Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:883

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
C/10/517966 / KG ZA 17-4
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Artikel 7:653 BW. Overgangsrecht. Werknemer wordt gehouden aan relatiebeding en geheimhoudingsbeding. Nieuwe werkgever ook. HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5682.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/600
AR-Updates.nl 2017-0124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/517966 / KG ZA 17-4

Vonnis in kort geding van 23 januari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INDUSTRIELICHT B.V.,

gevestigd te Alblasserdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.A.J. Werner te Rotterdam,

tegen

[gedaagde1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.C. Hansen te Rotterdam,

en tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LICHT NL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. P.A. Ellenbroek te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Industrielicht en gedaagden genoemd worden. Afzonderlijk zullen gedaagden [gedaagde1] en Licht NL worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie van [gedaagde1] , tevens eis in reconventie

  • -

    de akte wijziging en vermeerdering eis van Industrielicht

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Industrielicht

  • -

    de pleitnota van [gedaagde1]

- de pleitnota van Licht NL.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Industrielicht verkoopt industriële verlichting van onder meer het merk Norka.

2.2.

Licht NL is een concurrent van Industrielicht. Licht NL verkoopt industriële verlichting van onder meer het merk Pracht. Pracht is een concurrent van Norka.

2.3.

[gedaagde1] is in juni 2009 als werknemer in dienst getreden bij Industrielicht. [gedaagde1] was commercieel medewerker binnendienst, is vervolgens doorgegroeid naar de functie van office manager binnendienst en daarna is [gedaagde1] (ook) werkzaamheden gaan verrichten in de buitendienst, als accountmanager (verkoop/acquisitie). Als accountmanager verkocht [gedaagde1] onder meer armaturen en ledverlichting van het merk Norka en onderhield [gedaagde1] de contacten met het bedrijf Technische Unie. Technische Unie is klant van zowel Industrielicht als Licht NL.

2.4.

In artikel 16 van de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde1] en Industrielicht staan onder meer een relatie- en een geheimhoudingsbeding. Dit artikel 16 luidt:

“a. Het is werknemer verboden gedurende 1 jaar na beëindiging van het dienstverband direct of indirect voor hemzelf danwel ten behoeve van derden, zaken te doen of zakelijke contacten te onderhouden met klanten van werkgever danwel aspirant-opdrachtgevers waarmee werkgever in onderhandeling is en/of contact heeft omtrent de levering van apparatuur en/of zaken, welke contacten (nog) niet tot een opdracht hebben geleid;

b. Het is werknemer verboden gedurende het dienstverband voor derden direct of indirect werkzaam te zijn of voor eigen rekening zaken te doen;

c. Werknemer erkent, dat hem door werkgever geheimhouding is opgelegd van alle bijzonderheden betreffende werkgever. Het is werknemer verboden hetzij gedurende de dienstbetrekking, hetzij na beëindiging hiervan, op enigerlei wijze aan derden, direct of indirect, in welke vorm ook enige mededeling te doen over of aangaande

bijzonderheden betreffende werkgever of met haar verband houdende;”

2.5.

In juni 2015 hebben in het kader van een reorganisatie vijf gedwongen ontslagen plaatsgevonden bij Industrielicht. [gedaagde1] behoorde niet tot de vijf ontslagen werknemers.

2.6.

[gedaagde1] heeft bij brief van 12 december 2016 zijn arbeidsovereenkomst met Industrielicht opgezegd tegen 31 januari 2017. In het kader van deze opzegging heeft Industrielicht [gedaagde1] voorgehouden dat [gedaagde1] gehouden zou worden aan zijn relatie- en geheimhoudingsbeding.

2.7.

[gedaagde1] heeft een arbeidsovereenkomst gesloten met Licht NL die ingaat op 1 februari 2017, met als functie “Key Accountmanager Technische Unie.”

2.8.

Industrielicht heeft bij brieven van 13 december 2016 [gedaagde1] en Licht NL gesommeerd om geen arbeidsovereenkomst met elkaar te sluiten/ daaraan geen uitvoering te geven, vanwege schending met het tussen Industrielicht en [gedaagde1] overeengekomen relatie- en geheimhoudingsbeding. Aan deze sommaties is geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

3.1.

Industrielicht vordert na akte eiswijziging en eisvermeerdering dat de voorzieningenrechter bij voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

- Gedaagden zal veroordelen om zich gedurende één jaar na 1 februari 2017 te onthouden van het aangaan van en/of uitvoering geven aan een arbeidsovereenkomst tussen elkaar, althans het verrichten van werkzaamheden door [gedaagde1] in opdracht van en/of ten behoeve van Licht NL, zulks op straffe van hoofdelijke verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend euro) ineens en van € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) per dag of gedeelte daarvan dat gedaagden of één van hen in gebreke mocht (en) blijven aan de veroordeling te voldoen;

- [gedaagde1] zal verbieden om:

1) gedurende één jaar na 1 februari 2017 direct of indirect, voor zichzelf of voor derden, zaken te doen of zakelijke contacten te onderhouden

a) met klanten van Industrielicht en/of

b) met mogelijke opdrachtgevers van Industrielicht waarmee Industrielicht in onderhandeling is en/of contact heeft over de levering van zaken;

2) op enig moment op enigerlei wijze aan derden, direct of indirect, in welke vorm ook, enige mededeling te doen over of aangaande bijzonderheden met betrekking tot of verband houdende met Industrielicht en/of haar onderneming;

zulks alles op straffe van een door [gedaagde1] te verbeuren dwangsom van € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend euro) ineens en van € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke mocht blijven aan de veroordeling te voldoen;

- Licht NL zal verbieden om:

1) gedurende één jaar na 1 februari 2017 [gedaagde1] namens en/of voor haar direct of indirect, voor zichzelf of voor derden, zaken te laten doen of zakelijke contacten te laten onderhouden

a) met klanten van Industrielicht en/of

b) met mogelijke opdrachtgevers van Industrielicht waarmee Industrielicht in onderhandeling is en/of contact heeft over de levering van zaken; en

2) gedurende enig moment [gedaagde1] direct of indirect, voor zichzelf of voor derden op enigerlei wijze aan Licht NL of derden in welke vorm ook, enige mededeling te laten doen over of aangaande bijzonderheden met betrekking tot of verband houdende met Industrielicht en/of haar ondernemingen;

zulks alles op straffe van een door Licht NL te verbeuren dwangsom van € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend euro) ineens en van € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) per dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke mocht blijven aan de veroordeling te voldoen;

één en ander met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.

Industrielicht stelt daartoe samengevat het volgende.

3.2.

De (beoogde) arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde1] en Licht NL is nietig wegens strijd met de goede zeden. Voorts levert deze arbeidsovereenkomst wanprestatie op door [gedaagde1] wegens strijd met het relatiebeding en geheimhoudingsbeding in zijn arbeidsovereenkomst met Industrielicht. Bij uitvoering van deze overeenkomst dreigt schending van deze bedingen. Licht NL handelt onrechtmatig door te profiteren van deze wanprestatie van [gedaagde1] . Technische Unie is een klant van zowel Industrielicht als Licht NL en [gedaagde1] gaat zich ook in zijn nieuwe functie richten op Technische Unie en daarmee zijn oude werkgever beconcurreren.

3.3.

Gedaagden voeren verweer.

3.4.

In reconventie vordert [gedaagde1] , samengevat:

- primair: schorsing van het relatiebeding totdat in een bodemprocedure uitspraak is gedaan als bedoeld in artikel 7:653 lid 2 BW;

- subsidiair: beperking van de werking van het relatiebeding tot alleen Technische Unie;

- meer subsidiair: veroordeling van Industrielicht tot betaling als vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW van een bedrag van € 4.339,13,- per maand aan [gedaagde1] voor de tijd dat het beding voortduurt, indien en voor zover Industrielicht alsdan [gedaagde1] nog wenst te houden aan het beding;

- met veroordeling van Industrielicht in de kosten in reconventie.

3.5.

Industrielicht voert verweer in reconventie.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de stellingen van Industrielicht.

4.2.

De eiswijziging en eisvermeerdering van Industrielicht worden toegelaten. Gedaagden hebben tegen deze eiswijziging en eisvermeerdering geen bezwaar gemaakt en ook ambtshalve acht de voorzieningenrechter deze niet in strijd met de goede procesorde.

4.3.

Het beroep op nietigheid van de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde1] en Licht NL faalt. Het is onaannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel zal worden gekomen dat deze overeenkomst naar inhoud of strekking strijdig is met de goede zeden. Daarvoor is vereist dat sprake is van schending van in een bepaalde maatschappelijke constellatie als fundamenteel ervaren normen van ongeschreven recht. Daarvan is geen sprake. Het is [gedaagde1] contractueel (in de arbeidsovereenkomst) niet verboden om in dienst te treden bij Licht NL. Wel is aan [gedaagde1] een relatiebeding en een geheimhoudingsbeding opgelegd. De vrees van Industrielicht dat [gedaagde1] deze bedingen zou kunnen gaan schenden indien hij werkzaamheden gaat verrichten voor Licht NL, volstaat niet om te kunnen spreken van strijd met de goede zeden. Alsdan is hoogstens sprake van wanprestatie en/of onrechtmatige daad (daarover komt de voorzieningenrechter nog te oordelen).

4.4.

Inzake de vorderingen tegen [gedaagde1] heeft (voorts) het volgende te gelden.

4.5.

Artikel 7:653 BW bevat een regeling inzake de geoorloofdheid van het opleggen van beperkingen aan een werknemer in diens nieuwe werkzaamheden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit artikel, zoals geldend vanaf 1 april 1997, is gewijzigd met ingang van 1 januari 2015 en vervolgens ook per 1 juli 2015.

4.6.

De arbeidsovereenkomst tussen Industrielicht en [gedaagde1] dateert uit 2009. Beoordeeld moet worden welke versie van artikel 7:653 BW in dit geval van toepassing is.

4.7.

In dit geval is artikel 7:653 BW toepasselijk in de versie zoals deze luidde per 1 april 1997, dit op grond van artikel XXIIc van de Wet werk en zekerheid (‘Wet van 14 juni 2014 tot wijziging van verschillende wetten in verband met de hervorming van het ontslagrecht, wijziging van de rechtspositie van flexwerkers en wijziging van verschillende wetten in verband met het aanpassen van de Werkloosheidswet, het verruimen van de openstelling van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen en de beperking van de toegang tot de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers’). Dit artikel luidt:

Artikel 653 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel I, van deze wet blijft van toepassing op arbeidsovereenkomsten die tot stand zijn gekomen voor dat tijdstip.

4.8.

Artikel 7:653 BW zoals geldend vanaf 1 april 1997 tot 1 januari 2015 luidt:

1. Een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, is slechts geldig, indien de werkgever dit schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer.

2. De rechter kan zulk een beding geheel of gedeeltelijk vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld.

3. Aan een beding als bedoeld in lid 1 kan de werkgever geen rechten ontlenen, indien hij wegens de wijze waarop de overeenkomst is geëindigd, schadeplichtig is.

4. Indien een beding als bedoeld in lid 1 de werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn, kan de rechter steeds bepalen dat de werkgever voor de duur van de beperking aan de werknemer een vergoeding moet betalen. De rechter stelt de hoogte van deze vergoeding met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid vast; hij kan toestaan dat de vergoeding op de door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald. De vergoeding is niet verschuldigd, indien de werknemer wegens de wijze waarop de overeenkomst is geëindigd, schadeplichtig is.

4.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat een ten gunste van Industrielicht te treffen voorziening deels gerechtvaardigd is, op na te melden wijze. In dit oordeel wordt het volgende meegewogen.

4.10.

Het is niet ongeoorloofd om een relatiebeding en een geheimhoudingsbeding als hier in geding in een arbeidsovereenkomst op te nemen. Het stond Industrielicht vrij om ter bescherming van haar gerechtvaardigde commerciële belangen deze bedingen te stipuleren.

4.11.

Industrielicht heeft een rechtens te respecteren belang bij nakoming van het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding. Dit belang is gegeven, nu niet in geding is dat [gedaagde1] beschikt over relevante kennis met betrekking tot de commerciële belangen en relaties van Industrielicht. Bovendien beschikt [gedaagde1] niet alleen over die kennis. [gedaagde1] heeft tevens als werknemer van Industrielicht contact met klanten van Industrielicht onderhouden en, naar mag worden aangenomen, een relatie met de betrokken contactpersonen aan de zijde van die klanten opgebouwd. Niet in geschil is dat [gedaagde1] een gewaardeerde medewerker van Industrielicht was. [gedaagde1] is bij Industrielicht eerst doorgegroeid naar de functie van hoofd binnendienst en [gedaagde1] is vervolgens mede in de buitendienst gaan werken. Toen 5 werknemers van Industrielicht in 2015 zijn ontslagen, van in totaal circa 20 werknemers, behoorde [gedaagde1] daar niet bij. Het was de bedoeling dat [gedaagde1] zijn activiteiten als accountmanager (in de buitendienst) in 2017 ging uitbreiden. Dit blijkt uit een e-mailbericht dat Industrielicht op 6 december 2016 (net voor de opzegging door [gedaagde1] ) heeft verspreid onder haar personeel.

4.12.

Van de in dienst van Industrielicht met contactpersonen bij klanten opgebouwde relaties zou [gedaagde1] kunnen profiteren in zijn functie bij Licht NL, indien hij ook daar contacten met die klanten zou mogen hebben. Het risico dat klanten van Industrielicht voortaan (vaker) voor (concurrerende producten van) Licht NL kiezen omdat [gedaagde1] daar is komen te werken, is geenszins denkbeeldig. Niet in geding is dat [gedaagde1] in de buitendienst voor Industrielicht de contacten onderhield met Technische Unie en vaststaat dat Technische Unie klant is van zowel Industrielicht als Licht NL.

4.13.

[gedaagde1] voert aan dat zijn functie in de buitendienst bij Industrielicht van slechts ondergeschikte betekenis is geweest. [gedaagde1] miskent daarmee allereerst dat het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding voor deze situatie geen uitzondering maken. Afgezien hiervan acht de voorzieningenrechter dit verweer onaannemelijk. Industrielicht heeft onder meer de agenda van [gedaagde1] over 2016 overgelegd. Daaruit blijkt genoegzaam dat [gedaagde1] een relevant deel van zijn tijd besteedde aan het bezoeken van klanten van Industrielicht, waaronder Technische Unie. Bovendien is [gedaagde1] betrokken geweest bij het opstellen van het Verkoopplan 2016 van Industrielicht, althans is dit plan in ieder geval met hem besproken en heeft hij daarvoor input kunnen leveren. Ook dit wijst er niet op dat de rol van [gedaagde1] in de verkoop en in het onderhouden en bevorderen van goede relaties met klanten van ondergeschikte betekenis was. Evident is dat zowel Industrielicht als Licht NL vertrouwen hebben in de (commerciële) kwaliteiten van [gedaagde1] als accountmanager.

4.14.

Aan het oordeel dat Industrielicht recht en belang heeft nakoming van het relatiebeding en geheimhoudingsbeding te vorderen, doet niet af dat een aantal klanten van Industrielicht ook al klant is van Licht NL. Dat neemt het belang van Industrielicht dat gediend is met nakoming van het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding, niet weg. Strekking van die bedingen is dat [gedaagde1] de door uitoefening van zijn functie opgedane kennis van de bedrijfsactiviteiten van Industrielicht en van de klanten van Industrielicht en de bij die klanten opgebouwde goodwill, niet mag aanwenden ten behoeve van een concurrent van Industrielicht. Dit teneinde te voorkomen dat Industrielicht daardoor ongerechtvaardigd wordt beperkt in haar commerciële kansen. Dat risico bestaat ook, of wellicht zelfs des te meer, als klanten van Industrielicht tegelijkertijd klanten van Licht NL zijn.

4.15.

Evenmin doet aan het oordeel af dat Industrielicht producten van het merk Norka verkoopt terwijl Licht NL producten van het merk Pracht verkoopt. Industrielicht heeft gesteld dat dit volstrekt inwisselbare producten zijn, hetgeen door [gedaagde1] en Licht NL niet gemotiveerd is betwist. Het onder rov. 4.14 beschreven risico bestaat derhalve ondanks het voeren van deels verschillende merken in hun assortiment door Industrielicht en Licht NL.

4.16.

De voorzieningenrechter acht al met al aannemelijk dat de kantonrechter in een eventuele bodemprocedure de werking van het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding in ieder geval niet zal beperken tot een periode korter dan zes maanden. Daarom zal een voorziening worden getroffen voor de duur van zes maanden. Langer is niet nodig. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de kantonrechter binnen zes maanden uitspraak kan doen, aangenomen dat tijdig een bodemprocedure aanhangig zal worden gemaakt bij de kantonrechter. Ter vermijding van misverstanden wijst de voorzieningenrechter erop dat hiermee het relatiebeding en geheimhoudingsbeding niet worden beperkt in tijd, slechts de thans te treffen voorzieningen worden beperkt in de tijd.

4.17.

De arbeidsovereenkomst van [gedaagde1] verbiedt het hem op zich niet om in dienst te treden bij Licht NL. Dit deel van het gevorderde zal (wel) worden afgewezen.

4.18.

Het opleggen van een dwangsom wordt gerechtvaardigd geacht. Het is in de beschreven omstandigheden, waarin [gedaagde1] en Licht NL zich ten onrechte op het standpunt stellen dat de belangen van Industrielicht onvoldoende zwaarwegend zijn, geïndiceerd om het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding te versterken met een dwangsom. De dwangsom zal gesteld worden op € 2.500,- voor iedere afzonderlijke overtreding van het relatiebeding óf van het geheimhoudingsbeding. De dwangsom zal in zijn geheel worden gemaximeerd tot € 50.000,-. Dit betekent dat [gedaagde1] in totaal niet (2 x € 50.000,- =) € 100.000,- aan dwangsommen kan verbeuren bij schending van de beide bedingen, maar slechts € 50.000,-.

4.19.

[gedaagde1] behoort geen dwangsommen te verbeuren op de enkele grond dat hij iemand benadert die een klant van Industrielicht blijkt te zijn (onder klant dient in dit verband ook te worden verstaan, gelet op de tekst van het relatiebeding: aspirant-opdrachtgevers). [gedaagde1] behoort alleen een dwangsom te verbeuren als hij wéét dat hij te maken heeft met een klant van Industrielicht. De stelplicht en bewijslast daarvan rusten op Industrielicht. De voorzieningenrechter heeft ter zitting aan Industrielicht gevraagd hoe [gedaagde1] steeds kan weten dat hij te maken heeft met een klant van Industrielicht. Industrielicht heeft in eerste instantie geantwoord dat dit geen issue is omdat [gedaagde1] heus wel weet wie die klanten zijn. Dit antwoord volstaat niet. Zo kan [gedaagde1] per definitie niet bekend zijn met de aspirant-opdrachtgevers die nooit eerder zaken hebben gedaan met Industrielicht. Ook heeft Industrielicht geantwoord dat uit “de offertelijsten” van [gedaagde1] blijkt wie die klanten zijn. Ter voorkoming van executieproblemen zal de voorzieningenrechter de dwangsomveroordeling beperken tot die klanten die voorkomen op de - Industrielicht en [gedaagde1] bekende - offertelijsten van [gedaagde1] .

4.20.

[gedaagde1] heeft ter zitting aangevoerd dat zijn (voormalige) collega’s bij Industrielicht eigen offertelijsten hebben, met de inhoud waarvan [gedaagde1] niet (volledig) bekend is. De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van [gedaagde1] dat een dwangsom met betrekking tot die klanten niet gerechtvaardigd is. [gedaagde1] kan niet zonder meer geacht worden volledig bekend te zijn met de klanten en aspirant-opdrachtgevers die door zijn collega’s bij Industrielicht werden bediend. Indien zij een zodanig ruim en met een dwangsom versterkt verbod wenste en gerechtvaardigd achtte, had het op de weg gelegen van Industrielicht om een volledig overzicht over te leggen van al haar klanten en haar aspirant-opdrachtgevers over de periode tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst van [gedaagde1] ten einde is gekomen. Dit heeft Industrielicht niet gedaan. Bij gebreke daarvan is een verderstrekkende voorziening reeds om die reden niet gerechtvaardigd.

4.21.

Over de vorderingen tegen Licht NL wordt als volgt geoordeeld.

4.22.

Licht NL mag Industrielicht in beginsel concurrentie aandoen. Vrije mededinging is niet alleen geoorloofd maar zelfs wenselijk te achten, zulks ter bevordering van een gezonde economische ontwikkeling. Het handelen met iemand terwijl men weet dat deze door dit handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, is op zichzelf jegens die derde niet per definitie onrechtmatig. Of een dergelijk handelen jegens die derde onrechtmatig is hangt af van de omstandigheden van het geval (HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5682).

4.23.

In de gegeven omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat Licht NL onrechtmatig zou handelen indien zij zou profiteren van schending van het relatiebeding en/of geheimhoudingsbeding door [gedaagde1] . Partijen zijn grote concurrenten van elkaar. Licht NL heeft zelf ter zitting al aangevoerd dat tussen partijen sprake is van een gentlemen’s agreement om niet elkaars werknemers te benaderen. De taak die [gedaagde1] voor Licht NL zou gaan vervullen als accountmanager Technische Unie overlapt in belangrijke mate de taak van [gedaagde1] bij Industrielicht, alwaar hij eveneens accountmanager voor (onder meer) Technische Unie was. Licht NL wist van het relatiebeding en geheimhoudingsbeding toen zij [gedaagde1] aannam. Licht NL wist ook dat [gedaagde1] in zijn werk bij Industrielicht Technische Unie onder zijn hoede had en dat het in de rede lag dat Industrielicht niet gelukkig zou zijn met de overstap van [gedaagde1] naar Licht NL, temeer niet met het oog op het vervullen van een functie waarin hij klanten van Industrielicht niet langer ten behoeve van Industrielicht, maar nu ten behoeve van haar concurrent Licht NL zou gaan bedienen. [gedaagde1] heeft ter zitting - buiten aanwezigheid van Licht NL - verklaard hoeveel omzet Industrielicht zijns inziens over 2016 had gegenereerd bij haar klant Technische Unie. Het bedrag dat [gedaagde1] heeft genoemd acht de voorzieningenrechter economisch en commercieel relevant, ook al vond [gedaagde1] zelf dit bedrag relatief gering in verhouding tot de totale omzet van Industrielicht. Daar komt bij dat Industrielicht er terecht op heeft gewezen dat zij door middel van de klantcontacten die [gedaagde1] in 2016 onderhield met Technische Unie nu juist heeft geïnvesteerd in die klant, met de bedoeling de omzet bij die klant verder te ontwikkelen.

4.24.

De dwangsomveroordeling van Licht NL zal op dezelfde wijze als bij [gedaagde1] worden aangepast.

4.25.

Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten van Industrielicht. Gedaagden zullen ieder een helft van de proceskosten van Industrielicht dienen te vergoeden. De totale proceskosten van Industrielicht worden begroot op € 1.607,56, zijnde € 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven), € 618,- aan griffierecht en € 173,56 aan explootkosten van de twee dagvaardingen. Dit komt voor ieder van gedaagden uit op € 803,78.

in reconventie

4.26.

De voorzieningenrechter neemt het oordeel in conventie hier over. In dat oordeel ligt besloten dat de primaire vordering in reconventie - schorsing van het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding - moet worden afgewezen.

4.27.

De subsidiaire vordering - beperking van het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding tot alleen de klant Technische Unie - zal eveneens worden afgewezen. De werking van deze bedingen is contractueel niet beperkt tot alleen deze klant en de redenen waarom deze bedingen zijn afgesproken gelden ook in de verhouding tot andere klanten dan Technische Unie.

4.28.

Ook de meer subsidiaire vordering - een vergoeding van € 4.339,13 per maand ex artikel 7:653 lid 5 BW (de voorzieningenrechter leest lid 4, in de hier toepasselijke versie van dit wetsartikel) - zal worden afgewezen. [gedaagde1] stelt dat hij, gelet op zijn kennis en ervaring, slechts werkzaam kan zijn in de industriële verlichtingsbranche. Het valt echter op voorhand geenszins uit te sluiten dat [gedaagde1] ook voor een werkgever buiten deze branche een aantrekkelijke werknemer is, gelet op zijn opleiding en ervaring (waaronder in ieder geval ervaring zowel in de binnendienst als in de buitendienst, dit op medewerkersniveau en deels ook op leidinggevend niveau). Bovendien bestaan er ook binnen de verlichtingsbranche en wellicht ook bij Licht NL nog steeds mogelijkheden voor [gedaagde1] . Een meer afgewogen oordeel over de kansen van [gedaagde1] op de arbeidsmarkt zou een uitgebreid onderzoek naar feiten vergen, en wellicht ook bewijslevering, hetgeen de beperkte kaders van een kort geding procedure te buiten gaat.

4.29.

[gedaagde1] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde procespartij worden veroordeeld in de proceskosten van Industrielicht. Deze kosten worden begroot op € 408,- aan salaris advocaat (de helft van het normale tarief, nu de vordering in reconventie voortvloeit uit de eis in reconventie).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

verbiedt [gedaagde1] om:

1) gedurende zes maanden na 1 februari 2017 direct of indirect, voor zichzelf of voor derden, zaken te doen of zakelijke contacten te onderhouden

a. a) met klanten van Industrielicht en/of

b) met mogelijke opdrachtgevers van Industrielicht waarmee Industrielicht in onderhandeling is en/of contact heeft over de levering van zaken,

één en ander op voorwaarde dat de namen van deze klanten en mogelijke opdrachtgevers voorkomen op de offertelijsten van [gedaagde1] ,

2) in de periode tot 1 augustus 2017 op enigerlei wijze aan derden, direct of indirect, in welke vorm ook, enige mededeling te doen over of aangaande bijzonderheden met betrekking tot of verband houdende met Industrielicht en/of haar onderneming;

zulks alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke mocht blijven aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,-;

5.2.

veroordeelt [gedaagde1] tot betaling van € 803,78 aan Industrielicht als bijdrage in de vergoeding van de proceskosten;

5.3.

verbiedt Licht NL om:

1) gedurende zes maanden na 1 februari 2017 [gedaagde1] namens en/of voor haar direct of indirect, voor zichzelf of voor derden, zaken te laten doen of zakelijke contacten te onderhouden

a. a) met klanten van Industrielicht en/of

b) met mogelijke opdrachtgevers van Industrielicht waarmee Industrielicht in onderhandeling is en/of contact heeft over de levering van zaken,

één en ander op voorwaarde dat de namen van deze klanten en mogelijke opdrachtgevers voorkomen op de offertelijsten van [gedaagde1] ,

2) in de periode tot 1 augustus 2017 [gedaagde1] , direct of indirect, voor zichzelf of voor derden, op enigerlei wijze aan Licht NL of aan derden, in welke vorm ook, enige mededeling te laten doen over of aangaande bijzonderheden met betrekking tot of verband houdende met Industrielicht en/of haar onderneming;

zulks alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) per dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke mocht blijven aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,-;

5.4.

veroordeelt Licht NL tot betaling van € 803,78 aan Industrielicht als bijdrage in de vergoeding van de proceskosten;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.6.

wijst het gevorderde af;

5.7.

veroordeelt [gedaagde1] in de proceskosten van Industrielicht, tot op heden begroot op € 408,-;

in conventie en reconventie

5.8.

verklaart dit vonnis (zo nodig ambtshalve) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2016.

[2517/1729]