Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8912

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
C/10/497936 / HA ZA 16-302
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Heling? Vordering belangenorganisatie. Handelt autosloperij onrechtmatig door gestolen auto’s en/of auto-onderdelen in te kopen en te verhandelen? Geen risicoaansprakelijkheid voor bezit van gestolen waar. Bepalend is of de koper bij de verwerving wist of behoorde te weten dat de goederen afkomstig zijn van diefstal. Niet relevant is of er geheime kenmerken van de fabrikant op het auto-onderdeel zitten waaruit diefstal van dat onderdeel kan worden afgeleid. Koper kan die geheime kenmerken niet kennen.

Wel aansprakelijkheid mogelijk bij inkoop van auto-onderdelen waarop het verplichte Voertuig Identificatienummer (VIN) is verwijderd.

Omvang schade: maakt de heler de steler? Schade hier niet gesteld op waarde hele auto maar alleen op waarde van het onderdeel waarvan de inkoper wist of behoorde te weten dat deze gestolen was. Geen toerekening naar redelijkheid (art. 6:96 BW).

Is “DOR-registratie” (ex art. 437 Sr.) door ”Gruthokkers” alleen verplicht bij inkoop van auto’s of ook bij inkoop van auto-onderdelen?

Vorderingsrecht VBV als belangenorganisatie: ontoereikende statutaire doelomschrijving? afwezigheid last ex art 7:414 BW? Geen beroep VBV op Aanwijzing van de minister (Beschikking 4 juli 2006/nr. HDJZ/AWW/2006-888 Hoofddirectie Juridische Zaken. Cessie ter incasso in plaats van lastgeving? Beroep op 3:305a BW mogelijk?

Geen verklaring voor recht mogelijk bij onzekere toekomstige gebeurtenis (HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3693).

In dit geval geen civielrechtelijke verplichting tot vernietiging van goederen die gestolen blijken te zijn.

Geen persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder autosloperij.

Onrechtmatige daad bij bewaring van in beslag genomen auto’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/497936 / HA ZA 16-302

Vonnis van 1 november 2017

in de zaak van

de stichting

STICHTING VBV (VERZEKERINGSBUREAU VOERTUIGCRIMINALITEIT),

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.R. Schuldink te Hardenberg,

tegen

1 [gedaagde 1]

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALTIJD RAAK PENDERS (DE) MONTAGE B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALTIJD RAAK PENDERS AUTO'S & PARTS B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALTIJD RAAK PENDERS BEHEER B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PENDERS VASTGOED B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel.

Partijen zullen hierna VbV en Penders c.s. genoemd worden. Afzonderlijk zullen Penders c.s. worden genoemd: Penders, (De) Montage, Auto’s & Parts, Beheer en Vastgoed.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de akte overlegging producties tevens akte van correctie, van VbV

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, van Penders c.s.

  • -

    de brief van de griffier van 19 augustus 2016, houdende de opgave van hetgeen ter comparitie aan de orde gesteld zal worden

  • -

    de akte overlegging producties en van vermindering van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, van VbV

  • -

    de comparitie van partijen op 28 oktober 2016

  • -

    de “spreekaantekeningen mr. Schepel tijdens comparitie van partijen”

  • -

    de “pleitnotities van mr. drs. van der Wende”

  • -

    de akte overlegging producties tevens akte vermeerdering van eis, van VbV

  • -

    de antwoordakte tevens akte vermeerdering eis van 5 april 2017, van Penders c.s.

  • -

    de akte uitlating tevens houdende verzet tegen vermeerdering van eis, van VbV.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en reconventie

2.1.

VbV is ingesteld door de vereniging Verbond voor Verzekeraars (VvV) ten behoeve van de bestrijding van voertuigcriminaliteit.

2.2. (

De) Montage heeft een groothandel in autosloopmaterialen. Ook handelt zij in, en repareert, personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Penders is zelfstandig bevoegd bestuurder van deze vennootschap. Beheer is enig aandeelhouder van deze vennootschap.

2.3.

Penders is zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder van Beheer.

2.4.

Auto’s & Parts handelt in, en repareert, personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Voorts legt zij zich toe op de groothandel en handelsbemiddeling in auto-onderdelen en auto-accessoires. Penders is zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap.

2.5.

Vastgoed exploiteert onroerende zaken die worden gebruikt in ondernemingen van Penders. Penders is zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap.

2.6.

Tijdens controles door de Belastingdienst, Brandweer, Douane, Rijksdienst voor het Wegverkeer, Arbeidsinspectie, Stedin en/of de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, zijn op bedrijfsterreinen van ondernemingen van Penders auto-onderdelen en/of auto’s aangetroffen die afkomstig zijn van verduistering of diefstal.

2.7. (

De)Montage heeft met de officier van justitie op 23 oktober 2014 een transactie ex artikel 74 Sr. gesloten. In deze transactie staat onder meer dat de Officier van Justitie aan (De)Montage het - door (De)Montage aanvaarde - aanbod doet:

“dat hij niet vervolgd zal worden ter zake van de volgende misdrijven/overtredingen:

- artikel 3.26a Activiteitenbesluit door de opslag van motorblokken en/of autowrakken met vloeistoffen die niet boven een vloeistofdichte vloer plaatsvond op 6 november 2013 en 1 mei 2014;

- artikel 3.26a Activiteitenbesluit door het te hoog stapelen van autowrakken op 6 november 2013 en 1 mei 2014;

- artikel 4.1 Activiteitenbesluit in verband met diverse overtredingen m.b.t. de opslag van gasflessen en LPG-tanks op 14 januari 2014 en 1 mei 2014 alsmede de onjuiste opslag van accu's op 1 mei 2014 onder de volgende voorwaarde:

Betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-

alsmede, dat hij niet vervolgd zal worden ter zake van de volgende misdrijven/ overtredingen:

- artikel 416 Wetboek van Strafrecht (heling) en artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht (als handelaar in auto(onderdelen), niet onverwijld bijhouden van een inkoopregister) op 28 november 2011 (als vervat in het strafdossier met het hierboven genoemde parketnummer);

- artikel 437 Wetboek van Strafrecht (als handelaar in auto(onderdelen), niet onverwijld bijhouden van een Inkoopregister) op 14 januari 2014 (proces-verbaalnummer 1401201404901).

respectievelijk de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, onder de voorwaarden:

Betaling aan de Staat van een bedrag van:

a. € 9.969,- ter voorkoming van strafvervolging;

b. € 85.000,- ter ontneming van het ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel.”

2.8.

VbV heeft Penders c.s. bij twee brieven van 18 januari 2016 (aangetekend en per gewone post) aansprakelijk gesteld voor (gesteld) door hen veroorzaakte schade, tot dan begroot op € 1.786.464,- “plus nog nader vast te stellen met rente en kosten.

2.9.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft op 19 januari 2016 aan VbV voorlopig verlof verleend voor het leggen van conservatoir verhaalsbeslag ten laste van Penders c.s., voor een vordering begroot op € 2.134.434,-. Het verlof is verleend voor het leggen van beslag:

  • -

    onder in het verzoekschrift genoemde banken,

  • -

    op roerende goederen van Penders c.s., met uitzondering van de privé inboedel van Penders, waarbij tevens verlof is verleend om deze goederen in gerechtelijke bewaring te nemen,

  • -

    op onroerende goederen,

  • -

    op verzekeringspenningen betreffende in 2015 opgelopen brandschades,

  • -

    op de aandelen die Penders houdt in Auto’s & Parts en in Beheer.

De voorzieningenrechter heeft daarbij bepaald dat pas definitief zou worden beslist op het beslagverzoek na het horen van partijen ter zitting van 28 januari 2016.

2.10.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft, gehoord hebbend partijen ter zitting van 28 januari 2016, bij beschikking van 2 februari 2016 definitief beslist op het beslagverzoek (zaaknummer/rekestnummer: C/10/493361/KG RK 16-92). De beslissing houdt in dat het beslagverlof deels wel en deels niet wordt verleend. In de beschikking staat onder meer:

“2.4.2 Een dragende overweging in het verzoekschrift luidt als volgt: het conglomeraat van verweerders heeft slechts één enkel doel te weten: het slopen en strippen van gestolen en of verduisterde voertuigen om de verkregen voertuig onderdelen separaat te gelde te maken.

Vooralsnog is van de juistheid van deze stelling onvoldoende gebleken. Weliswaar heeft in de afgelopen jaren bij (een of meer) verweerders strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden, in verband met de aanwezigheid bij verweerders van diefstal en/of verduistering afkomstige voertuigen/voertuigonderdelen en is ook voor een aanzienlijk bedrag met het Openbaar Ministerie getransigeerd om strafrechtelijke vervolging te voorkomen, doch een en ander rechtvaardigt niet de conclusie dat verweerders niets anders zijn dan een boevenbende. Dat beeld is wel in het verzoekschrift geschetst.

2.4.3

De voorzieningenrechter acht bepaald niet uitgesloten dat (een van) verweerders zich schuldig heeft/ hebben gemaakt aan helingachtige activiteiten en daardoor geacht kunnen worden jegens de (oorspronkelijk) rechthebbende(n) van een auto/ auto-onderdelen aansprakelijk te zijn voor de geleden schade.

2.4.4

Niet zonder nadere bewijsvoering is evenwel summierlijk aannemelijk dat verweerders door hun handelswijze jegens verzoekster voor meer dan twee miljoen euro aansprakelijk te zijn.

De voorzieningenrechter stelt vast dat uitvoerig nader onderzoek naar het door verzoekster aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten complex noodzakelijk zal zijn. Gelet op de gedetailleerde betwisting door verweerders van allerlei relevante feiten zal vastgesteld moeten worden met betrekking tot welke zaken sprake is van heling respectievelijk onrechtmatig handelen en wat de daardoor ontstane schade is. Het door verzoekster gekozen uitgangspunt dat de (door een verzekeraar uitgekeerde) dagwaarde van een gestolen auto verhaalbare schade is, ook al is bij verweerders alleen het motorblok van die auto aangetroffen komt de voorzieningenrechter vooralsnog veel te ongenuanceerd voor. Ook zal de rol van ieder van verweerders duidelijk moeten worden.

2.4.5

Gebleken is dat door de op basis van het voorlopig gegeven verlof uitgevoerde beslaglegging en in bewaargeving het bedrijf van verweerders volkomen plat is gelegd. Waar toch vrij vergaande onduidelijkheid bestaat omtrent de (aard en mate van) aansprakelijkheid (van wie) van verweerders en de hoogte van de schade, maar anderzijds een bepaalde mate van aansprakelijkheid niet kan worden uitgesloten, is een beslag als verzocht (en voorlopig verleend) gezien de hierdoor voor verweerders ontstane en te verwachten gevolgen disproportioneel.

Ter zitting is gebleken dat de onroerende zaken slechts in beperkte mate belast zijn en de WOZ-waarde hoger is dan de gepretendeerde vordering.

De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen voorzover verzocht is beslag te mogen leggen op de onroerende zaken en de aandelen van D.C.S Penders in de besloten vennootschap Altijd Raak Penders Beheer B.V. en de besloten vennootschap Altijd Raak Penders Auto's & Parts.

2.4.6

Omdat met betrekking tot de hoogte van de schade een groot aantal onduidelijkheden bestaat valt deze moeilijk te begroten. De voorzieningenrechter zal de vordering vooralsnog in redelijkheid begroten op

€ 500.000,-.

2.4.7

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat met deze beschikking de op basis van het voorlopig verlof gelegde beslagen voor zover daarvoor thans geen definitief verlof wordt verleend, alsmede de gerechtelijke bewaring, van rechtswege zijn vervallen.”

2.11.

Penders c.s. hebben bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt tegen VbV. In die procedure is vonnis gewezen op 10 februari 2016. In het vonnis staat onder meer:

“3.3. Na en als gevolg van beschikking d.d. 2 februari 2016 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank (zaaknummer/rekestnummer: C/10/493361/KG RK 16-92) staat vast dat VbV de door haar ingevolge het voorlopig verleende beslagverlof, dat bij de definitieve beslissing niet is gehandhaafd, reeds feitelijk in beslag genomen en in bewaring gestelde roerende zaken van Penders zonder recht of titel onder zich houdt. Op vragen van de voorzieningenrechter heeft VbV erkend dat dit in beginsel het geval is en verklaard bereid te zijn om de door haar in beslag genomen roerende zaken van Penders vrijdag 12 februari 2016 doch in elk geval binnen 5 dagen na betekening van het vonnis aan Penders terug te brengen. Zij is van mening dat dit beginsel zich niet uitstrekt tot de 11 auto's en 40 motoren waarvan de identificatienummers (VIN) zijn verwijderd of onleesbaar gemaakt. VbV heeft ter zitting aangegeven dat zij er principiële bezwaren tegen heeft om die 11 auto's en 40 motoren, waarvoor zeer sterke aanwijzingen bestaan dat deze van diefstal afkomstig zijn, weer terug in het handelsverkeer te brengen.

De voorzieningenrechter acht geen van de redenen die VbV aanvoert als onderbouwing voor de gestelde uitzondering valide. De beslissing in meergenoemde beschikking brengt mee dat de oorspronkelijke grond voor de inbeslagname en daarmee het wegvoeren en in bewaring nemen van ook deze roerende zaken is komen te vervallen. Penders wordt vermoed eigenaar van deze zaken te zijn, doch zelfs als zij dat niet is heeft VbV geen recht om deze zaken onder zich (of haar bewaarder) te houden. Het zonder recht of titel onder zich houden van

roerende zaken van Penders is een vorm van eigenrichting van VbV die binnen een rechtstaat niet te tolereren valt.

Nu vast staat dat VbV de namens haar van de percelen van Penders afgevoerde roerende zaken zonder recht of titel onder zich heeft zal VbV worden veroordeeld om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, alle door of namens haar ten laste van Penders c.s. in beslag genomen roerende zaken te restitueren en terug te plaatsen op de daartoe door Penders aan te wijzen plaatsen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden. Het overigens onder 3 gevorderde zal, gelet op hierna onder 4.1 en 4.2 aan VbV opgelegde bevelen, worden afgewezen. Indien Penders het retourneren van door VbV van voornoemde roerende zaken onder toezicht van een deurwaarder wil laten plaatsvinden, dan zal zij daar nu zelf de kosten voor dienen te dragen.

[…]

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

beveelt VbV om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, aan Penders volledige en exacte opgave te doen van alle locaties waar de door of namens VbV ten laste van Penders c.s. in beslag genomen roerende zaken zijn opgeslagen geweest en nog opgeslagen zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat VbV geheel of gedeeltelijk in strijd met dit bevel handelt, met een maximum aan te verbeuren

dwangsommen van € 5.000,00;

4.2.

beveelt VbV om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, aan Penders onvoorwaardelijk toegang te verlenen tot de betreffende locaties waar de door of namens VbV ten laste van Penders c.s. in beslag genomen roerende zaken zijn opgeslagen en Penders in de gelegenheid te stellen om voornoemde roerende zaken te inspecteren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat VbV geheel of gedeeltelijk in strijd met dit bevel handelt, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 5.000,00;

4.3.

veroordeelt VbV om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, alle door of namens VbV ten laste van Penders c.s. in beslag genomen roerende zaken te restitueren en terug te plaatsen op de daartoe door Penders aan te wijzen plaatsen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per dag dat VbV geheel of gedeeltelijk in strijd met deze veroordeling handelt, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van

€ 500.000,00;

[…]

4.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;”

3 De vorderingen en weren in conventie en in reconventie

3.1.

VbV vordert in conventie na akte eisvermindering en akte eisvermeerdering dat de rechtbank, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Penders c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende, de anderen in zoverre zullen zijn

bevrijd, veroordeelt tegen kwijting aan VbV te voldoen het bedrag in hoofdsom groot € 1.557.497,77, vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;

II. Penders c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende, de anderen in zoverre zullen zijn

bevrijd, veroordeelt tegen kwijting aan VbV de buitengerechtelijke kosten tot een beloop van € 38.742,03 en voor het overige op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente over deze kosten vanaf de dag der dagvaarding;

III. voor recht verklaart dat Penders c.s. onrechtmatig jegens VbV en/of de

belanghebbenden bij de betreffende zaken handelt door het voorhanden hebben van de zaken, omschreven in productie 110, en overige aanwezige en toekomstige voertuigen en onderdelen waaruit identificerende nummers zijn verwijderd en Penders c.s. veroordeelt zich binnen drie maanden na betekening van het vonnis op geen enkele andere wijze van deze zaken te ontdoen dan door verwerking in een shredderinstallatie van de daarvoor in aanmerking komende onderdelen en vernietiging van de andere onderdelen en verstrekking van een bewijs van een en ander aan (de raadsman van) VbV;

IV Penders c.s. hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van de hiervoor omschreven conservatoire beslagen daaronder begrepen, alsmede tot betaling van de nakosten tot een bedrag van € 131,-, zonder betekening, dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt, tot een bedrag van € 199,-, waarbij betaling van € 131,- respectievelijk € 205,- en de overige proceskosten dient te geschieden binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, bij gebreke waarvan Penders c.s. over deze nakosten de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente verschuldigd zullen worden.

VbV stelt daartoe het volgende.

3.2.

Penders c.s. verwerken gestolen voertuigen en gestolen auto-onderdelen, onder andere middels sloop, vernietiging, het ontdoen van identiteit, het (medewerking geven aan) omkatten en het gewoontehelen van gestolen voertuigen en onderdelen. Uit de processen-verbaal van de politie blijkt dat op terreinen van Penders c.s. veel voertuigen en/of voertuigonderdelen zijn aangetroffen die als gestolen geregistreerd staan. Onderdelen uit één en dezelfde gestolen auto zijn aangetroffen op verschillende bedrijfsterreinen van of in gebruik bij Penders c.s. De voertuigen worden door Penders c.s. gesloopt en de onderdelen weer gebruikt bij het omkatten van voertuigen of het in de handel brengen van deze "oneerlijke" onderdelen. Van veel voertuigen en/of voertuigonderdelen zijn het VIN (Voertuig Identificatienummer) of andere kenmerken verwijderd, zodat de voertuigen en/of -onderdelen zijn ontdaan van hun identiteit. Buiten het door de fabrikant aangebrachte VIN worden in of aan voertuigonderdelen nog andere voor identificatie geschikte kenmerken aangebracht. Dit betreft onder andere type-, fabrieks- of opbouwplaatjes, die door de fabrikant, elk op de voor hen eigen wijze en plaats, worden aangebracht. In diverse gevallen houden fabrikanten, importeurs en leveranciers van deze onderdelen gegevens daarover bij. Deze gegevens zijn niet voor de openbaarheid bestemd. De grote hoeveelheid aangetroffen van hun identiteit ontdane voertuigen en/of voertuigonderdelen geeft aan - ook vanwege het feit dat er geen sprake is van een afdoende DOR-registratie (verplicht ex art. 437 Sr.) door Penders c.s. - dat Penders c.s. dat zelf doen. Door deze handelwijze van Penders c.s. wordt mogelijk gemaakt dat voertuigen worden omgekat, waarbij de identiteit van een schadevoertuig, bijvoorbeeld het VIN en andere identiteitskenmerken worden omgezet in een gestolen voertuig.

De grote hoeveelheid bij Penders c.s. aangetroffen voertuigen en -onderdelen welke

als gestolen zijn geregistreerd, duidt op gewoonteheling. Verwijdering van identificatienummers kan maar één doel hebben: het verhullen van de criminele herkomst. Het bezit van voertuigen en motorblokken met kennelijk opzettelijk verwijderde identificatienummers levert op grond van vaste rechtspraak van de strafrechter heling en/of witwassen op. Daarenboven houden Penders c.s. geen, dan wel een zeer ondeugdelijke registratie van de voertuigen en de voertuigonderdelen bij, waardoor diefstal van voertuigen in de hand wordt gewerkt, immers bij deugdelijke registratie kan blijken dat een aangekocht of ingeruild voertuig als gestolen of verduisterd staat geregistreerd. Door deugdelijke registratie wordt de pakkans van de dief of degene die heeft verduisterd aanmerkelijk vergroot. Deze registratie is wettelijk verplicht. Artikel 437 Sr., het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, Sr, en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Vlaardingen eisen dat handelaren in gebruikte goederen en (sinds oktober 2012) metalen een register bijhouden. Artikel 2 onder c van dat Uitvoeringsbesluit eist dat de handelaar in het register vermeldt: “een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is soort, merk en nummer van het goed.” Tot op heden blijven Penders c.s. in gebreke met het juist en volledig invoeren van voertuigen en voertuigonderdelen in het DOR. Penders c.s. weigeren desgevraagd sluitende informatie over de herkomst van de van diefstal afkomstige zaken te verstrekken. Ook op deze wijze handelen zij onrechtmatig jegens VbV. Zij begunstigen immers de diefstal, heling en witwassen van deze zaken.

VbV stelt in haar dagvaarding (randnummer 30) dat de benadeelde partijen (gesubrogeerde verzekeraars en eigenaren van de voertuigen) haar volmacht verleend hebben tot het voeren van de onderhavige procedure (productie 15 VbV). Ter comparitie heeft VbV gesteld dat de benadeelde partijen hun vorderingen aan VbV hebben gecedeerd.

VbV acht zich voor wat betreft de gevorderde verklaring voor recht op de voet van artikel 3:305a BW gerechtigd om die vordering in te stellen (bij wege van collectieve actie door een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid).

VbV begroot haar schade op de (gehele) waarde van de gestolen auto’s en niet slechts op de waarde van de bij Penders c.s. aangetroffen onderdelen die afkomstig zijn uit gestolen auto’s. Daarbij beroept VbV zich op een legal opinion van prof. [persoon] .

VbV berekent haar schade uiteindelijk aan de hand van haar productie 131 en zij begroot de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten op € 38.742,03 (productie 123).

3.3.

Penders c.s. voeren verweer in conventie en concluderen tot afwijzing van het gevorderde.

3.4.

In reconventie vorderen Penders c.s., na akte eisvermeerdering (zijnde een nieuwe vordering E, waardoor de oude vordering E - de proceskostenveroordeling - vordering F wordt), uitvoerbaar bij voorraad, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Penders c.s. te voldoen:

A. ten titel van schadevergoeding wegens schade aan de voertuigen, conform de expertises van HBS van 26 april 2016 en 20 juni 2016, een bedrag van € 34.912,41;

B. wegens verbeurde dwangsommen: een bedrag van € 500.000,-;

C. ten titel van schadevergoeding: de kosten van rechtsbijstand, deurwaarder en HBS die Penders c.s. als gevolg van de handelwijze van VbV hebben gemaakt, ad € 79.378,46;

D. ten titel van schadevergoeding als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van VbV, waaronder onder meer begrepen schade aan de inventaris, aan de opstallen, aan de roerende zaken, bedrijfsschade als gevolg van stagnatie, omzetschade, herstelschade, reputatieschade, bewakingskosten en alarmopvolging, aan Penders c.s. te voldoen, de volledige schade die Penders c.s. lijden als gevolg van het handelen van VbV, verminderd met het sub A reeds gevorderde, nader te begroten en op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

althans, in de gevallen A t/m C een bedrag door de rechtbank in goede justitie vast te stellen,

elk toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de

datum van deze conclusie tot aan de dag van algehele voldoening,

E. de namens VbV ten laste van Penders c.s. op grond van het verzoekschrift van 19 januari 2016 gelegde conservatoire beslagen op te (doen) heffen;

F. met veroordeling van VbV, evenzeer uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure, in conventie en in reconventie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis.

Penders c.s. stellen daartoe het volgende.

Vordering A

3.5.

De beslaglegging door VbV heeft materiële schade veroorzaakt. De materiële schade aan de auto’s bedraagt minstens € 34.912,41. Auto’s werden bij de inbeslagname “gewoon” in stroppen gehesen, wat schade heeft veroorzaakt. Delen van auto’s vielen er daarbij af. Een dure cabrio met open dak is in de regen gezet, met desastreuze gevolgen voor de bekleding en andere materialen. Tijdens het weghalen van de zaken is ook andere schade opgetreden. Op diverse plekken heeft olie gelekt. Bij het uiteindelijk - na daartoe in kort geding te zijn veroordeeld - retourneren van de beslagen en in bewaring genomen goederen (overigens zijn niet alle in beslag genomen goederen teruggekomen, zie hierna) is wederom schade opgetreden. VbV is als een olifant door de porseleinkast gegaan. VbV dient deze schade te vergoeden. De schade blijkt uit twee rapporten van HBS Expertise B.V., de dato 26 april 2016 en 21 juni 2016.

Vordering B

3.6.

VbV heeft de dwangsommen verbeurd die haar bij kort gedingvonnis van 10 februari 2016 waren opgelegd. Dit vonnis is op 10 februari 2016 betekend. Uiterlijk op 11 februari 2016 had VbV derhalve uitvoering moeten geven aan het vonnis. Dat heeft zij niet gedaan. Tot op heden zijn de in beslag genomen zaken nog steeds niet allemaal geretourneerd. VbV erkent zelfs dat zij een deel van de spullen heeft weggegooid. Uit het proces-verbaal van 16 februari 2016 van de door Penders bij wijze van controle ingeschakelde deurwaarder, blijkt dat niet alle goederen die bij inbeslagname waren gelabeld, waren geretourneerd (productie 35). VbV heeft derhalve sinds 11 februari 2016 tot aan de datum van de conclusie van eis in reconventie 132 keer de dwangsom van € 25.000,- per dag verbeurd, tot het maximum van € 500.000,-.

Vordering C

3.7.

Penders c.s. hebben € 79.378,46 aan kosten gemaakt die VbV dient te vergoeden:

  • -

    € 51.378,59 kosten rechtsbijstand. Penders c.s. bepleiten hierbij een volledige proceskostenveroordeling van VbV wegens misbruik van procesrecht c.q. onrechtmatig handelen, wegens de schade die door het beslag is veroorzaakt en omdat het verhaalsbeslag als bewijsbeslag is gebruikt.

  • -

    € 17.109,87 kosten deurwaarder, noodzakelijk vanwege de onzorgvuldige registratie bij inbeslagname.

  • -

    € 10.890,00: begeleiding en registratie door HBS bij het terugnemen van de inbeslaggenomen goederen en het opstellen van de schaderapporten.

Vordering D

3.8.

Penders c.s. lijden schade aan de inventaris, aan de opstallen, aan de roerende zaken, bedrijfsschade als gevolg van stagnatie, omzetschade, herstelschade, reputatieschade, bewakingskosten en kosten van alarmopvolging. VbV dient deze te vergoeden, verminderd met het sub A gevorderde (de rechtbank begrijpt: mits toegewezen), nader te begroten en op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

Vordering E

3.9.

De door VbV gelegde beslagen dienen opgeheven te worden. Er is nodeloos

op diverse vermogensbestanddelen beslag gelegd. De beslagen onroerende zaken bieden al afdoende verhaal. VbV heeft de voorzieningenrechter ten behoeve van het voorlopige

beslagverlof onjuist geïnformeerd en het voorlopige verleende verlof misbruikt als

bewijsbeslag.

Vordering F

3.10.

VbV dient de (volledige) proceskosten van Penders c.s. te vergoeden.

3.11.

VbV voert verweer in reconventie en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.12.

De stellingen en weren zullen, voor zover nodig, in de beoordeling worden besproken.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

in conventie en reconventie

4.1.

De processuele handelwijze van VbV is niet steeds geheel overeenkomstig de eisen van een goede procesorde. VbV wijzigt haar stellingname, vult deze aan, zij corrigeert zichzelf, verwijst naar de verkeerde productie, de vordering wordt eerst verminderd en vervolgens vermeerderd en een wezenlijk deel van de conclusie van antwoord in reconventie (vanaf randnummer 93) staat ook al in de dagvaarding (vanaf randnummers 3 en 66). Deze conclusie is bovendien mede een verkapte (niet vooraf door de rechtbank toegestane) conclusie van repliek in conventie. VbV poogt ook, zoals nog zal blijken, de hoedanigheid waarin zij procedeert te wijzigen en ook om met een statutenwijziging lopende de onderhavige procedure haar vorderingsgerechtigdheid te sauveren. VbV heeft aldus niet voldaan aan haar plicht om haar stellingname, ook ten aanzien van haar vorderingsgerechtigdheid, zo geconcentreerd en duidelijk mogelijk naar voren te brengen. Het voert echter te ver om aan deze handelwijze van VbV in deze procedure consequenties te verbinden (behoudens wellicht, te zijner tijd, in de sfeer van de proceskosten), nu nog wel voldoende duidelijk is wat het standpunt van VbV uiteindelijk is en Penders c.s. zich dus nog steeds adequaat kunnen verweren.

verder in conventie

4.2.

De rechtbank zal eerst de formele en bevrijdende weren beoordelen. Daarna zal worden beoordeeld wié van Penders c.s. aansprakelijk kan worden gehouden indien vast komt te staan dat onrechtmatig is gehandeld; vervolgens komt de vraag aan de orde óf onrechtmatig is gehandeld.

niet-ontvankelijkheid VbV statutaire doelomschrijving

4.3.

Volgens Penders c.s. valt het voeren van de onderhavige procedure buiten de statutaire doelomschrijving van VbV. Dit verweer faalt. Artikel 2:7 BW bepaalt dat een door een rechtspersoon verrichte rechtshandeling onder omstandigheden vernietigbaar is indien daardoor het doel wordt overschreden. Een beroep op deze bepaling komt echter slechts toe aan de rechtspersoon zelf (vgl. Rechtbank Gelderland 25 januari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:9720). In het midden kan blijven of het verweer van Penders c.s. ook faalt om de reden dat VbV lopende de onderhavige procedure haar statuten heeft gewijzigd. Voor zover Penders c.s. het oog hebben op de eisen van artikel 3:305a BW wordt daarop hierna, onder 4.13 en verder, teruggekomen.

niet-ontvankelijkheid VbV machtigingen ontoereikend, geen lastgeving ex art 7:414 BW

4.4.

Deze rechtbank heeft in een andere zaak al eerder geoordeeld dat VbV haar recht om de onderhavige procedure te voeren niet kan gronden op wet-/regelgeving, en dan met name niet op de Aanwijzing van de minister (Beschikking 4 juli 2006/nr. HDJZ/AWW/2006-888 Hoofddirectie Juridische Zaken) en een Kamerbrief (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 XII, nr. 26) (Rechtbank Rotterdam 29-06-2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4941). Deze regeling bevat geen bepaling waaraan dit gestelde recht ontleend zou kunnen worden. De rechtbank komt in deze zaak tot hetzelfde oordeel. Dit betekent dat de gerechtigheid van VbV om de onderhavige procedure te voeren een andere grondslag moet hebben (lastgeving of volmacht van de benadeelden), behoudens dan het beroep op art. 3:305a BW bij haar vordering III, waarover de rechtbank nog komt te oordelen.

4.5.

VbV is wel gerechtigd om de onderhavige procedure te voeren indien zij daartoe last of volmacht heeft verkregen van de benadeelde partijen. In haar dagvaarding stelt VbV dat de benadeelde partijen haar volmachten hebben verstrekt (productie 13, de eerdere verwijzing door VbV naar haar productie 15 bleek een vergissing).

4.6.

Voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, kan in rechte worden opgetreden door een gevolmachtigde die een rechtsvordering instelt of als verweerder verschijnt in naam van een met name aangeduide volmachtgever om wiens belangen het in het betrokken geding gaat (HR 26-06-1985, NJ 1986, 307).

4.7.

Penders c.s. voeren, met een beroep op Asser Procesrecht/ Van Schaick 2 2016/32, aan dat de namen van de gevolmachtigden uitdrukkelijk in de dagvaarding zelf vermeld moeten staan en dat aan deze eis niet is voldaan in de dagvaarding van VbV. De rechtbank onderschrijft dit verweer niet. Blijkens voormeld arrest is slechts vereist dat de gevolmachtigde “met name” wordt genoemd. Door verwijzing in de dagvaarding naar de productie die de namen van de volmachtgevers noemt, is aan deze eis voldaan.

4.8.

Volgens Penders c.s. is een volmacht met daarin de tekst dat VbV is gemachtigd “om haar belangen te behartigen in de civiele procedure tegen Penders” te vaag. De rechtbank onderschrijft dit verweer niet. Het is alleszins duidelijk wat er hier bedoeld wordt.

4.9.

Volgens Penders c.s. is de volmacht niet steeds afgegeven door de persoon die daartoe volgens het Handelsregister bevoegd is. Dit is, voor zover het juist is, een gebrek dat zich leent voor herstel. VbV kan alsnog een deugdelijke volmacht in geding brengen. De rechtbank zal VbV bevelen dit bij eerstvolgende akte te doen, ter voorkoming dat deze kwestie in de lucht blijft hangen.

4.10.

Als in enige volmacht het schadebedrag niet wordt genoemd dan maakt dat de volmacht niet ondeugdelijk. Overigens zal de schade(omvang) in voorkomend geval in verband met de betwisting toch nog bewezen moeten worden. In zoverre worden Penders c.s. niet geschaad in hun verdedigingsbelang als het schadebedrag niet wordt genoemd. Bovendien wordt, zoals hierna zal blijken, de schade niet begroot op de waarde van de auto.

4.11.

Geen rechtsregel verplicht VbV of de volmachtgevers tot het kiezen voor “cessie ter incasso” (zijnde overigens geen wettelijk benoemde rechtsfiguur, zodat slechts door uitleg zou kunnen worden vastgesteld of het dan zou gaan om een echte cessie of om een last/volmacht ter incasso), in plaats van voor volmacht.

4.12.

VbV heeft op dit punt haar stellingname gewijzigd. In haar conclusie van antwoord in reconventie heeft VbV gesteld dat sprake is van cessie in plaats van volmacht. Ter comparitie stelt VbV: “VbV heeft van meet af aan op eigen naam schadevergoeding gevorderd en is inmiddels via de aktes van cessie eigenaar geworden van de vorderingen. VbV was van meet af aan formele en materiële procespartij en is niet tussentijds van jasje veranderd.” Deze stellingname is feitelijk onjuist, nu in de dagvaarding wordt gesteld dat sprake is van volmacht, en dus niet van cessie. Een procespartij mag lopende de procedure niet de hoedanigheid waarin zij in de procedure optreedt wijzigen. VbV kan niet eerst optreden voor een ander en dan later in de procedure voor zichzelf. Penders c.s. voeren aan dat beoordeling van het geschil moet (blijven) plaats vinden op de grondslag van volmacht en niet van cessie. De rechtbank onderschrijft dit verweer, zodat beoordeling zal blijven plaats vinden op de grondslag van volmacht.

niet-ontvankelijkheid VbV art. 3:305a BW

4.13.

Art. 3:305a BW is alleen relevant bij vordering III, nu dit artikel blijkens lid 3 daarvan niet toepasselijk is op geldvorderingen (zijnde de vorderingen I en II). Vordering III bestaat, samengevat, uit de navolgende drie deelvorderingen:

1) een verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld - jegens VbV en/of de

belanghebbenden bij de betreffende goederen - door thans gestolen auto’s en onderdelen voorhanden te hebben die afkomstig zijn uit gestolen auto’s.

2) een verklaring voor recht dat in de toekomst onrechtmatig zal worden gehandeld

- jegens VbV en/of de belanghebbenden bij de betreffende goederen - door nog meer gestolen auto’s en onderdelen uit gestolen auto’s te verwerven.

3) een vordering tot vernietiging van de onder 1 genoemde goederen.

4.14.

Ten aanzien van vordering III sub 1 (de reeds aangetroffen auto’s en/ of auto-onderdelen) oordeelt de rechtbank als volgt. Als jegens de volmachtgevers onrechtmatig mocht blijken te zijn gehandeld dan volgt, vanzelfsprekend, reeds daaruit dat voor recht verklaard kan worden dat er onrechtmatig is gehandeld. Daar heeft VbV art. 3:305a BW niet voor nodig, zij heeft ook uit hoofde van de volmachten voldoende belang.

Er valt echter niet in te zien waarom Penders c.s. alsdan ook jegens VbV zelf onrechtmatig hebben gehandeld. VbV lijdt zelf geen schade door heling van auto-onderdelen en ten aanzien van art. 3:305a BW dient het te gaan om een vordering ten behoeve van de door VbV vertegenwoordigde belanghebbenden en om een bundeling van gelijksoortige belangen. Voldaan moet zijn aan de eisen van artikel 3:305a lid 2 BW. VbV dient zich daaromtrent nader uit te laten, nu haar stellingen tot dusver dat punt onvoldoende behandelen.

4.15.

Vordering III sub 2 (de toekomstige auto’s en/ of auto-onderdelen) zal worden afgewezen, ongeacht wat art. 3:305a BW bepaalt. De vordering is toch al niet toewijsbaar. Indien reeds op voorhand blijkt dat de handelingen waarvan in dit geding wordt gevorderd deze verboden te verklaren, op zodanige wijze zijn omschreven dat zij niet alle of niet onder alle omstandigheden onrechtmatig zijn, en de vraag of zij al dan niet onrechtmatig zijn, anders dan in geval van in het verleden verrichte handelingen, ook niet aan de hand van de omstandigheden van het geval kan worden onderzocht, is de verklaring voor recht onvoldoende concreet omschreven (HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3693). Dit doet zich hier voor. Het is niet zonder meer altijd onrechtmatig om auto-onderdelen in bezit te hebben die afkomstig blijken te zijn van diefstal. De vraag of Penders c.s. te goeder trouw hebben gehandeld bij de verwerving van deze goederen, dient beoordeeld te worden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Die omstandigheden zijn per definitie nog niet bekend waar het om toekomstige goederen gaat. Voor complete gestolen auto’s (naast auto-onderdelen) geldt hetzelfde oordeel. Het is immers ook niet ondenkbaar dat zich een gestolen auto op het terrein van Penders c.s. bevindt zonder dat onrechtmatig door hen wordt gehandeld, bijvoorbeeld omdat een autodief deze auto te koop aanbiedt maar dat aanbod niet wordt aanvaard.

4.16.

Vordering III sub 3 (tot vernietiging van de “huidige” onderdelen die afkomstig zijn uit gestolen auto’s) komt neer op een vorm van civielrechtelijke, in plaats van strafrechtelijke, onttrekking aan het verkeer van (gesteld) door heling verkregen goederen.

4.17.

Het gaat hier om een gestelde plicht om iets te doen. Tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit de rechtshandeling anders volgt, wordt hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter op vordering van de gerechtigde, veroordeeld (art. 3:296 lid 1 BW).

4.18.

Beoordeeld moet derhalve worden of Penders c.s. jegens VbV verplicht zijn tot vernietiging van de desbetreffende goederen. Deze plicht (verbintenis) kan voortvloeien uit een overeenkomst of uit de wet. Van een overeenkomst tot vernietiging van deze goederen is evident geen sprake. Van een verbintenis uit de wet evenmin. Het belang van VbV maakt nog niet dat er dan ook een verbintenis valt aan te wijzen waarop haar vorderingsrecht gebaseerd kan worden. Slechts indien en voor zover de rechtbank van oordeel is dat in de gegeven omstandigheden aan de onrechtmatige toestand slechts door vernietiging een einde is te maken zou deze vordering toewijsbaar zijn. Daartoe is onvoldoende gesteld. Deze vordering zal worden afgewezen.

verjaring

4.19.

Penders c.s. hebben zich, vooruitlopend op nadere gegevens, alvast beroepen op verjaring. Daarop zal zo nodig later worden teruggekomen.

bewijsbeslag?

4.20.

Penders c.s. stellen dat VbV het conservatoire verhaalsbeslag in feite als onrechtmatig bewijsbeslag heeft gebruikt, door de beslagen goederen aan de hand van hun identieke kenmerken op hun herkomst te onderzoeken, en dit zonder te beschikken over de - rechtens vereiste- toestemming van de rechter (ex art. 843a Rv), gegeven na een procedure waarin Penders c.s. gehoord zijn. VbV betwist dit. Als onvoldoende onderbouwd zal de rechtbank aan de stelling voorbijgaan. VbV legt veel strafrechtelijke processen-verbaal over ter zake van hetgeen hier in geding is. Kennelijk heeft een zeer uitgebreid strafrechtelijk onderzoek plaats gevonden. Dat wijst er niet direct op dat VbV zelf ook nog inzage in de beslagen goederen nodig had. Penders c.s. stellen ook niet dat VbV ten aanzien van enig auto-onderdeel slechts door eigen onderzoek na beslaglegging kón weten van de illegale herkomst. Er bestaat dus geen voldoende concrete aanwijzing dat sprake is geweest van de aan VbV verweten gedraging.

wie van Penders c.s. kan/ kunnen wellicht aansprakelijk worden gehouden?

4.21.

Ingeval het gestelde onrechtmatige handelen vast komt te staan zullen (alleen)

de twee werkmaatschappijen, (De) Montage en Auto’s & Parts, daarvoor aansprakelijk worden gehouden. Dit gestelde onrechtmatige handelen heeft plaatsgevonden binnen deze twee vennootschappen. Uit de stellingen van VbV valt niet of althans onvoldoende af te leiden dat Penders ook in persoon aansprakelijk kan worden gehouden. Dat Penders, als (indirect) directeur-grootaandeelhouder zeggenschap heeft over de vennootschappen is daartoe onvoldoende. De vennootschappen zijn kennelijk relatief grote bedrijven en werken met (veel) personeel, althans, door VbV is niet gesteld dat er bij deze twee bedrijven geen of weinig personeel rondloopt. Niet gesteld is dat Penders zich, in persoon, bezig hield met de inkoop van gestolen auto-onderdelen. Dan kan hoogstens worden geoordeeld dat Penders te weinig toezicht hield op deze inkoop door het personeel. Dat kwalificeert nog niet als een ernstig persoonlijk verwijt (zoals vereist, volgens bestendige jurisprudentie, voor bestuurdersaansprakelijkheid). Penders is ook niet veroordeeld voor heling, laat staan voor opzet/gewoonteheling.

De twee overige vennootschappen (Beheer en Vastgoed) valt eventueel onrechtmatig handelen evenmin toe te rekenen, nu de activiteiten van deze twee vennootschappen niet, naar Penders c.s. onbetwist stellen, zien op inkoop van (al dan niet gestolen) goederen maar op beheer van de vennootschappen en van onroerend goed.

4.22.

De verdere beoordeling (in conventie) zal derhalve plaatsvinden tegen alleen de (De) Montage en Auto’s & Parts. De andere gedaagden kunnen in ieder geval niet aansprakelijk worden gehouden.

4.23.

Voor hoofdelijke aansprakelijkheid van (De) Montage en Auto’s & Parts ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding. Daarvoor zou vereist zijn dat de werkmaatschappijen in groepsverband onrechtmatig hebben gehandeld, maar uit de stellingen van VbV valt niet (goed) af te leiden dat als groep is gehandeld respectievelijk waarom VbV meent dat dat het geval is. Een concernverband is niet voldoende voor hoofdelijke aansprakelijkheid. Het gaat om twee verschillende bedrijven die op andere adressen zijn gevestigd. Er blijkt niet - en ook is er onvoldoende onderbouwd gesteld - dat het personeel op beide locaties werkt en dus ook niet dat dezelfde personen op beide locaties (gesteld) gestolen waar inkochten. Dat bij beide bedrijven auto-onderdelen zijn aangetroffen die afkomstig zijn uit één en dezelfde gestolen auto is op zich zelf ook niet voldoende voor een ander oordeel.

4.24.

Over het gestelde onrechtmatig handelen wordt als volgt geoordeeld.

4.25.

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat het hier om roerende goederen, niet zijnde-registergoederen gaat (auto-onderdelen en/ of auto’s). De bezitter van een dergelijk goed wordt vermoed te goeder trouw te zijn. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Is een bezitter eenmaal te goede trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven. Volgens HR 4 april 1986, NJ 1986, 810 is voor goede trouw niet alleen nodig dat de verkrijger ten tijde van de levering de onbevoegdheid van zijn voorman niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. Met het oog op dit laatste dient hij naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek in te stellen, dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd.

4.26.

Als (De) Montage en Auto’s & Parts auto’s of auto-onderdelen in bezit hebben (gehad) waarvan zij bij de verwerving wisten of behoorden te weten dat deze goederen afkomstig zijn van diefstal, dan zijn zij niet te goeder trouw geweest en hebben zij ook toerekenbaar onrechtmatig gehandeld, door in strijd te handelen met de wet.

4.27.

Bij de beoordeling of (De) Montage en Auto’s & Parts te goeder trouw waren maakt de rechtbank een onderscheid tussen:

- complete auto’s

- auto-onderdelen waarop autofabrikanten kenmerken hebben aangebracht waardoor deze fabrikanten in staat zijn te onderzoeken uit welke auto deze onderdelen afkomstig zijn, en waaruit dus ook kan blijken dat die auto gestolen of verduisterd is (“auto-onderdelen met een fabrikantenregistratie”)

- auto-onderdelen waarop het VIN ontbreekt/ is verwijderd

- auto-onderdelen waarop het VIN nog aanwezig is.

complete auto’s

4.28.

VbV stelt in haar dagvaarding (randnummer 15) dat op 1 december 2011 op het adres [adres] 9 voertuigen, en op een later moment nog 2 voertuigen zijn aangetroffen die als gestolen of verduisterd geregistreerd staan. VbV verwijst daarbij, zowel in haar dagvaarding als in haar productieoverzicht, naar haar productie 5. Productie 5 ziet echter op de statuten van VbV. (De) Montage en Auto’s & Parts erkennen wel dat er één gestolen auto is aangetroffen. Zij geven hiervoor als reden aan dat het stallen van die auto op verzoek van een andere garage is gedaan die geen ruimte had en ruzie zou hebben met een klant, en dat de garage nu “verdwenen” is. Dit is een merkwaardige verklaring (waarom is de auto, al dan niet via de politie, niet teruggebracht naar de eigenaar?) maar nog niet voldoende om (De) Montage en Auto’s & Parts op voorhand in het geheel niet te goeder trouw te achten dan wel de bewijslast bij hen te leggen. In reactie op dit verweer heeft VbV gesteld dat er minstens 15 “min of meer volledige” gestolen auto’s zijn aangetroffen bij Penders c.s. doch dit standpunt is niet nader onderbouwd. (De) Montage en Auto’s & Parts hebben vervolgens gepersisteerd in het standpunt dat het “maar” om één auto ging.

4.29.

Indien vele gestolen complete auto’s op terreinen van Penders c.s. zijn aangetroffen dan zou daaraan betekenis kunnen toekomen bij de beoordeling van de goede trouw en mogelijk ook bij bepaling van de bewijspositie van Penders c.s. (bijvoorbeeld door omkering van de bewijslast op grond van het aannemen van een bewijsvermoeden). Eén en ander niet alleen voor wat betreft de vordering ter zake de gestolen complete auto’s maar ook voor wat betreft de auto-onderdelen. Echter, VbV maakt niet (goed) duidelijk welke gestolen auto’s dan zouden zijn aangetroffen. VbV verwijst naar processen-verbaal van de politie maar daarin wordt niet gerept over complete auto’s maar slechts over auto-onderdelen. Het is ook niet aan de rechtbank om in de (vele) producties te zoeken naar het eventuele gelijk van VbV maar aan VbV om duidelijk aan te geven welke auto’s het betreft met verwijzing naar de relevante productie(s). De rechtbank zal derhalve niet in haar beoordeling betrekken dat er volgens VbV 15 complete gestolen auto’s zijn aangetroffen.

auto-onderdelen met een fabrikantenregistratie

4.30.

VbV stelt dat het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit te Veendam (LIV, zijnde een samenwerkingsverband tussen de RDW, de politie en VbV) toegang heeft tot fabrieksregistratiesystemen van auto-onderdelen en dat het LIV aan haar, VbV, informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat bij Penders c.s. auto-onderdelen zijn aangetroffen die afkomstig zijn uit gestolen auto’s. VbV stelt in dit verband: “In diverse gevallen houden fabrikanten, importeurs en leveranciers van deze onderdelen gegevens daarover bij. Deze gegevens zijn niet voor de openbaarheid bestemd.” Het is echter op zich niet onrechtmatig om auto-onderdelen te verwerven die volgens een eerst nadien door een ander verricht onderzoek afkomstig blijken te zijn uit gestolen auto’s. Dit des te minder nu voormeld systeem kennelijk niet toegankelijk is voor het publiek. De wet kent, anders dan VbV lijkt aan te nemen, geen risico-aansprakelijkheid voor het bezit van roerende goederen die, achteraf bezien, gestolen blijken te zijn. Peilmoment voor de beoordeling van de goede trouw is en blijft (slechts) het moment van verwerving van de auto-onderdelen en niet het latere moment waarop aan VbV het resultaat van haar naspeuringen blijkt. De ruime onderzoeksmogelijkheid van VbV betekent niet dat de onderzoeksplicht van de koper in diezelfde mate wordt vergroot.

4.31.

Het is nog niet gezegd dat het beroep van VbV op artikel 437 Sr. en het daarop gebaseerde “Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht” tot een ander oordeel kan nopen. Krachtens art. 437 Sr. en dit besluit (een algemene maatregel van bestuur) wordt aan handelaren in bepaalde soorten goederen een administratieplicht opgelegd die inhoudt dat de handelaar zich vergewist van de identiteit van de verkoper van wie hij deze goederen inkoopt en diens identiteit vastlegt.

Deze handelaren plegen van oudsher te worden aangeduid met de term “gruthokkers” (goudsmid, rijwielhandelaar, uitdrager, tagrijn, horlogemaker, opkoper en kashouder). Artikel 1 lid 1 van voormeld besluit luidt: “De handelaren, bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zijn opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, metalen, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.” Volgens deze definitie geldt de voormelde administratieplicht voor handelaren in auto’s, maar niet voor handelaren in auto-onderdelen. Het is in strijd met de rechtszekerheid om een strafrechtelijke bepaling ruimer uit te leggen dat deze is geformuleerd. Een administratieplicht voor handelaren in auto-onderdelen in de APV van de gemeente Vlaardingen (ex art. 437ter Sr.) is gebaseerd op art. 437 Sr. en mag dus geen verdergaande werking hebben dan art. 437 Sr. Voorts is dit besluit gewijzigd bij besluit van 6 oktober 2012, dat de temporele werking beperkt tot verwerking en voorhanden hebben na 1 januari 2013. Artikel 2 houdt een aantal verplichtingen in. Het geautomatiseerde systeem DOR is door een aantal gemeenten aangewezen als register in de zin van dat besluit, doch Vlaardingen heeft dat kennelijk (nog) niet gedaan.

Deze kwestie is nog niet aan de orde geweest in de onderhavige procedure. Ter vermijding van een verrassingsbeslissing zal VbV in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de vraag of art. 437 Sr een wettelijke administratieplicht voor de professionele inkoper van auto-onderdelen inhoudt, en haar stellingen op dat punt een deugdelijk te onderbouwen. (De) Montage en Auto’s & Parts zullen hierop mogen reageren.

auto-onderdelen waarop het VIN ontbreekt

4.32.

Volgens VbV zijn er minstens 11 voertuigen en 40 motorblokken zonder Voertuig Identificatienummer (VIN) aangetroffen bij Penders c.s.

4.33.

Een auto dient voorzien te zijn van een VIN, ook wel aangeduid als chassisnummer of framenummer. Deze code kan ingeslagen zijn dan wel op een op het chassis/frame gemonteerd plaatje zitten. Dit nummer geeft het voertuig een unieke identiteit. Dit nummer moet door de fabrikant worden aangebracht. Alleen in bijzondere gevallen mag de RDW onder strikte voorwaarden een nieuw VIN inslaan. Het aanbrengen, dan wel veranderen van identificatienummers door particulieren of bedrijven is niet toegestaan. Wanneer een nieuw VIN wordt ingeslagen, wordt het eerder aangebrachte VIN leesbaar doorgehaald. Op zichzelf is het toegestaan een motor op te bouwen met onderdelen van verschillende motoren, maar daarbij moet de herkomst van de onderdelen traceerbaar blijven en mogen er geen veranderingen in de identificatienummers worden aangebracht (vgl. Rechtbank Maastricht 20 januari 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3519).

De Ministeriële Regeling Voertuigen en Bijlage I bij deze regeling (die zijn gebaseerd op Richtlijn 2007/46/EG en de Wegenverkeerswet) bepalen in dit verband onder meer:

-artikel 2.1:

“1 In het kader van een aanvraag tot inschrijving of tenaamstelling, een individuele goedkeuring of een door de Dienst Wegverkeer uitgevoerd onderzoek kan door de Dienst Wegverkeer het voertuigidentificatienummer worden vastgesteld.

2 Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.

3 Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, bepaald in bijlage I.”

-artikel 5.2.1 lid 3:

“3. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.”

(deze regel heeft betrekking op personenauto’s. Voor een aantal andere voertuigen

kent de Regeling voertuigen soortgelijke bepalingen).

- Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid:

[…]

In deze bijlage wordt verstaan onder:

[…]

voertuigidentificatienummer: gestructureerde combinatie van tekens die de voertuigfabrikant oorspronkelijk aan een voertuig heeft toegekend en heeft ingeslagen, dan wel dat door de Dienst Wegverkeer is ingeslagen, met het doel om, zonder gebruikmaking van verdere informatie, het voertuig eenduidig te identificeren.”

In een brief van de RDW aan VbV staat hierover:

“Overigens, de enige reden in de optiek van de RDW waarom een identificatienummer (bijvoorbeeld chassisnummer of motorbloknummer) is weggeslepen, is om het onmogelijk te maken dat de wederrechtelijke herkomst van het hoofdonderdeel - van welk voertuig is het afkomstig? - kan worden vastgesteld. Er is verder geen andere plausibele reden aanwezig waarom een hoofdonderdeel wordt ontdaan van zijn identiteit.

4.34.

Naar het oordeel van de rechtbank mag van een professionele handelaar in auto-onderdelen die onderdelen in bezit heeft waarvan het VIN niet leesbaar (meer) is, verwacht worden dat hij adequaat uitlegt hoe dit komt, bijvoorbeeld door brand of andere autoschade, en dus niet door opzettelijke verwijdering/ wegslijpen. Penders c.s. hebben aangevoerd dat soms via internet partijen motoren worden ingekocht waarvan het pas na aflevering blijkt dat het VIN ontbreekt. Door zich er niet van tevoren van te vergewissen dat het VIN is verwijderd nemen Penders c.s. echter het aanmerkelijke risico dat zij gestolen waar inkopen. Het gaat hier niet om de inkoop van een klein onderdeel als bijvoorbeeld een autolampje. Een VIN moet blijkens de aangehaalde regelgeving aangebracht zijn op het chassis, frame of soortgelijke structuur. Ook moet het VIN goed leesbaar zijn. Voor zover de plicht van de aanwezigheid van een VIN slechts geldt voor voertuigen die aan het verkeer deelnemen en (nog) niet voor onderdelen die opgeslagen liggen bij de handelaar in auto-onderdelen, noopt dat niet tot een ander oordeel. Het gaat er niet om of het geoorloofd is om onderdelen te bezitten zonder VIN zolang maar niet aan het verkeer wordt deelgenomen. Het gaat er om dat de professionele inkoper onraad moet bespeuren als hij onderdelen zonder VIN inkoopt temeer omdat de aanwezigheid van het VIN eenvoudig is te controleren.

4.35. (

De) Montage en Auto’s & Parts voeren voorts aan dat zij gemiddeld 2.500 auto’s en 3.500.000 auto-onderdelen op voorraad hebben, waarvan duizenden motoren. Voor zover (De) Montage en Auto’s & Parts menen dat de grootte van hun ondernemingen een mindere oplettendheid rechtvaardigt bij de inkoop van die onderdelen die voorzien moeten zijn van een VIN, faalt dit betoog. Een particulier die één motorblok koopt waarvan het VIN is weggeveild kan eveneens niet te goeder trouw zijn (al zal dit van de omstandigheden afhangen, maar afwezigheid van een VIN telt terdege mee bij de beoordeling van de goede trouw). Dit wordt niet anders als er méér motorblokken zonder VIN bedrijfsmatig ingekocht worden. Grootschaligheid rechtvaardigt nog geen onzorgvuldigheid. Het aanbod tot inkoop van een auto-onderdeel zonder VIN noopt de professionele inkoper tot grote terughoudendheid en het oordeel is in beginsel gerechtvaardigd dat alsdan de goede trouw ontbreekt, dit behoudens een gemotiveerd (en zo nodig te bewijzen) verweer van de inkoper.

4.36.

In het oordeel ten aanzien van (De)Montage wordt voorts meegewogen dat (De)Montage aan de Staat € 9.969,- heeft betaald ter voorkoming van strafvervolging en € 85.000,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Een dergelijke transactie komt, anders dan een onherroepelijk strafvonnis, weliswaar geen dwingende bewijskracht toe, maar wel vrije bewijskracht. Evenzeer kan een dergelijke transactie gewicht toekomen bij de beoordeling, zoals hier, of te goeder trouw is gehandeld.

4.37.

Het is niet duidelijk om welke onderdelen het gaat waarvan het VIN ontbreekt. VbV zal zich hierover bij nadere akte dienen uit te laten. Daarbij zal VbV nader moeten onderbouwen, voor ieder onderdeel afzonderlijk en onder duidelijke verwijzing naar de productie (s) waaruit zulks blijkt:

- welke onderdelen betreft het precies?

- bij welke van de twee werkmaatschappijen is het desbetreffende onderdeel aangetroffen?

- waaruit blijkt ten aanzien van dit onderdeel van een schade-uitkering door de verzekeraar aan de verzekerde en hoe hoog was die?

-waaruit blijkt dat ten aanzien van ieder afzonderlijk onderdeel (respectievelijk: van de auto waaruit dit onderdeel afkomstig is) de volmacht tot procederen is verstrekt door een persoon die namens de verzekeraar bevoegd was die volmacht af te geven?

4.38.

De rechtbank dient, zo nodig ambtshalve, te waken tegen (verdere) onredelijke vertraging van de procedure. Daarom zal VbV bevolen worden (ex art. 22 Rv.) deze informatie bij eerste gelegenheid te verschaffen.

4.39.

Omdat niet duidelijk was om welke VIN-onderdelen het hier gaat hebben (De) Montage en Auto’s & Parts nog geen goede mogelijkheid gehad om ten aanzien van ieder afzonderlijk VIN-onderdeel verweer te voeren ter zake van de goede trouw bij de verwerving van het desbetreffende onderdeel. (De) Montage en Auto’s & Parts zullen dit alsnog mogen doen.

auto-onderdelen waarop het VIN nog aanwezig is

4.40.

Als de rechtbank mocht komen te oordelen dat geen administratieplicht geldt voor de inkoper van auto-onderdelen, dan zal dat oordeel ook gelden ten aanzien van die auto-onderdelen waarop het VIN nog aanwezig is. Het is kennelijk mogelijk om aan de hand van het VIN te achterhalen om welke auto het gaat, maar als voor dat onderdeel geen administratieplicht geldt kan ook niet zonder meer worden uitgegaan van een onderzoeksplicht om het systeem te raadplegen waaruit blijkt tot welke auto het onderdeel behoorde. Zonder administratieplicht zal dit registratiesysteem overigens ook nog eens onvolledig (kunnen) zijn. Een auto-onderdeel met een VIN is geen registergoed en VbV stelt geen feiten of omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat (toch) van een professionele inkoper van auto-onderdelen gevergd mag worden dat hij een deugdelijk en niet te bezwaarlijk onderzoek verricht, en kán verrichten, naar de herkomst van een door hem in te kopen auto-onderdeel met daarop een VIN.

Aangetekend zij nog dat het debat van partijen niet de kwestie omvat of de RDW, dan wel enige andere organisatie, hierin (wel) op betrouwbare en niet te bezwaarlijke wijze uitsluitsel zou kunnen geven. Dit debat zal in deze procedure ook niet meer worden toegestaan. Dit zou strijd opleveren met de goede procesorde, gelet op hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen over de wijze van procederen door VbV. (De) Montage en Auto’s & Parts mogen niet geconfronteerd blijven worden met steeds weer nieuwe verwijten. Bovendien zou ook dit onredelijke vertraging van de procedure opleveren.

omvang van de schade

4.41.

Partijen houdt verdeeld of de schade dient te worden gesteld op de waarde van het desbetreffende auto-onderdeel (standpunt (De) Montage en Auto’s & Parts) dan wel op de waarde van de gehele auto waaruit het onderdeel afkomstig is (standpunt VbV).

4.42.

De rechtbank is van oordeel dat hier geen conditio sine qua non verband aanwezig is tussen het stelen van een auto en het gestelde helen van auto-onderdelen door (De) Montage en Auto’s & Parts. VbV stelt niet dat (De) Montage en Auto’s & Parts opdracht gaven aan de dief om een bepaalde auto te stelen zodat de onderdelen daarvan ingekocht konden worden. En in onderhavig geval is, anders dan in het vonnis van de rechtbank Gelderland van 14 december 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:7041 waarnaar Vbv verwijst, geen sprake van een strafrechtelijke veroordeling wegens opzetgewoonteheling. De rechtbank acht het ook niet redelijk om (ex art. 6:98 BW) de schade die veroorzaakt is door diefstal van de gehele auto toe te rekenen aan (De) Montage en Auto’s & Parts, als gestelde helers van alleen het auto-onderdeel.

4.43.

De schade zal, ingeval van aansprakelijkheid van Penders c.s., dus worden begroot aan de hand van de waarde van het onderdeel zelf. Schadevergoeding dient tot herstel in de oude toestand. Mogelijk kan ter bepaling van de schade worden aangeknoopt bij de uitkering die de verzekering zou doen als alleen het onderdeel vergoed had moeten worden, of anders wellicht bij de prijs van een gelijkwaardig onderdeel op de vrije markt. Partijen kunnen zich hier desgewenst nog over uitlaten.

verder in reconventie

4.44.

De rechtbank neemt het oordeel in conventie hier over.

4.45.

De rechtbank acht de eisvermeerdering van Penders c.s. niet in strijd met de goede procesorde. VbV heeft op deze eisvermeerdering deugdelijk kunnen reageren. VbV heeft zelf ook meerdere eiswijzigingen ingediend terwijl voorts haar eigen procesvoering, zoals gezegd, niet steeds uitblinkt in duidelijkheid.

Vordering A (schade door de beslagleging)

4.46.

Deze vordering is - grotendeels- onvoldoende onderbouwd en zal worden afgewezen. De rapporten waarop Penders c.s. zich beroepen melden dat schade is geconstateerd aan goederen die na beslaglegging zijn geretourneerd, maar zij maken niet duidelijk dat die schade voor de beslaglegging nog niet aanwezig was. Penders c.s. erkennen dit overigens zelf al ( “Natuurlijk is er geen rapportage van de situatie voorafgaand aan beslaglegging.”).

4.47.

Penders c.s. stellen dat VbV cabrio’s tijdens de gerechtelijke bewaring met open dak in de regen heeft laten staan. Het verweer van VbV is in hoofdzaak dat de hoogte van de schade wordt betwist (zij het niet gemotiveerd) en daarnaast dat zij niet zelf auto’s in de open lucht heeft gezet. Het verweer faalt. VbV heeft in te staan voor de hulppersonen die zij heeft ingeschakeld bij de opslag van de - op haar verzoek - in gerechtelijke bewaring genomen goederen. De schade is dus toerekenbaar aan VbV. Het is onzorgvuldig en onrechtmatig om in beslag genomen en in bewaring genomen cabrio’s onbedekt in de open lucht, met de in Nederland niet te verwaarlozen kans op regen, te laten staan. VbV is derhalve aansprakelijk voor de schade. Het gevorderde schadebedrag van € 16.500,- komt redelijk en billijk voor en ligt voor toewijzing gereed, nog te vermeerderen met een bedrag van € 1.650,- als redelijk geachte buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van de omvang van de onderhavige schade.

Penders c.s. dienen nog te onderbouwen aan wie van hen deze schadevergoeding toekomt.

Vordering B (dwangsommen)

4.48.

De dwangsomveroordeling ziet op meerdere onderwerpen, maar blijkens de stellingname van Penders c.s. is de grondslag van hun vordering slechts dat de in beslag genomen zaken nog steeds niet allemaal zijn geretourneerd. Penders c.s. stellen echter niet om welke goederen het hier gaat, respectievelijk welke zij missen. Een niet-onderbouwde verwijzing naar niet zeer duidelijke producties kan niet dienen als vervanging voor de stelplicht, omdat de wederpartij dan niet goed weet waartegen zij zich heeft te verweren. Als onvoldoende onderbouwd zal deze vordering worden afgewezen. Afgezien hiervan is hier ook geen concreet bewijsaanbod gedaan.

Vordering C (volledige proceskostenvergoeding)

4.49.

Een vordering tot volledige vergoeding van de proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).

Het (definitieve) oordeel omtrent de proceskosten zal worden aangehouden.

Vordering D

4.50.

Deze vordering is een samenstelsel van vele, veelal niet onderbouwde deelposten, Deels wordt deze vordering reeds thans afgewezen. Wat bedoeld wordt met bewakingskosten en alarmopvolging is onduidelijk gebleven. Over de schade aan de geretourneerde goederen is al geoordeeld. Het oordeel zal (slechts) ten aanzien van de reputatieschade en omzetschade worden aangehouden. Eerst moet vast komen te staan of (De) Montage en Auto’s & Parts wel of niet onrechtmatig hebben gehandeld. Als dat komt vast te staan liggen de vorderingen voor afwijzing gereed. Aan dat oordeel doet, voor wat betreft de gestelde reputatieschade, dan niet af dat Penders in persoon niet aansprakelijk wordt gehouden. Dan treft Penders immers nog steeds het verwijt dat hij onvoldoende toezicht heeft gehouden op de inkoop van auto-onderdelen door zijn personeel.

Vordering E (opheffing beslag)

4.51.

Er is al geoordeeld dat de vordering in ieder geval niet toewijsbaar is jegens Penders, Beheer en Vastgoed. Aldus is het beslag jegens hen gelegd voor een ondeugdelijke vordering. Dit rechtvaardigt de opheffing van de conservatoire beslagen, voor zover ten laste van hen gelegd. Tot een ander oordeel noopt niet dat een beslag van rechtswege pas vervalt als de vordering waarvoor het beslag is gelegd, wordt afgewezen én dat vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen. Het gaat hier niet om verval van het beslag van rechtswege maar om een vordering tot opheffing, waarop in zoverre nu al beslist dient te worden. Evenmin noopt tot een ander oordeel dat Penders volgens VbV niet meer woont op het adres waar hij eerst woonde en dat onbekend is waar hij nu woont. Indien deze stelling, waarop Penders niet meer heeft kunnen reageren, juist is, dan betekent dat niet dat VbV alsnog een vordering op Penders verkrijgt. Omrent een afweging van belangen is niet of nauwelijks iets gesteld zodat daarin geen grond voor een ander oordeel wordt gevonden.

4.52.

De opheffing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zodat de opheffing reeds door het enkele wijzen van dit vonnis effect sorteert. VbV wordt er nadrukkelijk op gewezen dat indien er nog administratieve handelingen nodig zijn, bijvoorbeeld omdat deze opheffing bekend moet worden gemaakt aan derden-beslagenen, dat niet betekent dat het beslag nog niet is opgeheven.

Vordering F (volledige) proceskostenvergoeding

4.53.

De rechtbank verwijst naar haar bij vordering C gegeven oordeel.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verwijst de zaak naar de schriftelijke rolzitting van 29 november 2017 voor het nemen van een nadere conclusie door VbV met de navolgende inhoud:

- nadere onderbouwing dat en waarom VbV voldoet aan de voorwaarden die artikel 3:305a lid 2 BW stelt (met betrekking tot deelvordering III sub I),

- opgave van de in dit vonnis genoemde onderdelen waarvan het VIN ontbreekt,

- bij welke van de twee werkmaatschappijen is het desbetreffende onderdeel zonder VIN aangetroffen?

- waaruit blijkt ten aanzien van dit onderdeel van een schade-uitkering door de verzekeraar aan de verzekerde en hoe hoog was die?

- waaruit blijkt, ten aanzien van ieder afzonderlijk onderdeel (respectievelijk: ten aanzien van de desbetreffende auto waaruit dit onderdeel afkomstig is), dat de volmacht tot procederen is verstrekt door een persoon die namens de verzekeraar bevoegd was die volmacht af te geven?

- overlegging van verificatoire bescheiden waaruit het voorgaande blijkt, voor zover niet reeds gedaan, respectievelijk verwijzing naar de reeds overgelegde productie waaruit het voorgaande blijkt, met steeds, voor ieder onderdeel afzonderlijk, een verwijzing naar de productie voor ieder afzonderlijk onderdeel,

5.2.

beveelt VbV op de voet van art. 22 Rv. deze informatie te verschaffen,

5.3.

stelt VbV in de gelegenheid in deze nadere conclusie ook haar standpunt kenbaar te maken over de vraag of art. 437 Sr. geldt voor handelaren in auto-onderdelen, over de verplichting om te registreren in DOR (en niet op andere wijze) en over de wijze van schadeberekening van de bedoelde onderdelen zonder VIN, onder opgave van het totale schadebedrag dat ieder van (De) Montage en Auto’s & Parts in de visie van VbV verschuldigd is aan VbV, rekening houdend met het oordeel van de rechtbank in dit vonnis,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.5.

heft, uitvoerbaar bij voorraad, op de namens VbV op grond van het verzoekschrift van 19 januari 2016 gelegde conservatoire beslagen, voor zover gelegd ten laste van Penders, Beheer en Vastgoed,

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. A. Boer en mr. S.M. den Hollander en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2017.1

1 2517/106/1629/2872