Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8846

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
ROT 17/1952
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:1843, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsing als functievolger in de functie Generalist Beveiliging. NTT: voldoet niet aan onafgebroken periode van drie jaar en voldoet niet aan de niveaubepalende elementen van de functie van Senior GGP, Beredenen.

Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat horizontale plaatsing in de functie van de derde voorkeur van eiseres niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 55v Barp. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 17/1952

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: C. Lamuadni,

en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigden: mr. W.B.M van Boggelen en mr. N.J. Mathura.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres per 1 juli 2016 als functievolger geplaatst in de functie Generalist Beveiliging met behoud van haar persoonlijke schaal 8.

Bij besluit van 29 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard, de plaatsing in voormelde functie herroepen en eiseres met ingang van 1 juli 2016 geplaatst in de functie Generalist GGP, Beredenen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Aan de orde is de plaatsing van eiseres in het kader van de reorganisatie Politiewet 2012 als bedoeld in artikel 55ia, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en artikel 1, aanhef en onder p van de Regeling landelijk sociaal statuut (LSS) (de reorganisatie).

1.2

De korpsfunctie van eiseres was Groepschef RAPT (schaal 7). In het kader van de reorganisatie heeft verweerder bij besluit van 1 december 2015 de oorspronkelijke functie van eiseres als bedoeld in artikel 1a van de LSS met ingang van 1 januari 2012 vastgesteld als Generalist Beveiliging. Dit is (ook) de LFNP-functie van eiseres.

1.3

Verweerder heeft bij brief van 1 december 2015 het voornemen kenbaar gemaakt eiseres aan te wijzen als functievolger en haar te plaatsen in de functie van Generalist Beveiliging. Eiseres heeft hiertegen haar bedenkingen geuit. Deze zijn door verweerder voorgelegd aan de plaatsingsadviescommissie (PAC) als bedoeld in artikel 5 LSS. De PAC heeft geadviseerd de plaatsing te herzien en eiseres te plaatsen in de functie van Senior GGP Beredenen, [eenheid] , omdat handhaving van de plaatsing een onbillijkheid van overwegende aard oplevert.

Verweerder is van dit advies afgeweken en heeft zijn voorgenomen besluit gehandhaafd in het primaire besluit.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 9 januari 2017, het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, de plaatsing herroepen en eiseres met ingang van 1 juli 2016 geplaatst in de functie Generalist GGP Beredenen, (schaal 7), [eenheid II] , Beredenen, met plaats van tewerkstelling [plaats] .

Verweerder heeft omtrent de bezwaren van eiseres overwogen dat geen toepassing kan worden gegeven aan de Notitie tijdelijke tewerkstellingen in fase 2 (NTT) in combinatie met de hardheidsclausule, omdat eiseres de werkzaamheden van de functie van Senior GGP niet in de volle omvang langer dan drie jaar heeft uitgevoerd en lopende ziektegevallen bij functievolgers niet tot hardheid kunnen leiden. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd levert volgens verweerder geen onbillijkheid van overwegende aard op. Eiseres voldoet wel aan de criteria om te worden geplaatst in de functie van haar derde voorkeur, namelijk als Generalist GGP Beredenen.

2.1

Op grond van artikel 55lb, eerste lid, Barp wordt de ambtenaar met een vergelijkbare of uitwisselbare functie in het kader van een reorganisatie geplaatst op deze vergelijkbare of uitwisselbare functie al dan niet in een andere plaats van tewerkstelling, met inachtneming van het bepaalde in artikel 55l.

2.2

In het overleg tussen de minister van Justitie, de korpschef, de vakbonden en de Centrale ondernemingsraad over de thans aan de orde zijnde reorganisatie zijn rechtspositionele uitvoeringsafspraken gemaakt. Deze zijn opgesomd in het zogeheten ‘Moederdocument’ (www.reorganisatie-politie.nl). Tot deze afspraken behoren

de Functievergelijking reorganisatie Politiewet 2012 en de Werkwijze Werk naar Team (WNT). Hierin is beschreven de wijze waarop functievergelijking in de reorganisatie plaats zal vinden. Afgesproken is dat er een zogenaamde ‘van werk naar team tabel’ wordt vastgesteld en dat er een commissie is die de korpschef - desgevraagd - adviseert of een functie als vergelijkbaar of uitwisselbaar kan worden aangemerkt. Als wordt vastgesteld dat de functie van een medewerker vergelijkbaar of uitwisselbaar is met een functie die terugkeert in de nieuwe organisatie, dan wordt die medewerker als functievolger op die functie geplaatst. De functievergelijking vindt als volgt plaats:

  • -

    het vertrekpunt bij de functievergelijking is de uitgangspositie van de medewerker. Deze wordt bepaald door de hem per 1 januari 2012 toegekende LFNP-functie (art. 1a LSS). (De rechtbank begrijpt: de zogeheten ‘oorspronkelijke functie’ als bedoeld in dit artikel, meestal zijnde de LFNP-functie; hierna: LFNP-functie). Dit in samenhang met het samenstel van werkzaamheden dat is vastgelegd in de uitgangspositie van de medewerker voor de overgang naar de LFNP-functie. Voor de meeste medewerkers is dit de oude korpsfunctie op 31 december 2011;

  • -

    op basis van het samenstel van opgedragen werkzaamheden vastgelegd in de uitgangspositie voor de overgang naar een LFNP-functie wordt bepaald in welk taakgebied/werkveld de medewerker werkzaamheden zijn opgedragen;

  • -

    aan de hand daarvan wordt bepaald in welk team in de nieuwe formatie dit taakgebied/werkveld terugkeert. Het resultaat daarvan wordt weergegeven in de zogenoemde ‘van werk naar team’-tabellen;

  • -

    vervolgens wordt vastgesteld of de LFNP-functie van de medewerker voorkomt in de formatie van het desbetreffend team. Is dit het geval dan wordt de medewerker op die functie als functievolger geplaatst;

  • -

    bij de beoordeling of de LFNP-functie van de medewerker voorkomt in de formatie van het betreffende team worden werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten buiten beschouwing gelaten.

  • -

    als de LFNP-functie van de medewerker niet voorkomt in de formatie van het betreffende team, wordt gekeken of het samenstel van opgedragen werkzaamheden dat is vastgelegd in de uitgangspositie van de medewerker voor de overgang naar de LFNP-functie vergelijkbaar of uitwisselbaar is met een functie in de formatie van het team. Is dit het geval dan wordt de medewerker op die functie als functievolger geplaatst. Voor deze laatste vergelijking bestaat een commissie (Commissie Functievergelijking) die de korpschef hierover adviseert.

  • -

    Medewerkers met een vergelijkbare of uitwisselbare functie worden alle geplaatst als functievolger, ongeacht de formatieruimte voor die functie.

Indien een functievolger bij de in 2015/2016 gehouden belangstellingsregistratie een voorkeur voor een andere functie heeft opgegeven, is plaatsing daarop mogelijk indien aan vier cumulatieve voorwaarden is voldaan. De functie moet passend zijn in de zin van artikel 55lb, derde lid, van het Barp en het moet gaan om een functie met dezelfde schaal (horizontale plaatsing). Voorts mag er door het vertrek van de functievolger geen onderbezetting ontstaan op de functie in het team waar deze als gevolg van de functievergelijking is terecht is gekomen. Tenslotte dient er op de gewenste functie nog formatieruimte te zijn.

3. Eiseres maakt aanspraak op plaatsing in de functie van Senior GGP, Beredenen, met schaal 8 en doet hiertoe allereerst een beroep op de hardheidsclausule van artikel 55v Barp en de in dat verband door verweerder opgestelde NTT van 20 september 2016 alsmede de Aanvulling werkinstructie inzake Tijdelijke tewerkstellingen in de periode van1 juli 2016 tot 7 december 2016 (de Aanvulling).

Eiseres stelt minimaal drie jaar ononderbroken, op zijn minst in overwegende mate, de werkzaamheden te hebben uitgevoerd die behoren bij de functie van Senior GGP. Zij verwijst in dit verband onder meer naar de beoordelingen van februari 2014 en december 2014. Eiseres betoogt dat verweerder een onjuist criterium hanteert in het bestreden besluit door te overwegen dat eiseres de gewenste functie niet minimaal drie jaar ononderbroken ‘in volle omvang’ heeft vervuld.

3.1

Op grond van artikel 55v van het Barp kan het bevoegd gezag, indien de toepassing van hoofdstuk VII.b (Voorzieningen bij reorganisaties) of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien er sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, afwijken van dit hoofdstuk of van de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk.

3.2

De NTT en de Aanvulling worden door verweerder geplaatst in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule. De NTT en de Aanvulling voorzien - kortweg - onder voorwaarden in een recht op plaatsing in een functie voor die politieambtenaren die gedurende een onafgebroken periode van drie jaar in fase 1 van de reorganisatie (dus tot 1 juli 2016) die functie op tijdelijke basis hebben waargenomen. Daarbij is noodzakelijk dat - voor zover hier van belang - wordt vastgesteld dat door het uitoefenen van de tijdelijke werkzaamheden in overwegende mate is voldaan aan de niveaubepalende elementen van de gewenste functie.

3.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres voorafgaand aan 1 juli 2016 niet gedurende drie aaneengesloten jaren in overwegende mate de niveaubepalende elementen van de functie Senior GGP, Beredenen, zijn opgedragen en derhalve niet in aanmerking komt voor toepassing van de NTT en de Aanvulling. Hij spreekt in dat verband over het ‘niet in volle omvang’ vervuld hebben van de functie.

3.4

De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de beoordelingen van februari 2014 en december 2014 niet blijkt dat aan eiseres, in de periode dat zij naast haar formele functie werd ingezet als ruiter, de niveaubepalende elementen van de functie Senior GGP, Beredenen, in overwegende mate zijn opgedragen. Het gaat daarbij onder meer om het opstellen van plannen van aanpak, zaakscoördinatie, het fungeren als mentor of het bouwen en onderhouden van (nieuwe) (werkterrein gerelateerde) netwerken. Nu de periode van drie jaar uiterlijk 1 juli 2013 is ingegaan en de werkzaamheden van eiseres tot december 2014 al niet voldoen aan dit criterium slaagt het beroep op de NTT en Aanvulling reeds daarom niet.

4. Subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij geplaatst had moeten worden in de functie van Senior GGP, Beredenen, naar aanleiding van de door haar geuite voorkeur voor de functie, de omstandigheid dat de functie direct passend is en er formatieruimte is voor de functie. Verticale plaatsing in een hogere schaal moet naar de mening van eiseres mogelijk zijn. In 249 andere gevallen zijn functievolgers ook verticaal geplaatst. Zij acht het besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel het beginsel van willekeur. Formeel is het een verticale plaatsing, maar omdat eiseres al jaren een persoonlijke schaal 8 ontvangt is dit het materieel niet.

4.1

Eén van de vier door verweerder gehanteerde (cumulatieve) voorwaarden is dat het moet gaan om een functie met dezelfde schaal (horizontale plaatsing). Enkel wanneer de horizontale plaatsing tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, kan plaatsing in een hogere schaal aan de orde zijn. De rechtbank acht geen grond aanwezig voor het oordeel dat deze voorwaarde als onredelijk zou moeten worden bestempeld. Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat horizontale plaatsing in de functie van de derde voorkeur van eiseres niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 55v Barp.

4.2

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur slaagt evenmin.

Eiseres heeft haar beroep hierop niet genoegzaam onderbouwd. De enkele verwijzing naar een overzicht van 249 personen die initieel geplaatst zijn als functievolger en waarvan de verticaal positieve voorkeuren nadien alsnog zijn gehonoreerd, is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van rechtens gelijke gevallen. Daarnaast is van belang dat verweerder heeft verklaard niet bekend te zijn met een situatie waarbij een medewerker met dezelfde uitgangspositie en oorspronkelijke functie als eiseres is geplaatst als Senior GGP, Beredenen.

4.3

De stelling dat de plaatsing materieel niet zou moeten worden geduid als een verticale plaatsing vanwege de persoonlijke schaal van eiseres wordt niet gevolgd. Vertrekpunt is de oorspronkelijke functie met de aan die functie verbonden functieschaal en niet de persoonlijke schaal. En anders dan eiseres stelt heeft de plaatsing in een schaal 8 functie wel rechtspositionele gevolgen die zich niet voordoen bij een persoonlijke schaal. Bijvoorbeeld bij het toekennen van OVW-periodieken; bij plaatsing in een schaal 8 functie worden – indien van toepassing – periodieken in schaal 9 toegekend.

5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiseres op goede gronden per 1 juli 2016 als functievolger geplaatst in de functie Generalist GGP.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. M. Munsterman en

mr. Y.E. Schuurmans, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017, en is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. M. Munsterman.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.