Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:8640

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
10/742100-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, ter zake van mishandeling en zware mishandeling. Beroep op noodweer(exces) verworpen. Vrijspraak voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Vorderingen van de benadeelde partijen deels toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/742100-17

Datum uitspraak: 13 oktober 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Achterhoek, te Zutphen,

raadsvrouw mr. S. Epema, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 september 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A. Ekiz heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 3

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Op 3 juli 2016 zijn in een woning, waar toen onder andere de verdachte en zijn zoon [naam zoon verdachte] aanwezig waren, een vuurwapen en munitie aangetroffen. Dit is gebeurd naar aanleiding van een melding van de bewoonster van deze woning, [naam getuige] . Zij heeft ter plaatse tegen de politie verklaard dat het vuurwapen in de keuken verstopt was. Daar is het vuurwapen met de munitie ook aangetroffen. Ook een mes met tape erom heen, waarover genoemde [naam getuige] tevens had verklaard, is daar aangetroffen. Later heeft zij verklaard dat zij door de verdachte is bedreigd met het mes en dat zijn zoon het vuurwapen in handen heeft gehad. Op het vuurwapen is een mengprofiel van het DNA van de verdachte en zijn zoon aangetroffen. Op de munitie is ook een mengprofiel van onder meer het DNA van de verdachte aangetroffen. De verklaring van [naam aangever] , aangever van het onder 1 ten laste gelegde feit, dat hij de verdachte heeft gezien met een vuurwapen van het merk Glock, hetzelfde merk dat in de woning is aangetroffen, kan dienen als steunbewijs.

4.1.2.

Beoordeling

Uit het uitgevoerde DNA-onderzoek kan worden afgeleid dat de aangetroffen sporen op het vuurwapen en op één van de patroonmagazijnen een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen bevatten. Daarbij is geconcludeerd dat dit celmateriaal afkomstig kan zijn van de verdachte, zijn zoon [naam zoon verdachte] en minimaal één andere persoon. Op het andere patroonmagazijn is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen aangetroffen, waarvan minimaal één man en minimaal één vrouw. Daarbij is geconcludeerd dat dit celmateriaal afkomstig kan zijn van de verdachte en minimaal één andere persoon. Het is, aldus het rapport, niet mogelijk om een “standaard” statistische berekening uit te voeren voor het vaststellen van de bewijskracht van de gevonden matches, omdat niet (duidelijk is of) alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zichtbaar zijn. Ook nadien is een dergelijke statistische evaluatie niet uitgevoerd. Mede gelet op het feit dat de getuige [naam getuige] heeft verklaard dat de zoon van de verdachte, [naam zoon verdachte] , degene met het vuurwapen was, is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het aangetroffen vuurwapen en de aangetroffen munitie (al dan niet samen met zijn zoon [naam zoon verdachte] ) op de tenlastegelegde datum (3 juli 2016) voorhanden heeft gehad.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte heeft bekend dat hij aangever [naam slachtoffer 1] heeft geslagen met een tafelpoot. Bij de verdachte was daarbij sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de foto’s en de medische verklaring blijkt dat de aangever een wond had aan de linkerkant van het hoofd achter zijn oor. Er was gelet daarop een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, namelijk hersenletsel. Door te slaan met een tafelpoot heeft de verdachte deze kans voor lief genomen.

4.2.2.

Standpunt verdediging

. De verdachte heeft bekend éénmaal met een stok naar de aangever te hebben geslagen en hem daarbij tegen de zijkant van zijn hoofd te hebben geraakt. Voor de vraag of dit kan worden gekwalificeerd als poging tot zware mishandeling of eenvoudige mishandeling is het niet relevant of het een tafelpoot of een stok was, maar hoe die eruit zag. Een tafelpoot kan namelijk van massief hout zijn, maar kan ook de vorm hebben van een lat. Als het een latje was, dan is er geen kans geweest op zwaar lichamelijk letsel. Wat voor voorwerp het is geweest, blijkt niet uit het dossier.

4.2.3.

Beoordeling

Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte met een voorwerp heeft geslagen tegen de linkerkant van het hoofd en de linkerschouder van aangever [naam slachtoffer 1] en dat hij daarmee bij de aangever pijn en letsel, namelijk een hoofdwond en een schaafwond op zijn schouder, heeft toegebracht.

De rechtbank stelt vast dat het voorwerp waarmee de verdachte heeft geslagen, een (houten) stok of ander hard voorwerp was. Niet bewezen is dat de verdachte heeft geslagen met een (gedraaide blank houten) tafelpoot, zoals in de tenlastelegging primair als middel is vermeld. De aangever heeft in zijn aangifte verklaard over een stok die leek op een gedraaide blank houten tafelpoot. Bij de rechter-commissaris heeft de aangever verklaard dat is geslagen met een stuk hout, dat later een tafelpoot bleek. De verdachte heeft éénmaal, namelijk bij de rechter-commissaris, verklaard over een tafelpoot. In die verklaring sprak hij echter ook over een stoelpoot en bij de politie en ook ter terechtzitting heeft hij steeds stellig ontkend dat het een tafelpoot was. Hij heeft toen steeds verklaard dat het een lat of platte, houten stok was. Het houten voorwerp is niet door de politie aangetroffen. Ander bewijs dan de verklaringen van de aangever en de verdachte omtrent dit voorwerp is niet aanwezig. Er kan daarom ook niet worden vastgesteld dat het een (heel) zwaar voorwerp betrof, zoals een voorwerp van massief hout. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat met de slag tegen de zijkant van het hoofd van de aangever zwaar lichamelijk letsel, zoals hersenletsel, zou zijn toegebracht. Ook de beschrijving van het letsel in de medische verklaring biedt voor een dergelijke conclusie onvoldoende houvast. De onder feit 1 primair ten laste gelegde opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is dan ook niet bewezen, ook niet in de variant van het voorwaardelijk opzet.

4.2.4.

Conclusie

Niet bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling, zoals onder 1 primair ten laste is gelegd. Daarvan zal hij daarom worden vrijgesproken. Het subsidiair ten laste gelegde, mishandeling, is gelet op het bovenstaande wel bewezen.

4.3.

Bewijswaardering feit 2

4.3.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde (poging tot) zware mishandeling, omdat niet

niet bewezen kan worden dat de verdachte aangever [naam slachtoffer 2] met een mes of scherp voorwerp op zijn wang heeft geslagen dan wel daarin heeft gesneden. De verdachte heeft wel bekend dat hij de aangever op zijn wang heeft geslagen, maar hij heeft verklaard dat hij dit met zijn vuist heeft gedaan. Hij heeft ontkend een mes te hebben gebruikt. De aangever en de getuigen hebben geen mes gezien en het mes dat in zijn rugzak is aangetroffen, is niet onderzocht. Ook op basis van de medische verklaring over het letsel bij de aangever kan niet worden geconcludeerd dat er is geslagen met een mes. Daarin wordt niet uitgesloten dat het letsel kan zijn veroorzaakt door een barstverwonding, maar is alleen vermeld dat het aspect van de wond meer passend is bij een snijverwonding. Het geven van één klap met de vuist levert geen opzet op, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Mishandeling, zoals meer subsidiair ten laste gelegd kan wel bewezen worden, maar alleen met betrekking tot het slaan met de vuist.

4.3.2.

Beoordeling

Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte aangever [naam slachtoffer 2] op zijn rechterwang heeft geslagen en hem daarbij heeft verwond. De rechtbank stelt op grond van deze bewijsmiddelen ook vast dat de verdachte deze slag heeft uitgedeeld met een scherp/puntig voorwerp en overweegt daarover het volgende.

De aangever heeft verklaard dat hij, voordat de verdachte sloeg, zag dat de verdachte met zijn hand iets uit zijn rugzak haalde. De verdachte is kort daarna aangehouden en heeft toen tegen de politie verklaard dat hij een mes in zijn rugzak had. Bij de insluitingsfouillering is in deze rugzak een mes aangetroffen, waarvan de punt was afgebroken, en ook die afgebroken punt is aangetroffen. De verdachte heeft op de terechtzitting ook verklaard dat zowel het mes als de afgebroken punt in zijn rugzak zat. Het bij de aangever toegebrachte letsel is gedetailleerd omschreven in de medische verklaring. Het betreft een snee van één centimeter in de rechterwang. Er is op die plek geen bloeduitstorting/zwelling geconstateerd. In deze medische verklaring is vermeld dat het geconstateerde letsel passend is bij de inwerking van uitwendig geweld en dat de wond meer passend is bij een snijverwonding dan bij een barstverwonding. Vermeld is ook dat het ontstaan van de wond dus goed verklaard zou kunnen worden door scherpe uitwendige geweldsinwerking. De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat de verdachte met (de afgebroken punt) van het aangetroffen mes op de rechterwang van de aangever heeft geslagen.

Er is sprake van een verwonding in het gezicht, die in het ziekenhuis moest worden gehecht. In de medische verklaring is vermeld dat de kans op een blijvend litteken bestaat. Op de terechtzitting van 29 september 2017, ruim 10 maanden na het incident, heeft de rechtbank waargenomen dat op de rechterwang van de aangever een litteken aanwezig is. Er is derhalve daadwerkelijk sprake van een blijvend litteken in het gezicht. De rechtbank stelt daarom vast dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

4.3.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling, zoals onder 2 primair ten laste is gelegd.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. subsidiair:

hij op 2 juni 2017 te Rotterdam [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door met een (houten) stok of hard voorwerp, tegen het hoofd en op de schouder van voornoemde [naam slachtoffer 1] te slaan;

2 primair:

hij op 17 november 2016 te Rotterdam aan [naam slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond in de rechterwang, heeft toegebracht door deze [naam slachtoffer 2] met een scherp/puntig voorwerp, op de rechterwang te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De kennelijke verschrijving in de tenlastelegging van feit 1 subsidiair is in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

mishandeling;

2.

zware mishandeling.

5.1.

Strafbaarheid

5.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde een beroep gedaan op noodweer en bepleit dat de verdachte daarom ten aanzien van dat feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Aangevoerd is dat de aangever met een injectiespuit op de verdachte afliep en hem daarmee bedreigde toen hij vlak voor hem stond. De verdachte werd daardoor bang en raakte in paniek en heeft toen geprobeerd zich te verdedigen tegen deze aanranding door een in de woning aanwezige stok te pakken en daarmee te slaan. Hij wilde daarmee de aangever met de spuit van zich afhouden. Gesteld is ook dat de verdachte niet weg kon gaan, omdat de deur op slot zat en de aangever de sleutel in zijn zak had.

5.1.2.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of een onmiddellijke dreiging daartoe. Dat hij door de aangever werd bedreigd met een injectiespuit, kan enkel worden gebaseerd op de eigen verklaring van de verdachte. Nu de aangever echter meerdere malen heeft verklaard dat geen sprake is geweest van een bedreiging en de politie bij het onderzoek in de woning van de aangever ook geen injectiespuit heeft aangetroffen, kan niet worden gezegd dat de verklaring van de verdachte aannemelijk is geworden.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de woning op een eerder moment had kunnen verlaten. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij door de aangever was gesommeerd om weg te gaan. Hij had dus weg kunnen gaan, ook als de deur op slot zou zijn geweest. Gelet op de wens van de aangever is het aannemelijk dat hij de deur dan open zou hebben gedaan. De verdachte wilde blijkens zijn eigen verklaring echter niet weggaan omdat hij pas weg wilde gaan als hij zijn spullen terug had.

Het beroep op noodweer wordt gelet op het voorgaande verworpen.

5.1.3.

Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde eveneens een beroep op noodweerexces gedaan. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, wordt ook dat beroep verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft een man zwaar mishandeld, die aanwezig was in de opvang waar ook de verdachte verbleef. Er ontstond een ruzie tussen hen en nadat zij beiden naar buiten waren gegaan, heeft de verdachte het slachtoffer gestoken met een (afgebroken punt van een) mes dat hij bij zich had in zijn rugzak. Hij heeft daarmee het slachtoffer pijn en ook zwaar lichamelijk letsel toegebracht, namelijk een snee in zijn wang, die moest worden gehecht en waaraan hij een blijvend litteken heeft overgehouden.

Ruim een half jaar later heeft de verdachte opnieuw een man mishandeld. Dit betrof een man bij wie hij had geslapen. Ook deze keer was een ruzie de aanleiding van de mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer daarbij met een (houten) stok of een ander hard voorwerp tegen zijn hoofd en schouder geslagen. Hij heeft daarmee ook bij dit slachtoffer pijn en letsel toegebracht.

Met zijn handelen heeft de verdachte bij beide slachtoffers voorts een ernstige inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, onder andere in de afgelopen vijf jaren. De vele veroordelingen en de daarbij opgelegde straffen, waaronder meerdere gevangenisstraffen en ook voorwaardelijke straffen met een nog lopende proeftijd, hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

7.3.2.

Rapportage reclassering

GGZ Tactus, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 september 2017. Dit rapport houdt - onder meer - het volgende in.

De verdachte heeft op vrijwel alle sociaal maatschappelijke leefgebieden problemen

waardoor er sprake is van een instabiele leefsituatie. Hij verblijft bij de nachtopvang, heeft geen zinvolle dagbesteding, er is sprake van schuldenproblematiek en hij beschikt niet over een inkomen om dit structureel op te lossen. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor een

persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anders omschreven) met antisociale en narcistische trekken. De diagnostiek is echter achterhaald. De verdachte heeft zelf aangegeven dat hij geen psychische problematiek ervaart en er ook geen sprake is van verslavingsproblematiek. Hij zegt wel dagelijks te blowen en af en toe cocaïne en alcohol te gebruiken. Hij heeft zelf de indruk dit gereguleerd te kunnen doen.

De verdachte heeft onvoldoende inzicht in zijn probleemgedrag en onvoldoende vaardigheden zodat zijn gedrag in stand gehouden wordt en het risico op herhaling niet wordt verlaagd. Eerdere behandeltrajecten, zowel klinisch als ambulant, zijn niet geslaagd doordat de verdachte niet voldoende gemotiveerd was om mee te werken. Het herhalingsgevaar wordt gelet op het voorgaande ingeschat als hoog.

Positief is wel dat de verdachte binnen de Penitentiaire Inrichting in Zutphen, waar hij gedetineerd is, de leefstijltraining goed heeft afgerond. Hij is actief aanwezig geweest en heeft in de groep gemeld aan zijn leven een positieve wending te willen geven.

Geadviseerd wordt om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het ambulante reclasseringstoezicht in het kader van de voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 10/661076-14 zou door Bouman GGZ aangeboden worden, maar toen raakte de verdachte in deze zaak preventief gedetineerd. De reclassering meent dat een nieuw ambulant toezicht geen enkele meerwaarde zal hebben om de kans op herhaling te verminderen. De verdachte blijkt in onvoldoende mate in staat afspraken na te komen om een dergelijk traject te laten slagen. Een langdurige klinische behandeling binnen een sterk juridisch kader is aangewezen om te komen tot gedragsverandering. Een traject vanuit detentie (middels detentiefasering) of binnen de ISD-maatregel zal wellicht meer druk uitoefenen dan door middel van een ambulant toezicht mogelijk is.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.3.3.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat zij zich niet in het reclasseringsrapport kan vinden. Zij heeft aangevoerd dat de verdachte wel een goede samenwerking had met zijn vorige toezichthouder, mevrouw [naam toezichthouder] , die hem tot begin 2017 heeft begeleid. De verdachte wil graag weer verder door haar worden begeleid. De raadsvrouw heeft een e-mail van mevrouw [naam toezichthouder] overgelegd, waarin is vermeld dat zij bereid is de begeleiding van de verdachte weer van haar collega over te nemen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank acht een forse gevangenisstraf op zijn plaats. Dit kan niet worden beperkt tot de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zoals de raadsvrouw heeft verzocht. Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, zoals door de officier van justitie is geëist, acht de rechtbank echter te lang. De reden daarvoor is onder meer dat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het onder 1 primair en het onder 3 ten laste gelegde. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de ernst van de onder 2 bewezen verklaarde zware mishandeling in vergelijking met soortgelijke zaken wel behoort tot de ondergrens.

Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd maakt dat niet anders. Na de detentie zal begeleiding en/of behandeling van de verdachte plaats kunnen vinden in het kader van het reclasseringstoezicht in de zaak met parketnummer 10/661076-14, waarin de proeftijd nog geruime tijd loopt.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 400,= aan materiële schade (schade aan kleding en schoenen) en een vergoeding van (naar de rechtbank begrijpt) € 50.000,= aan immateriële schade.

8.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 500,=, als vergoeding voor immateriële schade. Voor het overige moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De materiële schade is in het geheel niet onderbouwd.

8.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering; primair in verband met hetgeen zij ten aanzien het onder 1 ten laste gelegde heeft bepleit en subsidiair omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

8.1.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet onderbouwd. Vast staat wel dat door de bloedende hoofdwond bloedvlekken op de sweater van de benadeelde partij zijn gekomen. Schade aan de sweater is daarom wel aannemelijk geworden. De rechtbank acht daarvoor een vergoeding van € 50,= redelijk. De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen. Overige materiële schade is niet aannemelijk geworden. De benadeelde partij zal daarom voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan dus slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Verder is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 150,=, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 juni 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot nu toe begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.1.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 200,=, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

8.2.

Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 435,= aan materiële schade (deel van de kosten voor ambulancevervoer ter hoogte van het eigen risico, schade aan kleding) en een vergoeding van € 5.000,= aan immateriële schade (trauma en letsel/blijvend litteken in het gezicht).

8.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding voor de materiële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 385,=. De kosten voor het eigen risico ter hoogte van dit bedrag zijn onderbouwd. De overige gestelde materiële schade is niet onderbouwd. Evenmin is onderbouwd dat sprake is van een trauma. De officier van justitie heeft gesteld dat een vergoeding voor immateriële schade in verband met het letsel wel redelijk is. Zij verzoekt het verzochte bedrag wel te matigen en refereert zich ten aanzien van het toe te wijzen bedrag aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Met betrekking tot het bedrag aan eigen risico van € 385,= is de vordering genoegzaam onderbouwd. Ook blijkt uit het dossier dat de benadeelde partij met de ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd. Met betrekking tot de kleding (een broek en een T-shirt) zijn geen stukken bij de vordering gevoegd. Aangevoerd is echter dat hierop bloedvlekken zijn gekomen als gevolg van de toegebrachte verwonding. De benadeelde partij had een bloedende wond in zijn gezicht. De rechtbank acht ook deze schade daarom voldoende aannemelijk. De vordering tot vergoeding van materiële schade voor een bedrag van € 435,= zal daarom in zijn geheel worden toegewezen.

Verder is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Aan de benadeelde partij is een snijwond in zijn gezicht toegebracht, waaraan hij een blijvend litteken heeft overgehouden. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,=. Dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde een trauma heeft opgelopen, is niet onderbouwd en is daarom niet aannemelijk geworden. De benadeelde partij heeft ook verklaard dat hij hiervoor geen hulp heeft gezocht bij bijvoorbeeld een psycholoog. De vordering zal daarom worden toegewezen tot het voornoemde bedrag van € 500,= en de benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan dus slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 17 november 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot nu toe begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van € 935,=, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 200,= (zegge: tweehonderd euro), bestaande uit een bedrag van € 50,= aan materiële schade en een bedrag van € 150,= aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot nu toe aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 200,= (hoofdsom, zegge: tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 200,= vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 935,= (zegge: negenhonderdvijfendertig euro), bestaande uit € 435,= aan materiële schade en € 500,= aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot nu toe aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 935,= (hoofdsom, zegge: negenhonderdvijfendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 november 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 935,= vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 18 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.A. Poppe-Gielesen, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en F.A. Hut, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(pnr 742100-17)

hij

op of omstreeks 2 juni 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meermalen, althans éénmaal, met een gedraaide blank houten tafelpoot, althans met een

(houten) stok en/of hard voorwerp,(met kracht) op/tegen het (achter)hoofd en/of op/tegen de

schouder van voornoemde [naam slachtoffer 1] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artt. 302/45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 juni 2017 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door met een gedraaide blank houten

tafelpoot, althans met een (houten) stok en/of hard voorwerp, (met kracht)

op/tegen het (achter)hoofd en/of op/tegen de schouder van voornoemde [naam slachtoffer 1]

te slaan;

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

(pnr 652102-16)

hij

op of omstreeks 17 november 2016 te Rotterdam

aan [naam slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond in

de rechterwang, heeft toegebracht door deze [naam slachtoffer 2] met een mes, althans enig

scherp/puntig voorwerp, op/tegen/in de rechterwang te slaan/snijden;

(artikel 302 Wetboek van Strafrecht);

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 17 november 2016 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes, althans enig scherp/puntig voorwerp, die [naam slachtoffer 2] inlop/tegen de

rechterwang heeft geslagen/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 november 2016 te Rotterdam

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een vuist en/of een mes, althans enig

scherp/puntig voorwerp, die [naam slachtoffer 2] in/op/tegen de rechterwang te slaan/snijden;

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

(pnr 027078-17)

hij

op of omstreeks 3 juli 2016 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 10 van de Wet

wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°

van die wet in de vorm van een pistool (merk Glock, type 26, kaliber 9x19

millimeter),

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te

weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie

III, te weten 80 kogelpatronen (merk(en) CCI, Sellier&Bellot en/of GECO,

kaliber 9x19mm),

voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie)