Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8899

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
C/10/535104 / FT EA 17/1904
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afgewezen omdat niet is gebleken dat verzoekster te goeder trouw is geweest in de afgelopen 5 jaar bij het onbetaald laten van de schulden. Immers nalatenschap verworpen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 3 november 2017 (bij vervroeging)

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats]

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 13 september 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is, vergezeld door de heer [naam 2] en bijgestaan door mr. M.W. Huijzer, advocaat, gehoord ter terechtzitting van

8 november 2017.

2 De feiten

Verzoekster ontvangt op dit moment een ziektewetuitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 171.153,02

3 De beoordeling

Op grond van artikel 284 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) kan een natuurlijk persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Kortgezegd moet dus sprake zijn van een problematische schuldensituatie.

De vader van verzoekster is enige tijd geleden overleden. Verzoekster heeft de nalatenschap verworpen. Eén van de schuldeisers heeft op grond van artikel 4:205 BW bij deze rechtbank een verzoek tot vereffening gedaan. Dit verzoek zal, zo is ter zitting gebleken, worden toegewezen. Alleen staat nu nog niet vast wie de vereffenaar zal worden. Concreet betekent dit dat de vereffenaar zal gaan vaststellen wat de nalatenschap is, wie recht op welk deel van de nalatenschap en, zo mogelijk, zullen privéschuldeisers van erfgenamen worden voldaan uit de nalatenschap, ook al hebben die erfgenamen die nalatenschap verworpen (artikel 4:219 BW). De schuldeisers van verzoekster kunnen zich dus verhalen op de (verworpen) erfenis van haar overleden vader. Op dit moment kan daarom niet bepaald worden wat de (uiteindelijke) schuldenlast is van verzoekster, laat staan of dit een problematische schuldenlast is. Immers daarvoor moet de omvang van haar erfdeel vast staan. Pas als haar schulden zijn verrekend met de erfenis kan vastgesteld worden of (nog) sprake is van een problematische schuldensituatie. Het verzoek moet daarom nu worden afgewezen.

De rechtbank voegt daar nog aan toe, dat ook indien wel sprake was geweest van een toestand dan wel dat voorzienbaar zou zijn dat die toestand zich binnenkort voordoet, verzoekster niet zou zijn toegelaten. Daartoe wordt – ten overvloede – het volgende overwogen.

Het is onvoldoende aannemelijk dat verzoekster ten aanzien van het onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Verzoekster heeft de erfenis van haar vader verworpen. Zij stelt dat zij geen contact meer had met haar vader, maar anderzijds is zij door hem kennelijk niet onterfd. Het verwerpen van deze nalatenschap, waarvan verzoekster stelt dat die voor haar rond de € 40.000,- à € 50.000,- bedraagt, is nadelig voor haar schuldeisers. Die kunnen nu immers niet (gedeeltelijk) voldaan worden uit deze nalatenschap. Aan verzoekster kan worden toegegeven dat zij, zoals elke ouder, een onderhoudsverplichting heeft jegens haar dochter die door de verwerping van de nalatenschap door verzoekster op grond van plaatsvervulling in haar rechten is getreden, maar die verplichting gaat niet zover dat haar schuldeisers daarvan de dupe mogen worden. Zij had haar erfdeel moeten gebruiken om haar schuldeisers zoveel mogelijk te voldoen. Dat heeft verzoekster nagelaten, waardoor één van haar schuldeisers gedwongen werd een verzoek tot vereffening in te dienen. Daarmee heeft verzoekster die schuldeiser wel weer advocaatkosten laten maken.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. de Winkel, rechter, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.