Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8666

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
ROT 16/7029
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat uit de beschikbare medische gegevens niet kan worden afgeleid dat de verzekeringsartsen een onvolledig beeld hebben gehad van de medische situatie van eiseres per 4 maart 2015.

Uit het rapport van de verzekeringsarts van 4 maart 2015 blijkt dat hij eiseres op het spreekuur heeft uitgevraagd en heeft onderzocht en hierbij geen kenmerken van bekkeninstabiliteit heeft kunnen objectiveren. Er was sprake van aspecifieke rugklachten. De verzekeringsarts heeft niet betwist dat eiseres bekkenklachten ervaart, maar wel dat het (nog steeds) gaat om bekkeninstabiliteit ten gevolge van zwangerschap en/of bevalling. Ook de informatie van de behandelend sector van redelijk kort voor en na de datum in geding bevestigt de bevindingen van de verzekeringsarts in zijn rapport van 4 maart 2015. Zo blijkt uit de informatie van de bekkenfysiotherapeut van 2 februari 2015 en 6 juli 2015 dat de bekkenfysiotherapie kortdurende verbeteringen geeft, maar dat eiseres naast de zorg voor haar zoontje weinig tijd heeft om te oefenen en dat de bekkenpijnklachten worden onderhouden door het gebrek aan evenwicht tussen activiteit en rust. Verder wordt in de brief van de bekkenfysiotherapeut van 15 juni 2016 als oorzaak van de bekkenstabiliteitsproblematiek genoemd de afwezigheid van evenwicht tussen activiteit en rust en dat er een psychische component speelt. Uit de informatie van de huisarts van 19 juni 2016 blijkt dat eiseres enige tijd na de bevalling in een depressieve fase terecht is gekomen die gepaard gaat met een diversiteit van lichamelijke klachten. Evenmin blijkt uit de verklaringen van de huisarts van 12 september 2017 en van de bekkenfysiotherapeut van 13 september 2017 dat de rug- en bekkenklachten nog steeds als een rechtstreeks gevolg van zwangerschap en/of bevallingen moeten worden gezien en dat verweerders standpunt onjuist zou kunnen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 16/7029

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres]

gemachtigde: mr. H.H. Veurtjes,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: P. Vliegenthart.

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat het uitkeringspercentage van de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) wordt verlaagd, omdat eiseres per 29 december 2014 nog steeds ziek is, maar haar zwangerschaps- of bevallingsklachten per de laatstgenoemde datum zijn beëindigd. Voorts heeft verweerder bepaald dat de (tot dan toe) teveel betaalde ZW-uitkering niet van haar zal worden teruggevorderd.

Bij besluit van 9 november 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 augustus 2016 heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 9 november 2015 gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 12 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat het recht van eiseres op een ZW-uitkering ten gevolge van zwangerschap/bevalling per 4 maart 2015 wordt beëindigd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder door middel van een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te laten reageren op vragen van de rechtbank.

Verweerder heeft een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 augustus 2017 ingediend. De gemachtigde van eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 14 september 2016 onder overlegging van een verklaring van de huisarts van 12 september 2017 en van de bekkenfysiotherapeut van 13 september 2017.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien tot het houden van een nadere zitting en heeft het onderzoek op 27 oktober 2017 gesloten.

Overwegingen

1.1.

Eiseres is laatstelijk tot 31 januari 2014 als helpende in een verpleeghuis werkzaam geweest. Op 28 mei 2014 is zij ten gevolge zwangerschapsklachten, zijnde bekken- en lage rugklachten, ziek gemeld. Van 8 september 2014 tot 29 december 2014 ontving eiseres een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo). Na ommekomst van de Wazo-uitkering heeft eiseres zich bij verweerder ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Bij besluit van 7 januari 2015 heeft verweerder eiseres met ingang van 29 december 2014 in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.

1.2.

Eiseres heeft op 4 maart 2015 het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. In het rapport van 4 maart 2015 heeft de verzekeringsarts toegelicht dat eiseres arbeidsongeschikt is door spanningen en zorgen alsmede dat zij reactieve depressieve klachten heeft door de situatie waarin haar kind verkeert. De aandacht, zorg en behandelingen die haar kind nodig heeft, nemen eiseres feitelijk in beslag. Eiseres volgt sinds enige tijd behandeling bij een psycholoog met wie zij zal dienen te werken aan spanningsreductie en aan het verminderen van de reactieve depressieve klachten. Volgens de verzekeringsarts zijn de psychische klachten van eiseres niet rechtstreeks het gevolg van de zwangerschap of bevalling, maar zijn die ontstaan als reactie op de situatie van haar kind.
Bij het lichamelijk onderzoek komt het volgende naar voren: loopt eiseres vlot en ongestoord. Ze staat vlot op van een lage bank. Staan en zitten zijn ongestoord. Spontane gebogen houdingen bij hanteren kind in wandelwagen gaan goed.

Rug: in het loof, anteflexie 70 grd, presenteert wat stijf opkomen, spontane bukbewegingen een stuk vlotter. LWK wel mobiel. Lichte drukpijn paralumbaal, Si geen bijzonderheden. Bekken stabiel, heupfuncties normaal. De verzekeringsarts komt tot onder meer de overweging dat er sprake is van aspecifieke lage rugpijn. Geen specifieke afwijkingen en geen sprake van bekkeninstabiliteit. Komt tot redelijke bukbewegingen, loopt vlot en in praktijk ook regelmatig actief. De verzekeringsarts komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat eiseres niet arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschap en/of bevalling na afloop van de periode waarin zij een Wazo-uitkering ontving.

1.3.

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

1.4.

In het kader van de herbeoordeling heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Daarbij heeft hij onderzocht of eiseres arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap of bevalling. In zijn rapport van 5 oktober 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven dat eiseres niet (meer) arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschap/bevalling per 4 maart 2015. Hij heeft toegelicht dat eiseres psychische klachten heeft waardoor zij op 29 december 2014 arbeidsongeschikt is voor haar werk als helpende. Onder verwijzing naar de richtlijn “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid (richtlijn) overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het gegeven dat deze klachten zijn ontstaan na de bevalling van haar kind onvoldoende is om daaruit de conclusie te trekken dat er een causaal verband tussen beide bestaat. De bevalling is hier niet predisponerend voor het optreden van de klachten. Het is het life-event van de moeder dat gezien moet worden als oorzaak van de klachten. De angstklachten zijn eveneens ontstaan in de periode na de bevalling. Er is onvoldoende reden om aan te nemen dat de psychische klachten een causaal verband hebben met de zwangerschap en/of bevalling, deze zijn een indirect gevolg daarvan. Uit de richtlijn volgt verder dat bij een claim op arbeidsongeschiktheid als rechtstreeks gevolg van zwangerschap en/of bevalling op basis van rug- en bekkenklachten een afweging gemaakt dient te worden of het aannemelijk is dat de klachten/symptomen samenhangen met de fysiologische gevolgen van de zwangerschap, nu deze klachten ook buiten de zwangerschap voorkomen. De aannemelijkheid van het verband tussen klacht en zwangerschap of bevalling wordt kleiner naarmate er meer tijd is verstreken na de bevalling. De eerste zes weken worden wel (arbitrair) gelijkgesteld met het zogenaamde biologische kraambed. De datum 29 december 2014 ligt ruim elf weken na de bevalling, terwijl bij het onderzoek van de verzekeringsarts geen bekkeninstabiliteit is geobjectiveerd. Er is sprake van aspecifieke rugklachten. Uit de informatie van de bekkenfysiotherarapeut blijkt dat de bekkenpijn en lage rugklachten die eiseres ervaart zijn ontstaan door overbelasting en stress. Het is daarom niet aannemelijk dat de rug- en bekkenklachten als rechtstreeks gevolg van zwangerschap en/of bevallingen moeten worden gezien.

1.5.

Verweerder heeft vervolgens de beslissing op bezwaar van 9 november 2015 genomen.

2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 30 augustus 2016 geoordeeld dat verweerder zich met betrekking tot de psychische klachten en angstklachten van eiseres met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat deze geen direct gevolg zijn van zwangerschap of bevalling. Ten aanzien van de rugklachten en de bekkenbodemklachten heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 9 november 2015 op dit punt niet draagkrachtig is gemotiveerd. De omstandigheid dat tijdens het onderzoek door de verzekeringsarts op 4 maart 2015 uit objectiveerbare onderzoeksgegevens bleek dat er toen geen sprake meer was van bekkeninstabiliteit, maakt niet zonder meer dat hiervan op 29 december 2014 evenmin sprake was. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2015 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van dossierstudie vervolgens in zijn rapport van 5 oktober 2016 vastgesteld dat eiseres per 4 maart 2015 niet meer arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschap/bevalling. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

4. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en stelt zich op het standpunt dat haar klachten wel zwangerschap gerelateerd zijn en dat de klachten pas per 2 november 2016 zijn beëindigd. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft eiseres informatie van haar huisarts van 26 november 2016 en 6 juli 2015 en informatie van bekkenfysiotherapeut Van Etten-Niekoop van 11 november 2016 overgelegd.

5. Voor de beoordeling van het beroep zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang.

5.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 november 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG4669) wordt onder "zijn arbeid" als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW verstaan: de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

Op grond van artikel 19, tweede lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de vrouwelijke verzekerde, nadat het recht op uitkering ingevolge de Wazo is geëindigd, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon zolang die ongeschiktheid duurt.

5.2.

Voor de vaststelling of klachten als rechtstreeks gevolg van bevalling/zwangerschap moet worden gezien hanteert verweerder de richtlijn.

Onder 3.1.1. van de richtlijn wordt de volgende niet limitatieve indeling in categorieën van oorzaken voor mogelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van de zwangerschap en bevalling gegeven.

Klachten, stoornissen en beperkingen in het functioneren:

I. Als gevolg van pathologisch verloop van zwangerschap, baring en kraamperiode.

II. Samenhangend met fysiologische veranderingen tijdens de zwangerschap.

III. Door aandoeningen die ook buiten de zwangerschap kunnen ontstaan maar waarvan een oorzakelijk verband met de zwangerschap wordt beschreven en/of die relatief vaker voorkomen tijdens zwangerschap, bevalling en kraambed dan daarbuiten.

IV. Door aandoeningen waarvan bekend is dat het beloop door de zwangerschap/het kraambed kan verergeren.

V. Stoppen of niet starten met behandeling/medicatie in verband met de zwangerschap.

VI. Specifieke arbeidsomstandigheden bij normale zwangerschap.

(Voor bespreking en voorbeelden zie paragraaf 4.1.1.)

Categorie I betreft aandoeningen die uitsluitend het gevolg kunnen zijn van zwangerschap, bevalling of kraambed. Als een van deze aandoeningen aan de orde is èn rechtstreeks arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft, wordt het causale verband tussen arbeidsongeschiktheid en zwangerschap/bevalling zonder meer aangenomen.

Als de klacht, stoornis of beperking behoort tot één van de categorieën II t/m VI is het causale verband tussen arbeidsongeschiktheid en zwangerschap/bevalling niet zonder meer duidelijk. Hier dient een toets met behulp van de algemene criteria plaats te vinden.

In 3.1.2. van de richtlijn wordt de afweging op basis van algemene criteria besproken.

De hieronder vermelde criteria dienen als hulpmiddel voor het vaststellen van het causaal verband tussen klacht, stoornis of beperking en zwangerschap/bevalling en kraambed. Is er sprake van arbeidsongeschiktheid, dan geldt dat hoe méér vragen bevestigend kunnen worden beantwoord, des te meer aanleiding er is de arbeidsongeschiktheid te beoordelen als het gevolg van zwangerschap of bevalling.

1. Is de klacht, stoornis of beperking ontstaan tijdens de zwangerschap/kraamperiode?

2. Heeft de klacht, stoornis of beperking een relatie met (direct) bij de zwangerschap/bevalling betrokken organen en/of de hormonale veranderingen als gevolg van de zwangerschap/bevalling?

3. Maakt het tijdstip van optreden van de klacht, stoornis of beperking in relatie tot de duur van de zwangerschap/kraamperiode het verband tussen klacht en zwangerschap/bevalling aannemelijk(er)?

4. Is de klacht, stoornis of beperking verergerd tijdens de zwangerschap/kraamperiode?

Onder 4.1.1. van de richtlijn worden de categorieën oorzaken beschreven. Onder Categorie

II vallen klachten/symptomen samenhangend met fysiologische gevolgen van de

zwangerschap die oorzaak voor arbeidsongeschiktheid kunnen zijn, zoals lage rugklachten

en pijn in de bekkenregio. Omdat deze klachten/symptomen ook buiten de zwangerschap

kunnen voorkomen moeten deze gevallen aan de algemene criteria worden getoetst.

Onder 4.1.2. van de richtlijn worden algemene criteria gegeven.

Onder het kopje “Klacht tijdens de kraamperiode” wordt aangegeven dat de eerste 6 weken na de bevalling wel (arbitrair) gelijk gesteld worden met het zogenaamde biologische kraambed. De aannemelijkheid van het verband tussen klacht en zwangerschap/ bevalling wordt kleiner naarmate er meer tijd is verstreken na de bevalling. In beginsel wordt een periode van zes weken aangehouden of het herstel van de cyclus aangenomen als moment waarna geen direct causaal verband meer aannemelijk wordt geacht tussen de klachten en de zwangerschap/bevalling.

6.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op de datum in geding, 4 maart 2015, arbeidsongeschikt was en recht had op een ZW-uitkering. Ter beoordeling staat slechts of er een causaal verband bestaat tussen de bekkenklachten van eiseres op en na 4 maart 2015 en de zwangerschap en/of bevalling van eiseres op 11 oktober 2014.

6.2.

Niet in geschil is dat de bekkenklachten en lage rugklachten onder categorie II van de richtlijn vallen. Dat betekent dat deze klachten getoetst moeten worden aan de algemene criteria van de richtlijn. In beginsel wordt daarbij een periode van zes weken aangehouden of het herstel van de cyclus aangehouden als moment waarna geen direct causaal verband meer wordt aangenomen tussen de klachten en de zwangerschap/bevalling.

6.3.

Gelet op de wijze waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn conclusie heeft onderbouwd - op basis van dossieronderzoek en de bevindingen van de verzekeringsarts tijdens zijn onderzoek op de datum in geding, komt de rechtbank tot het oordeel dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat de verzekeringsartsen bij eiseres een periode van ruim 20 weken heeft aangehouden (in plaats van de gebruikelijke zes weken die in de richtlijn wordt genoemd) als periode waarna geen direct causaal verband met is aangenomen tussen de klachten en de zwangerschap/bevalling. Wat eiseres heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen reden de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. De rechtbank is van oordeel dat uit de beschikbare medische gegevens niet kan worden afgeleid dat de verzekeringsartsen een onvolledig beeld hebben gehad van de medische situatie van eiseres per 4 maart 2015.
Uit het rapport van de verzekeringsarts van 4 maart 2015 blijkt dat hij eiseres op het spreekuur heeft uitgevraagd en heeft onderzocht en hierbij geen kenmerken van bekkeninstabiliteit heeft kunnen objectiveren. Er was sprake van aspecifieke rugklachten. De verzekeringsarts heeft niet betwist dat eiseres bekkenklachten ervaart, maar wel dat het (nog steeds) gaat om bekkeninstabiliteit ten gevolge van zwangerschap en/of bevalling. Ook de informatie van de behandelend sector van redelijk kort voor en na de datum in geding bevestigt de bevindingen van de verzekeringsarts in zijn rapport van 4 maart 2015. Zo blijkt uit de informatie van de bekkenfysiotherapeut van 2 februari 2015 en 6 juli 2015 dat de bekkenfysiotherapie kortdurende verbeteringen geeft, maar dat eiseres naast de zorg voor haar zoontje weinig tijd heeft om te oefenen en dat de bekkenpijnklachten worden onderhouden door het gebrek aan evenwicht tussen activiteit en rust. Verder wordt in de brief van de bekkenfysiotherapeut van 15 juni 2016 als oorzaak van de bekkenstabiliteitsproblematiek genoemd de afwezigheid van evenwicht tussen activiteit en rust en dat er een psychische component speelt. Uit de informatie van de huisarts van 19 juni 2016 blijkt dat eiseres enige tijd na de bevalling in een depressieve fase terecht is gekomen die gepaard gaat met een diversiteit van lichamelijke klachten. Evenmin blijkt uit de verklaringen van de huisarts van 12 september 2017 en van de bekkenfysiotherapeut van 13 september 2017 dat de rug- en bekkenklachten nog steeds als een rechtstreeks gevolg van zwangerschap en/of bevallingen moeten worden gezien en dat verweerders standpunt onjuist zou kunnen zijn.

7. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder eiseres terecht met ingang van 4 maart 2015 het recht van eiseres op een ZW uitkering ten gevolge van zwangerschap/bevalling heeft beëindigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van C. Groenewegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.