Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8851

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
ROT 17/954
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geplaatst als functievolger in de functie Bedrijfsvoeringspecialist A.

Keuze van verweerder voor Generieke Beleidsondersteuning als taakgebied waarin de werkzaamheden aan eiser zijn opgedragen niet onhoudbaar.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 17/954

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2017 in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. K. Kromhout,

en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigden: mr. R.M. Arts en mr. N.J. Mathura.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser per 1 juli 2016 als functievolger geplaatst in de functie Bedrijfsvoeringspecialist A.

Bij besluit van 29 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Aan de orde is de plaatsing van eiser in het kader van de reorganisatie Politiewet 2012 als bedoeld in artikel 55ia, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en artikel 1, aanhef en onder p van de Regeling landelijk sociaal statuut (LSS) (de reorganisatie).

1.2

Eisers korpsfunctie was Beleidsmedewerker ICT (schaal 9) bij het Kwaliteitsbureau Opsporing (KBO). In het kader van de reorganisatie heeft verweerder bij besluit van 1 december 2015 de oorspronkelijke functie van eiser als bedoeld in artikel 1a van de LSS met ingang van 1 januari 2012 vastgesteld als Bedrijfsvoeringspecialist A, ICT met als plaats van tewerkstelling [plaats 1]. Dit is (ook) de LFNP-functie van eiser.

1.3

Verweerder heeft bij brief van 1 december 2015 het voornemen kenbaar gemaakt eiser aan te wijzen als functievolger en hem te plaatsen in de functie van Bedrijfsvoeringspecialist A (schaal 9), eenheid [eenheid] met plaats van tewerkstelling [plaats 2]. Eiser heeft hiertegen bedenkingen geuit. Deze zijn door verweerder voorgelegd aan de plaatsingsadviescommissie (PAC) als bedoeld in artikel 5 LSS. De PAC heeft geadviseerd de plaatsing te handhaven conform het voorgenomen besluit en verweerder heeft overeenkomstig dit advies besloten.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 29 december 2016, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft omtrent de bezwaren van eiser overwogen dat het vastgestelde taakgebied juist is gelet op het hoofdzakelijk beleidsmatige karakter van de korpsfunctie. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel is volgens verweerder niet terecht. Voorts kent verweerder aan de door eiser overgelegde intentieverklaring van het Sectorhoofd Eenheidsstaf en het Sectorhoofd van de Dienst van de Regionale Recherche van 21 april 2015 geen betekenis toe voor het plaatsingsproces.

2. Ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels bij besluit van 10 juli 2017 met terugwerkende kracht op basis van artikel 65 Barp vanaf 1 juni 2017 is geplaatst in de functie Operationeel Specialist B bij RTSAA00 Team Politieprofessie (RT) met plaats van tewerkstelling Doelwater 5 te Rotterdam. Tegen dit besluit heeft hij bezwaar gemaakt. Eiser betoogt dat het plaatsingsbesluit niet juist is en dat hij reeds met ingang van 1 juli 2016 in deze functie diende te worden geplaatst.

2.1

Op grond van artikel 55lb, eerste lid, Barp wordt de ambtenaar met een vergelijkbare of uitwisselbare functie in het kader van een reorganisatie geplaatst op deze vergelijkbare of uitwisselbare functie al dan niet in een andere plaats van tewerkstelling, met inachtneming van het bepaalde in artikel 55l.

2.2

In het overleg tussen de minister van Justitie, de korpschef, de vakbonden en de Centrale ondernemingsraad over de thans aan de orde zijnde reorganisatie zijn rechtspositionele uitvoeringsafspraken gemaakt. Deze zijn opgesomd in het zogeheten ‘Moederdocument’ (www.reorganisatie-politie.nl). Tot deze afspraken behoren

de Functievergelijking reorganisatie Politiewet 2012 en de Werkwijze Werk naar Team (WNT). Hierin is beschreven de wijze waarop functievergelijking in de reorganisatie plaats zal vinden. Afgesproken is dat er een zogenaamde ‘van werk naar team tabel’ wordt vastgesteld en dat er een commissie is die de korpschef - desgevraagd - adviseert of een functie als vergelijkbaar of uitwisselbaar kan worden aangemerkt. Als wordt vastgesteld dat de functie van een medewerker vergelijkbaar of uitwisselbaar is met een functie die terugkeert in de nieuwe organisatie, dan wordt die medewerker als functievolger op die functie geplaatst. De functievergelijking vindt als volgt plaats:

  • -

    het vertrekpunt bij de functievergelijking is de uitgangspositie van de medewerker. Deze wordt bepaald door de hem per 1 januari 2012 toegekende LFNP-functie (art. 1a LSS). (De rechtbank begrijpt: de zogeheten ‘oorspronkelijke functie’ als bedoeld in dit artikel, meestal zijnde de LFNP-functie; hierna: LFNP-functie). Dit in samenhang met het samenstel van werkzaamheden dat is vastgelegd in de uitgangspositie van de medewerker voor de overgang naar de LFNP-functie. Voor de meeste medewerkers is dit de oude korpsfunctie op 31 december 2011;

  • -

    op basis van het samenstel van opgedragen werkzaamheden vastgelegd in de uitgangspositie voor de overgang naar een LFNP-functie wordt bepaald in welk taakgebied/werkveld de medewerker werkzaamheden zijn opgedragen;

  • -

    aan de hand daarvan wordt bepaald in welk team in de nieuwe formatie dit taakgebied/werkveld terugkeert. Het resultaat daarvan wordt weergegeven in de zogenoemde ‘van werk naar team’-tabellen;

  • -

    vervolgens wordt vastgesteld of de LFNP-functie van de medewerker voorkomt in de formatie van het desbetreffend team. Is dit het geval dan wordt de medewerker op die functie als functievolger geplaatst;

  • -

    bij de beoordeling of de LFNP-functie van de medewerker voorkomt in de formatie van het betreffende team worden werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten buiten beschouwing gelaten.

  • -

    als de LFNP-functie van de medewerker niet voorkomt in de formatie van het betreffende team, wordt gekeken of het samenstel van opgedragen werkzaamheden dat is vastgelegd in de uitgangspositie van de medewerker voor de overgang naar de LFNP-functie vergelijkbaar of uitwisselbaar is met een functie in de formatie van het team. Is dit het geval dan wordt de medewerker op die functie als functievolger geplaatst. Voor deze laatste vergelijking bestaat een commissie (Commissie Functievergelijking) die de korpschef hierover adviseert.

  • -

    Medewerkers met een vergelijkbare of uitwisselbare functie worden alle geplaatst als functievolger, ongeacht de formatieruimte voor die functie.

3. Eiser betoogt dat zijn taakgebied Projectmanagement is en niet Generieke Beleidsondersteuning zoals verweerder meent en dat hij derhalve geplaatst had moeten worden in het team Politieprofessie. Door de keuze van verweerder wordt eiser zijns inziens geplaatst in een functie die niet vergelijkbaar of uitwisselbaar is in de zin van artikel 55lb Barp. Dit betoog faalt.

3.1

Verweerder heeft voor het bepalen van het taakgebied gekeken naar het samenstel van opgedragen werkzaamheden op 31 december 2011 zoals dat is vastgelegd in de uitgangspositie voor de overgang naar een LFNP-functie en overige documenten, waaronder informatie over het oude korpsonderdeel, het inrichtingsplan en eventueel toegekende taakaccenten.

3.2

Daarbij is in aanmerking genomen de beschrijving van de oude korpsfunctie van eiser en de bijbehorende takenmatrix. Daaruit komt onder meer naar voren dat het doel van de functie onder meer omvatte het begeleiden van beleidsonderzoek, het verrichten van deelonderzoeken en adviseren over de ontwikkeling van opsporingsthema’s om de kwaliteit van het proces van opsporing te verbeteren. In de takenmatrix van de functie worden onder meer als taken genoemd:

  • -

    begeleidt interne beleidsonderzoeken en bewaakt de kwaliteit en voortgang;

  • -

    adviseert gevraagd en ongevraagd met betrekking tot beleidsontwikkeling voor opsporingsthema’s;

  • -

    verricht deelonderzoeken, verzamelt informatie, verricht analyses en stelt daarover notities op;

  • -

    neemt deel aan projectgroepen, intern en extern, ten behoeve van de (politieke) beleidsontwikkeling met betrekking tot het proces opsporing;

  • -

    levert een bijdrage aan de evaluatie van het beleid, aan het verrichten van analyses en aan het opstellen van notities door het verzamelen van informatie.

Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de werkzaamheden van eiser een hoofdzakelijk beleidsmatig en ondersteunend karakter hadden. Hiervan uitgaande acht de rechtbank de keuze van verweerder voor Generieke Beleidsondersteuning als taakgebied waarin de werkzaamheden aan eiser zijn opgedragen niet onhoudbaar.

4. Eiser beroept zich voorts op het gelijkheidsbeginsel. Hij meent dat hij net als twee collega’s uit het KBO, de Beleidsmedewerker B en de Juridisch beleidsmedewerker, binnen het team [naam 2] geplaatst diende te worden. Dit betoog faalt.

4.1

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van gelijke gevallen geen sprake is. De betrokken functionarissen hadden behalve een andere korpsfunctie ook een andere uitgangspositie. Verweerder heeft aan de hand van de takenmatrix uitgelegd dat, hoewel minimaal, er verschillen bestaan tussen de genoemde functies en de functie van eiser. Deze hebben er toe geleid dat de beide functies in het kader van de overgang naar het LFNP anders zijn gematcht en dat er sprake is van een andere oorspronkelijke functie. De functievergelijking en het plaatsingsproces ten aanzien van de bedoelde functies zijn door de afwijkende oorspronkelijke functie anders verlopen en hebben tot een andere uitkomst dan het plaatsingsproces van eiser geleid.

5. Eiser betoogt verder dat uit de intentieverklaring van de sectorhoofden van 21 april 2015 volgt dat de functievergelijking niet volgens de regels heeft plaatsgevonden en dat hij per 1 juli 2016 in het team Politieprofessie geplaatst diende te worden. Dit betoog slaagt niet.

5.1

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de intentieverklaring slechts betrekking heeft op de feitelijke werkzaamheden van eiser en op de situatie in fase 2, zijnde de periode van vijf jaar van organisatieontwikkeling na de formele reorganisatie, en dat deze verklaring niet afdoet aan de juistheid van het doorlopen plaatsingsproces. Voor de functievergelijking in het kader van de reorganisatie zijn de feitelijke werkzaamheden niet van belang. De functie van eiser is formeel niet gewijzigd en heeft daarom geen invloed op de plaatsing van eiser.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiser op goede gronden per 1 juli 2016 als functievolger geplaatst in de functie Bedrijfsvoeringspecialist A. Dat eiser inmiddels in de door hem gewenste functie van Operationeel Specialist B in het Team [naam 2] is geplaatst doet hieraan niet af, nu dit op initiatief van zijn leidinggevende in fase 2 is gebeurd.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. M. Munsterman en mr. Y.E. Schuurmans, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017, en is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. M. Munsterman.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.