Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8868

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
10/692010-16 en 10/701159-17 (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 245 Sr. Seksuele handelingen van minderjarigen in strijd met de sociaal ethische norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummers: 10/692010-16 en 10/701159-17 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 5 oktober 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] 2001 te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. J.E.F.K. Liauw, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 21 september 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder parketnummer 10/692010-16 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/692010-16 onder feit 3, feit 4, feit 5, feit 6 en feit 7 en van het onder parketnummer: 10/701159-17 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie, met aftrek van voorarrest,

waarvan 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als algemene en bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, dat hij zal meewerken aan de begeleiding van een jongerencoach, dat hij zal meewerken aan het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek en dat hij onderwijs zal volgen;

- met opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder parketnummer 10/692010-16 onder feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Er is geen verweer gevoerd tegen het onder parketnummer 10/692010-16 onder feit 4, feit 5, feit 6 en feit 7 ten laste gelegde. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering

4.3.1.

Standpunt verdediging/officier van justitie

De officier van justitie rekwireert ten aanzien van het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 1 ten laste gelegde tot vrijspraak.

De officier van justitie merkt daarbij op dat de verdachte weliswaar seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster, maar dat dit gezien de omstandigheden van het geval niet kan worden aangemerkt als het plegen van ontuchtige handelingen, in de zin van artikel 245 jo. 248 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie rekwireert ten aanzien van het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer: 10/701159-17 ten laste gelegde tot een bewezenverklaring.

De verdediging bepleit vrijspraak ten aanzien van het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde en ten aanzien van het onder parketnummer 10/701159-17 ten laste gelegde in verband met het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 1 ten laste gelegde merkt de verdediging op dat de verdachte weliswaar seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster, maar dat dit gezien de omstandigheden van het geval niet kan worden aangemerkt als het plegen van ontuchtige handelingen, in de zin van artikel 245 jo. 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 3 ten laste gelegde merkt de verdediging op dat de verdachte voor het eerst op een brommer reed en hij niet kon zien dat er een sleutel nodig was. Daarnaast ontkent de verdachte iets te hebben bemerkt tijdens het rijden, zodat hij niet kon weten of redelijkerwijze had moeten vermoeden dat de brommer van diefstal afkomstig was.

Ten aanzien van het onder parketnummer: 10/701159-17 ten laste gelegde merkt de verdediging op dat de verdachte de scooter van een vriend had gekregen en dit keer wel over een sleutel beschikte. De verdachte kon niet weten of had niet redelijkerwijze moeten vermoeden dat de scooter van diefstal afkomstig was.

4.3.2.

Beoordeling

Ten aanzien van het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 1 ten laste gelegde

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht beschermt deze jeugdige personen ook tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan.

Ontuchtige handelingen in de zin van dit artikel betreffen handelingen van seksuele aard die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, en die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Onder omstandigheden kan derhalve aan dergelijke seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Een scherpe afgrenzing van dergelijke omstandigheden valt in haar algemeenheid niet te geven. De wetgever heeft bij de totstandkoming van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht in dit opzicht als maatstaf voor ogen gestaan of de desbetreffende seksuele handelingen sociaal-ethisch algemeen aanvaard zijn. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bij de beantwoording van de vraag, of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval.

De rechtbank stelt vast dat het volgende zich feitelijk heeft afgespeeld.

Op 4 september 2015 hebben verdachte en zijn twee vrienden en aangeefster en haar vriendin, allemaal klasgenoten van elkaar, zich nadat de lessen waren afgelopen, naar een speeltuintje en vervolgens naar de kelderbox van het ouderlijk huis van één van die vrienden begeven. Later is er nog een vriend (niet zijnde een klasgenoot, en onbekend voor de beide meisjes) bij gekomen. De jongens hebben allemaal in elkaars aanwezigheid achtereenvolgens seks met (een van de, of beide) meisjes gehad, in wisselende samenstellingen. De seksuele handelingen bestonden daaruit, dat verdachte en zijn vrienden kort na elkaar verschillende vormen van seks hadden met aangeefster (vaginaal, anaal, oraal) en/of met de vriendin van aangeefster. Of de seks voor aangeefster vrijwillig was, is onduidelijk gebleven. Aangeefster zegt van niet, haar vriendin en verdachte en de medeverdachten zeggen van wel. Eén van de jongens heeft van de door hem verrichte seksuele handelingen met aangeefster, zonder haar medeweten en instemming, filmpjes gemaakt, en die later verspreid.

Verdachte, zijn vrienden, aangeefster en haar vriendin waren allen zeer jong en verschilden in geringe mate in leeftijd.

Verdachte was op dat moment 13 jaar oud. Zijn twee vrienden waren op dat moment 12 en 14 jaar oud. De vriend die er later bij kwam, was op dat moment ook 13 jaar oud. Aangeefster en haar vriendin waren op dat moment 14 jaar oud. Zij zijn allemaal zwakbegaafd, zaten bij elkaar in dezelfde klas van het praktijkonderwijs, en zijn door deze gebeurtenis allemaal van school gestuurd.

De rechtbank acht onder de hiervoor vermelde omstandigheden de sociaal-ethische norm geschonden nu sprake is van drie zeer jonge, seksueel niet ervaren jongens die met twee weliswaar iets oudere, maar toch nog zeer jonge meisjes naar de kelderbox van één van die jongens gaan om vervolgens in elkaars bijzijn verregaande seksuele handelingen als hierboven beschreven met de meisjes te verrichten, en waarbij geen sprake is van eerdere seksuele dan wel affectieve relaties met die meisjes.

De rechtbank merkt in dit verband op dat de schending van de norm te meer blijkt uit het gegeven dat ook de nieuw erbij gekomen, voor de meisjes onbekende jongen, mee ging doen, en kon gaan doen, met het hebben van seks met de meisjes.

Voorts blijkt die schending uit het gegeven dat de school besloot alle betrokkenen naar aanleiding van de gebeurtenis van school te sturen.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen die sociaal-ethisch niet algemeen aanvaard zijn en derhalve een ontuchtig karakter hebben. Ook indien aangeefster instemde met de seksuele handelingen, of zelfs indien zij daartoe het initiatief nam, valt aangeefster volledig onder de reikwijdte van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht. Dat de verdachte en zij in geringe mate in leeftijd verschilden, en verdachte zelfs jonger was dan aangeefster, doet daaraan niet af, en ook niet dat verdachte zelf eveneens valt aan te merken als een persoon die, gelet op zijn jeugdige leeftijd, in het algemeen geacht kan worden zelf niet of onvoldoende in staat te zijn de eigen seksuele integriteit te beschermen. Bij de bepaling van straf en strafmaat zijn al die omstandigheden wel van belang.

Ten aanzien van het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 3 ten laste gelegde

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat het stuurslot van de brommer niet voorzien was van een sleutel en dat het stuurslot kennelijk met geweld geforceerd was. De pen schuurde daardoor over de balhoofdplaat. Dit moet tijdens het rijden van brommer te bemerken zijn geweest.

De verdachte verklaart dat hij niets heeft bemerkt tijdens het rijden. Deze verklaring acht de rechtbank, in het licht van het voorgaande, niet aannemelijk. Ook de omstandigheid dat de brommer geen sleutel had, had voor de verdachte een aanwijzing moeten zijn.

De stelling dat de verdachte voor het eerst op een brommer reed en mogelijk naïef was, is ongeloofwaardig, zeker nu de verdachte toen de politie hem maande te stoppen, besloot door te rijden en uiteindelijk er vandoor te gaan.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Ten aanzien van het onder parketnummer: 10/701159-17 ten laste gelegde

De verdachte verklaart dat hij de scooter van een vriend heeft geleend en ditmaal wel over een sleutel beschikte. De verdachte weigert inlichtingen te verschaffen omtrent de identiteit van deze vriend, zodat de verklaring van de verdachte niet geverifieerd kan worden.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte niet aannemelijk, temeer nu de scooter met een stift was beklad met namen welke te relateren zijn aan de verdachte of zijn vriendenkring. Indien de verdachte de scooter enkel zou hebben geleend, zou het niet in de lijn der verwachting liggen dat dergelijke teksten zouden worden geschreven op de scooter. Immers zou de scooter terug moeten keren naar deze vriend.

Daarbij is de rechtbank in het licht van onderhavig dossier en het aantal soortgelijke bewezen en eerder gepleegde feiten van oordeel dat de verdachte inmiddels door ervaring redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de scooter (inclusief het daarop bevestigde kentekenplaatje) van een misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank verwerpt het verweer.

4.3.3.

Conclusie

Bewezen is het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/701159-17 ten laste gelegde.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 1, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, feit 7 ten laste gelegde en het onder parketnummer 10:701159-17 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer: 10/692010-16

1.

hij op 04 september 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2001), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

- het brengen en/of duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de penis van een of meer medeverdachten in de vagina van die [naam slachtoffer 1] , en/of

- het brengen en/of duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de penis van een of meer medeverdachten in de anus van die [naam slachtoffer 1] , en/of

- het brengen en/of duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de penis van een of meer medeverdachten in de mond van die [naam slachtoffer 1] en (vervolgens) zich door die [naam slachtoffer 1] laten pijpen;

3.

hij op 02 maart 2017 te Rotterdam een goed, te weten een bromfiets (merk Tomos), heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, verkregen goed betrof;

4.

hij op 02 maart 2017 te Rotterdam opzettelijk twee ambtenaren, [naam agent 1] en [naam agent 2] beiden hoofdagent van de politie eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun meerdere malen de woorden toe te voegen: "jullie zijn kankerhoeren" en "kanker zionisten";

5.

hij op 02 maart 2017 te Rotterdam, een ambtenaar, [naam agent 3] , hoofdagent van de politie eenheid Rotterdam gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door een bromfiets tegen de knie van die [naam agent 3] te duwen;

6.

hij op 30 mei 2017 te Barendrecht tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een blauwe meisjesfiets, toebehorende aan [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] ;

7.

hij in de periode 27 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 te Rotterdam en te Capelle aan den IJssel een goed, te weten een zwarte scooter, Piaggio Zip, heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goed betrof;

Parketnummer: 10/6701159-17

hij op 28 augustus 2017 te Rotterdam goederen, te weten een scooter en een kentekenplaat ( [kentekennummer] ), heeft verworven en voorhanden gehad , terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goederen betroffen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummer: 10/692010-16

1. Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3 Schuldheling;

4. Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

5. Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

6 Diefstal door twee of meer verenigde personen;

7 Schuldheling;

Parketnummer: 10/701159-17

Schuldheling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Verdachte was ten tijde van het eerste gepleegde feit 13 jaar en tijdens de overige gepleegde feiten 15 jaar oud.

De verdachte heeft met anderen ontuchtige handelingen gepleegd met een meisje van veertien jaar. De aangeefster heeft in een kelderbox met meerdere jongens vaginale, anale en orale seks gehad. De verdachte was één van deze jongens.

De verdachte heeft hierbij zijn eigen lustgevoelens voorop gesteld zonder oog te hebben voor de wijze waarop aangeefster een en ander op dat moment, maar ook achteraf, zou kunnen ervaren. De vergaande ontuchtige handelingen betekenden een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het meisje, hetgeen in zijn algemeenheid door een slachtoffer als zeer ingrijpend wordt ervaren en nadelige psychische gevolgen van mogelijk lange duur met zich kan brengen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De verdachte heeft zich voorts op verschillende momenten schuldig gemaakt aan schuldheling van scooters/brommers en diefstal van een fiets. De verdachte heeft door de helingen geprofiteerd van misdrijven die door (een) ander(en) zijn gepleegd. Dergelijke feiten bevorderen het plegen van diefstallen en berokkenen aldus schade aan de slachtoffers.

Ook heeft de verdachte, toen de politie hem wilde aanhouden toen hij op een gestolen scooter reed, een politieagent mishandeld door met de scooter tegen de knie van de politieagent aan te rijden. Onderweg naar het politiebureau heeft de verdachte vervolgens meerdere politieagenten beledigd. Dit is een schending van de persoonlijke eer en goede naam van de politieagenten, terwijl zij bezig zijn met het uitvoeren van hun werk in het belang van de maatschappij.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 september 2017, gericht op het ten laste gelegde onder parketnummer: 10/701159-17. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

De Raad adviseert aan de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, met algemene en bijzondere voorwaarden, onder meer inhoudende dat de verdachte meewerkt aan de uitvoering van een persoonlijkheidsonderzoek, dat de verdachte naar school gaat en zich daar positief opstelt, dat de verdachte zich houdt aan een avondklok, waarbij de tijd wordt bepaald door de jeugdreclassering, dat de verdachte inzicht geeft in zijn vriendengroep en dat de verdachte meewerkt aan een positieve vrijetijdsbesteding, waarbij tevens gedacht moet worden aan een bijbaantje. Daarnaast dient aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering opdracht te worden gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

De Raad ziet veel zorgen op diverse domeinen. De verdachte laat op school zelfbepalend gedrag zien, hij is niet gemotiveerd en hij kan snel boos worden en in deze boosheid blijven hangen. Ook zijn er zorgen over het zelfbeeld en zelfvertrouwen van de verdachte. De Raad vermoedt dat de verdachte mogelijk veel heeft meegemaakt, waarvan onduidelijk is wat precies en welke invloed dit nu op hem en zijn gedrag heeft. Een persoonlijkheidsonderzoek is daarom aangewezen om meer zicht te krijgen op de persoon van de verdachte.

De Raad heeft ook een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 juli 2017, gericht op het onder parketnummer: 10/692010-16 onder de feiten 1,2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde. De rechtbank heeft ook acht geslagen op dit rapport.

De Raad adviseert in dit rapport bij een bewezenverklaring aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Het delictgedrag van de verdachte ten aanzien van de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten lijkt met name verklaard te kunnen worden door factoren als onnadenkendheid, impulsiviteit en zich niet bewust zijn van de gevolgen van zijn handelen. De Raad meent dat een werkstraf passend is voor de verdachte, temeer daar hij dan daadwerkelijk zal ervaren wat een straf inhoudt en mogelijk op die manier zal leren om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen gedrag, de juiste keuzes zal leren maken en zich respectvol zal gedragen naar autoriteitsfiguren, zoals bijvoorbeeld de politie.

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) licht ter terechtzitting toe dat zij de verdachte sinds enkele weken begeleidt. Het persoonlijkheidsonderzoek is om die reden nog niet aangevraagd. De jeugdreclassering acht het persoonlijkheidsonderzoek wel wenselijk, teneinde meer zicht te krijgen op de persoon van de verdachte. De jeugdreclassering acht een avondklok de komende periode ook aangewezen, evenals de inzet van een jongerencoach.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Redelijke termijn ten aanzien van het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 1 bewezenverklaarde

Bij de berechting van een jeugdstrafzaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 8 september 2015 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak sprake van bijzondere omstandigheden.

Op 22 februari 2016 heeft de officier van justitie deze strafzaak tegen verdachte geseponeerd. De moeder van de aangeefster heeft daartegen beklag ingesteld en een zogenaamd artikel 12 Wetboek van Strafvordering procedure gestart. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft vervolgens bij beschikking van 12 december 2016 het beklag gegrond verklaard en de strafvervolging tegen verdachte en twee medeverdachten gelast ter zake van het plegen van ontuchtige handelingen met iemand die de leeftijd van twaalf maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt en het verspreiden van kinderporno dan wel smaad. Vervolgens is verdachte gedagvaard voor de terechtzitting van 21 september 2017.

Tussen 8 september 2015 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van bijna 25 maanden. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 16 maanden, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van bijna 9 maanden. Echter, gelet op de hierboven genoemde bijzondere omstandigheid is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, enig rechtsgevolg te verbinden. Wel wordt bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden met het tijdsverloop.

Ten aanzien van het onder parketnummer: 10/692010-16 onder feit 1 bewezenverklaarde

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het opportuun is verdachte straf op te leggen voor dit feit. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is, en heeft daarbij gelet op de zeer jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit, zijn zwakbegaafdheid, de overige omstandigheden die hiervoor zijn vermeld, en het gegeven dat het feit inmiddels twee jaar geleden heeft plaatsgevonden. Wel ziet de rechtbank aanleiding verdachte een contactverbod met de aangeefster op te leggen.

Opgemerkt wordt voorts dat in de visie van de rechtbank de bewezenverklaring van het onderhavige feit gezien de omstandigheden van het geval, het verkrijgen van een Verklaring Omtrent Gedrag niet in de weg zou hoeven staan.

Ten aanzien van de overig bewezenverklaarde feiten

Gezien de ernst van de overige bewezenverklaarde feiten zal de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur opleggen, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank is met de officier van justitie, de verdediging en de jeugdreclassering van oordeel dat de verdachte gebaat is bij begeleiding en ondersteuning vanuit de jeugdreclassering. Gelet hierop zal de rechtbank een deel van de voorgenomen taakstraf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaar. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal aan de voorwaardelijk op te leggen straf (algemene en bijzondere) voorwaarden verbinden inhoudende dat de verdachte zijn medewerking zal verlenen aan een persoonlijkheidsonderzoek, aan de begeleiding door een jongerencoach en aan het verkrijgen van zinvolle vrijetijdsbesteding (bijbaan/sport) en dat de verdachte gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen. Daarnaast zal aan de verdachte een avondklok worden opgelegd, en, zoals hiervoor reeds overwogen, een contactverbod met [naam slachtoffer 1] .

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partijen

8.1.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] , gevolmachtigde [naam gevolmachtigde] , wonende te Rotterdam, ter zake van de onder parketnummer 10:692010-16 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.034,60 aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie concludeert dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte volgens de officier van justitie dient te worden vrijgesproken van de onder parketnummer: 10/692010-16 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt verdediging

De verdediging betoogt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen, nu de verdachte volgens de verdediging dient te worden vrijgesproken van de onder parketnummer: 10/692010-16 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Beoordeling

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Conclusie

De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partij.

8.2.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] , wonende te Rotterdam, ter zake van het onder parketnummer: 10/692010-16 onder 3 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 66,-- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie concludeert dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu aan de verdachte niet de diefstal van de brommer, maar de heling daarvan ten laste is gelegd.

Standpunt verdediging

De verdediging betoogt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen, nu de verdachte volgens de verdediging dient te worden vrijgesproken van de onder parketnummer: 10/692010-16 onder 3 ten laste gelegde feit.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder parketnummer: 10/692010-16 onder 3 bewezen verklaarde feit. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Conclusie

De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partij.

8.3.

De benadeelde partij [naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3] , domicilie kiezende te Rotterdam, ter zake van het onder parketnummer: 10/69201-16 onder 5 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 200,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie concludeert dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is.

Standpunt verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij aan het oordeel van de rechtbank, maar verzoekt wel of - gelet op de financiële situatie van de verdachte en zijn moeder - bij eventuele toewijzing van de vordering deze in termijnen kan worden voldaan.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder parketnummer: 10/692010-16 onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 100,--. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 maart 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 100,--.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 245, 248, 267, 304, 311 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer: 10/692010-16 onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer: 10/692010-16 onder 1, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer: 10/701159-17 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte ten aanzien van de onder parketnummer: 10/692010-16 onder 1, 3, 4, 5, 6 en 7 bewezenverklaarde feiten en ten aanzien van het onder parketnummer: 10/701159-17 bewezenverklaarde feit een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf groot 40 (veertig) uur, subsidiair 20 (twintig) dagen vervangende jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het nog onvoorwaardelijk uit te voeren deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 24 (vierentwintig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 12 (twaalf) dagen;

stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2001, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd zal houden aan een avondklok ingaande om 19:00 uur tot 07:00 uur, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zal meewerken aan de begeleiding door een jongerencoach;

- gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen;

- gedurende de proeftijd zal meewerken aan het verkrijgen van zinvolle vrijetijdsbesteding (bijbaan/sport);

- gedurende de proeftijd zal meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3], te betalen een bedrag van € 100,-- (zegge: éénhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 100,-- (zegge: éénhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 100,-- vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 2 (twee) dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. de Geus, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. O.E.M. Leinarts en J. uit Beijerse, rechters,

in tegenwoordigheid van V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 oktober 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlasteleggingen

Parketnummer: 10/692010-16

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 04 september 2015 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]

2001), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit

of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

namelijk

- het brengen en/of duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de

penis van een of meer medeverdachten in de vagina van die [naam slachtoffer 1] (en

vervolgens in die vagina klaar komen), en/of

- het brengen en/of duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de

penis van een of meer medeverdachten in de anus van die [naam slachtoffer 1] (en

vervolgens in die anus klaar komen), en/of

- het brengen en/of duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de

penis van een of meer medeverdachten in de mond van die [naam slachtoffer 1] en

(vervolgens) zich door die [naam slachtoffer 1] laten pijpen;

art 245 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks 04 september 2015 tot en met 08 september 2015 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk de eer en/of de goede naam van [naam slachtoffer 1] heeft aangerand

door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan

ruchtbaarheid te geven, door via social media een of meerdere filmpje[s] te

verspreiden [onder meer onder medeleerlingen van het [naam school] ], waarop

te zien is dat [naam slachtoffer 1] sexuele handelingen verricht bij/met een of meerdere

jongens;

art 261 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

[702028-17]

hij op of omstreeks 02 maart 2017 te Rotterdam

(een) goed(eren), te weten een bromfiets (merk Tomos), heeft verworven en/of

heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 02 maart 2017 te Rotterdam

opzettelijk twee, althans een ambtena(a)r(en), [naam agent 1] en/of [naam agent 2]

(beiden) hoofdagent van de politie eenheid Rotterdam,

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening,

in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hun meerdere

malen, althans eenmaal de woorden toe te voegen: "jullie zijn kankerhoeren"

en/of "kanker zionisten", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 02 maart 2017 te Rotterdam,

een ambtenaar, [naam agent 3] , hoofdagent van de politie eenheid Rotterdam

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

heeft mishandeld door een bromfiets tegen de knie van die [naam agent 3] te duwen;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 30 mei 2017 te Barendrecht

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een blauwe meisjesfiets, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] en/of

[naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededaders;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

7.

[692057-17]

hij in of omstreeks de periode 27 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 te

Rotterdam en/of te Capelle aan den IJssel (een) goed(eren), te weten een

zwarte scooter, Piaggio Zip, heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans

door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 10/6701159-17

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 28 augustus 2017 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten

een scooter en/of een kentekenplaat ( [kentekennummer] ), heeft verworven en/of heeft

voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de

verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans

redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk

door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht