedere bitcoin in chronologische volgorde zichtbaar in welke wallets hij is gehouden.

De verdachte heeft gebruik gemaakt van een bitcoinwallet. In die wallet zijn hoeveelheden bitcoins gestort vanuit onder meer Abraxas Market en Black Bank Market , marktplaatsen op het dark web. Het dark web is een deel van het internet dat niet vindbaar is voor zoekmachines zoals Google en alleen met speciale software te benaderen is. Het dark web onderscheidt zich van het normale internet doordat op het dark web de IP-adressen van de gebruikers verborgen blijven. Wanneer IP-adressen verborgen blijven is het niet mogelijk de identiteit van de computergebruiker te achterhalen en blijft men dus anoniem. Via marktplaatsen op het dark web worden veel illegale producten en diensten verhandeld.

4.1.2.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat het overtuigende bewijs ontbreekt voor de stelling dat de verdachte feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij alle mutaties op de bitcoinwallets waarvan de officier van justitie zegt dat die van de verdachte zijn. Verder is aangevoerd dat de bitcoins in de wallets die aan de verdachte worden toegeschreven ook een legale herkomst kunnen hebben en dat de omstandigheden van het geval niet het vermoeden van witwassen kunnen dragen.

4.1.3.

Beoordeling

Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte op meerdere momenten grote hoeveelheden bitcoins heeft gewisseld tegen contanten bij een bitcoin-handelaar die daarvoor een tarief van 5-7% berekende. De transacties vonden plaats in een openbare gelegenheid, bij een Starbucks in Amsterdam. Uit onderzoek naar de bitcoinwallet die de verdachte bij deze transacties gebruikte blijkt dat een substantieel deel van de verhandelde bitcoins afkomstig was van het dark web.

De vraag hoeveel bitcoins de verdachte voorhanden heeft gehad en omgezet en hoeveel geld hij onder zich heeft gehad laat zich niet eenvoudig beantwoorden. De verdachte heeft zich gedurende het gehele onderzoek op zijn zwijgrecht beroepen. Vast staat dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de bitcoinwallet [IP-adres 1] . De verdachte heeft vanuit deze wallet grote hoeveelheden bitcoins verzilverd bij bitcoin-handelaar [naam medeverdachte] . De rechtbank acht op basis van tapgesprekken en sms-berichten bewezen dat de verdachte ook bij een andere handelaar (‘ [bijnaam handelaar] ’) bitcoins voor euro’s heeft gewisseld, maar de omvang van die handel is niet duidelijk geworden. Of de verdachte ook bemoeienis heeft gehad met de overige transacties met bitcoinwallet [IP-adres 1] is evenmin duidelijk, nu niet kan worden uitgesloten dat er buiten de verdachte nog een andere persoon is geweest die rechten op die wallet kon uitoefenen. En dan zijn er nog aanwijzingen dat er verwevenheid bestaat tussen de eerder genoemde wallet en wallet [IP-adres 2] , maar die aanwijzingen zijn niet zo sterk dat zij de conclusie kunnen dragen dat de verdachte ook de bitcoins op wallet [IP-adres 2] voorhanden heeft gehad. Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte grote hoeveelheden bitcoins voorhanden heeft gehad en omgezet en grote geldbedragen onder zich heeft gehad.

Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de ten laste gelegde bitcoins middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie dat de genoemde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Alsdan mag van de verdachte worden verwacht dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de herkomst van de bitcoins. Nu de verdachte helemaal niets over de bitcoins heeft willen verklaren, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de bitcoins – middellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Dat de verdachte wist van de illegale herkomst van de bitcoins kan worden afgeleid uit het feit dat de verdachte ervoor heeft gekozen om de bitcoins te wisselen voor contanten bij een bitcoin-handelaar die zijn klanten anonimiteit garandeert en hiervoor een veel hogere commissie vraagt dan de reguliere wisselkantoren. Dat duidt op wetenschap van de criminele herkomst van de bitcoins bij de verdachte en aldus kan opzet bij de verdachte bewezen worden.

Uit de bewijsmiddelen (de tapgesprekken en de verklaringen van de bitcoin-handelaar) blijkt genoegzaam dat de verdachte het witwassen in nauwe en bewuste samenwerking met de bitcoin-handelaar heeft begaan. Hierbij is sprake geweest van een gezamenlijke uitvoering. De bijdragen van de betrokkenen, twee onafhankelijk van elkaar opererende marktpartijen, zijn elk van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.

4.1.4.

Conclusie

De verdachte heeft samen met een ander grote hoeveelheden bitcoins en grote geldbedragen voorhanden gehad en omgezet, en van die bitcoins de herkomst verhuld, terwijl hij wist dat deze voorwerpen van misdrijf afkomstig waren. Nu dit zich over een lange periode heeft voorgedaan komt de rechtbank tot de slotsom dat de verdachte van dit witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

De verweren die zich tegen die conclusie keren, worden verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op tijdstippen in de periode van 5 april 2015 tot en met 6 februari 2016 te Amsterdam , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

a.

(telkens) voorwerpen, te weten een grote hoeveelheid bitcoins en grote (girale en/of contante) geldbedragen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader van het plegen van dat feit een gewoonte hebben gemaakt,

b.

(telkens) van voorwerpen, te weten een hoeveelheid van 1065,67 bitcoins, en grote (girale en/of contante) geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader van het plegen van dat feit een gewoonte hebben gemaakt;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een grote hoeveelheid bitcoins en grote geldbedragen witgewassen. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer. Ook worden op deze manier inkomens en vermogens onttrokken aan het zicht van de belastingdienst. Het kan niet anders dan dat verdachte bij dit alles enkel heeft laten drijven door winstbejag, zulks ten koste van de samenleving.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
3 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Die straf is lager dan de straf die door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen exact witwasbedrag bewezen acht, alsmede dat de rechtbank geen aansluiting zoekt bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor fraude omdat de bewezenverklaarde gedragingen niet in een frauduleuze context hebben plaatsgevonden.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. De rechtbank zal een deel van de straf in voorwaardelijke vorm opleggen, om de verdachte er van te weerhouden in de toekomst wederom een strafbaar feit te plegen.

8 Voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De rechtbank zal dit echter niet volgen omdat zij opheffing van de schorsing thans niet opportuun acht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

bepaalt dat een gedeelte van die straf groot 3 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd onder de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die op 2 jaren is gesteld, niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

en mrs. J.C.M. Persoon en J. de Lange , rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 april

2015 tot en met 6 februari 2016 te Rotterdam en/of Schiedam en/of Amsterdam

en/of Zaandijk,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a.

(telkens) een of meer voorwerpen, te weten een (grote) hoeveelheid bitcoins

en/of (grote) (girale en/of contante) geldbedragen een hoeveelheid van 1065,67 bitcoins, althans een (grote) hoeveelheid bitcoins en/of een of meer geldbedrag(en) van in totaal 322.106,58 euro, althans een of meer (grote) (girale en/of contante) geldbedrag( en),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of

omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit

een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

b.

(telkens) van voorwerpen, te weten een (grote) hoeveelheid bitcoins en/of

(grote) (girale en/of contante) geldbedragen een hoeveelheid van 1065,67 bitcoins, althans een (grote) hoeveelheid bitcoins en/of een of meer geldbedrag(en) van in totaal 322.106,58 euro, althans een of meer (grote) (girale en/of contante) geldbedrag( en),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen

was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen

voorhanden heeft/hebben gehad,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit

een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht